|
..::Alexandria::..
Een tijdje geleden werd aan de schrijvers van Zweinstein een geweldige mogelijkheid geboden: onze eigen altijd ondernemende Madame Rommella besloot om Ahmos Akhenaton, bibliothecaris van Bibliotheca Magica Alexandria, te helpen met het opruimen van zijn bibliotheek.
Natuurlijk is dat geen klus die door twee personen geklaard kan worden, zo geschiedde het dat wij, de schrijvers, een kans kregen om mee te werken aan de opruiming van deze prachtige, eeuwenoude bibliotheek.
We vertrekken iets te laat vanuit Zweinstein per Viavia, vanaf het glooiende gazon waar wij hadden afgesproken om de laatste zaken door te spreken en vervolgens op reis te gaan. Na een rommelig begin heeft ten slotte iedereen een hand aan de wasmand die ons weg zal brengen en een ogenblik later voel ik, net als mijn reisgenoten, hoe de grond onder mijn voeten weg lijkt te tollen.
Al enkele ogenblikken daarna zakken wij weg in het zachte zand van de prachtige Egyptische woestijn waar de dagen net zo lang zijn als de eindeloze zandvlaktes. Wij vermaken ons eerst lange tijd met het bekijken van de levendige omgeving, totdat daar de indrukwekkende Ahmos verschijnt; ook madame Rommella lijkt onder de indruk van onze bijzondere opdrachtgever.
Hij geeft ons de opdracht om te omschrijven wat je ziet, in één zin maar toch erg uitgebreid. Tenminste, zo interpreteer ik dat dan, de exacte opdracht is om een zin in impressionistische stijl te schrijven over wat we zien.
Stoffig en moe van het reizen en lopen door het warme zand krabbelen wij woord na woord moeizaam op ons perkament. Het is geen wonder dat de een dit iets beter deed dan de ander, maar gelukkig kan Ahmos ook het werk van de iets minder ver gevorderden schrijvers waarderen. Een dik uur later bergt iedereen zijn perkament weer op: Ahmos vertelt ons dat we Alexandrië naderen. Nadat we naar de stad Alexandrië zijn gebracht gunt hij ons echter nog steeds geen ogenblik van rust; meteen worden wij rondgeleid door de plaats waar we de komende tijd door zullen brengen.
Onze slaapvertrekken bevinden zich, tot ieders vreugde, in de bibliotheek, iets wat voor ons, fanatieke schrijvers, natuurlijk geweldig is.
Nadat wij allen van de reis en de imposante omgeving bekomen zijn kunnen we pas met elkaar praten over al deze nieuwe indrukken. Ik weet zelf niet waarom ik tegen mijn klasgenoten fluister; misschien komt het door de indrukwekkende ervaringen die ik deze dag heb opgedaan, of misschien komt het toch door die hap zand die bij aankomst mijn keel in schoot.
Ineens maakt het meisje naast mij een grote luchtsprong van schrik; een enorme stoet Arabische, nogal dreigend uitziende, kabouters marcheren door de gang in onze richting met kleine hakbijltjes opgeheven boven hun hoofd.
Ook madame Rommella heeft moeite om haar angst te onderdrukken, dat is duidelijk. Zij is echter wel weer helemaal rustig als Ahmos ons verzekerd dat dit precies dezelfde wezens zijn als de kabouters die wij in Groot Brittanië kennen, hoewel de leerlingen, mijzelf incluis, nog steeds niet helemaal overtuigd zijn en wat argwanend langs de wezens schuifelen.
In de eetzaal aangekomen zien wij tientallen huiselven lopen, hoewel totaal anders gekleed dan in Groot Brittanië herkennen wij deze wezens tot onze opluchting wel meteen. Nadat een gelige huiself de liefde verklaart aan de veter van mijn schoen zijn we er ook meteen weer achter dat deze wezentjes even gek zijn als de exemplaren die op Zweinstein leven. Intussen is de tafel gevuld met schalen vol eten waar wat angstig naar wordt gegluurd. Alles is totaal anders dan op Zweinstein, dat wordt meteen duidelijk.
Nadat een dappere Ravenklauw een flinke hoeveelheid opschept volgen ook de andere leerlingen. Intussen is aan tafel iedereen in groepjes gaan zitten en meteen merk ik dat wij, Griffoendors, flink in de meerderheid zijn. Veel tijd om daaraan te denken krijg ik niet, want na een hapje te hebben geproefd moet ik mezelf ervan weerhouden de hele schaal leeg te eten.
De maaltijd duurt lang maar op den duur heeft niemand nog genoeg fut om meer op te scheppen, iedereen hangt onderuitgezakt aan tafel, zich afvragend waar Ahmos en madame Rommella toch gebleven zijn. Een paar jonge leerlingen maken van de gelegenheid gebruik om met de niet zo populaire salade naar elkaar te gaan gooien. Hoewel madame Rommella even later wat verward terug komt is ze toch helder genoeg om aan deze praktijken meteen en einde te maken. Jammer, eigenlijk, die ene eerstejaars maakte net een prachtig ronde slabal, die ik kan zien vanuit mijn ooghoek.
Ahmos vertelt ons nu dat we aan het werk moeten, plots schiet iedereen overeind in zijn stoel. Sommige leerlingen lijken geschrokken, andere grijnzen wat flauwtjes, ik zit er zelf nogal verbouwereerd bij, mij afvragend hoe ik met zo’n volle buik in de bibliotheek kan komen.
Enkele moeizame tientallen meters laten ploffen wij neer in de zetels met Arabische bekleding, soezend en soms zelfs half in slaap. Ahmos begint te praten maar ik versta zijn woorden niet goed. Dan praat hij luider en duidelijker, nu moet ik wel onder ogen zien dat we hier zijn om aan het werk te gaan. Tot mijn verbazing ben ik niet de enige die haar aandacht er maar half bij heeft; madame Rommella staart Ahmos glazig aan en tot mijn afschuw druipt er een klein straaltje kwijl uit haar mondhoek.
Om dit afschuwelijke tafereel maar niet te hoeven zien richt ik nu mijn aandacht ten volle op Ahmos die ons meeneemt naar de schrijfkamer.
Een paar Huffelpufs nemen de grootste tafel al in beslag en tot mijn spijt moet ik me naast een Zwadderaar in een stoel laten zakken waarna een lange veer mij ongeduldig in mijn linkerneusgat prikt. Met tegenzin klem ik de veer tussen duim en wijsvinger en begin ik in navolging van mijn klasgenoten met het schrijven van één bladzijde. Slechts een bladzijde is er nodig om het boek af te krijgen, verzekerde Ahmos ons.
Terwijl de avond vordert neemt het geluid in de kamer af, zelfs de drukke eerstejaars zitten stilletjes en met hun tong uit hun mond hanenpoten te krassen op hun vlekkerige perkament.
Na een tijd kan ik, als zesde, mijn verhaal bsluiten met de woorden Zoo eindigde het, de rest achterlatend in het schemerige kamertje.
Op de slaapkamer aangekomen zak ik in de zachte kussens terwijl ik de hele dag nog eens aan mijn geestensoog voorbij laat gaan, zonder moeite laat ik de beelden van madame Rommella’s kwijl, veel zand en enge dwergen weg waarna ik in een heerlijke diepe slaap val na mijn eerste dag van dit avontuur in Egypte.
Tot zover mijn verslag tot nu toe, klik
hier om op de hoogte te blijven van ons verdere verblijf in Alexandrië.
Suzanne.
|