|
..::Het Tijdschrift::..
Eens in de zoveel tijd komt het voor dat ik tussen de lessen, mijn huiswerk en andere belangrijke zaken, zoals eten, een paar uurtjes vrij weet te vinden. In die uurtjes, waarin anderen zich vermaken met Zwerkbal of een potje Toverschaak, scharrel ik meestal door de bibliotheek om mijn algemene kennis een beetje bij te schaven. Eén van de meest interessante onderwerpen is, naar mijn mening, de Dreuzelgeschiedenis; die zoals je misschien niet zou verwachten verschilt van dan die van de magische wereld. Professor Kist heeft de moeite genomen om samen met mij, Dennis O'Riley, zo nu en dan de verschillen wat toe te lichten. Maar dan wel op een zeer verrassende manier: namelijk door letterlijk terug te gaan naar de tijd waarin de gebeurtenissen zich voordeden.
Post in de zomer
De leerlingenkamer van Ravenklauw was verlaten en het rook er muffig, het leek daardoor op de fabriekshal van de al een tijd lang faillietverklaarde Plastieken Ketel Onderneming. Het was prachtig weer en de studenten verkozen de buitenlucht boven de benauwde school. De onopenbare glas-in-loodramen, die talloze jaren geleden waren geïnstalleerd, waren een net zo idioot idee als de PKO en het moesten van dezelfde volstrekt naïeve tovenaar gekomen zijn in een al even zo in dronken bui. Ik was de enige die zich niet bekommerde om het stralende weer, want ik had andere zaken aan mijn hoofd. Ik keerde mij weer tot mijn fanmail, die dit maal bestond uit een envelop die nogal vochtig leek en nadrukkelijk naar de Uilentoren rook en een brief geschreven in drakenbloed. Het moet gezegd worden, het was tenminste post. Normaal gesproken bleef ik met lege handen staan als de hoofdredactrice Anne Cesterbay de binnengekomen brieven onder de daarvoor bestemde redactieleden verdeelde. Ik trachtte de envelop zover mogelijk bij mij vandaan te krijgen, zonder hem daadwerkelijk te hoeven aanraken. Mijn opzet om hem gewoon met wat magie weg te blazen mislukte faliekant daar ik de Latijnse woorden voor weg en op steeds weer door elkaar heen wist te halen. Met een bureau onder de aviaire feces en een stank die de mufheid in negatieve zin verdreef, richtte ik mij op de dreigbrief die, en dat was het meest bedreigende er aan, ondertekend was door de Bloederige Baron hemzelf. De aan Zwadderaars gedicteerde tekst kwam er in het kort op neer dat mijn stukken ongefundeerd, tendentieus en buitengewoon kwetsend voor de Geestengemeenschap waren. Ik kon mij niet herinneren dat ik op enige wijze geestige opmerkingen had gemaakt, of het moest zijn dat mijn verhaal over een overleden geestelijke verkeerd was gevallen. Al met al kwam ik tot de conclusie dat het aan de titel moest liggen, want er leek geen andere optie te zijn. Zouden de geesten deze dan dodelijke saai vinden? Had mijn schrijven wel zin? Er was maar één manier om daar achter te komen; ik moest op onderzoek uit.
1973
Ik stond op en liep vanwege de warmte rustig naar het kantoor van professor Kist, in de hoop antwoorden te krijgen op mijn ongerustheid. Verbazingwekkend kostte me het maar enkele minuten, terwijl ik ’s ochtends vaak al duwend en trekkend tien minuten nodig had om bij een van lokalen te komen. De school leek uitgestorven. Ik deed de deur naar het kantoortje open en zag tot mijn verbazing een zeer opgewekte professor Kist. Ik probeerde mijn meegenomen geur uit de envelop zoveel mogelijk te verbergen, maar naar mijn mening stonk ik een uur in de wind. De professor scheen het niet op te merken, dus óf hij rook het wel, maar scheen er geen moeite mee te hebben óf hij rook het niet, omdat hij in zijn jonge jaren had gewerkt als stalhouder van een varkensboerderij en de ammoniaklucht zijn reukvermogen had aangetast. Hij begon in ieder geval een heel verhaal af te steken: “Ah, jongeheer Original, wist je dat ik uitgenodigd ben voor de jaarlijkse Strijd der Seksen? Ik weet nog goed dat in 1253 de Holyhead Harpies in een enerverende finale de Falmouth Falcons versloegen. De Harpies vierden hun vijftig jarig bestaan dat jaar en hadden daarom een toernooi georganiseerd. Acht teams, waarvan vier geheel vrouwelijk en vier geheel mannelijk streden om de Yin-Yang Cup. Sindsdien is het een terugkerend fenomeen. Dit jaar vind de 753e Strijd der Seksen plaats en ik heb kaarten.”
Professor Kist stak nog een heel verhaal af over de verder ontwikkelingen tijdens de wedstrijden om de Yin Yang Cup, maar toen hij zich diepgraven ging storten op de culturen rond Tirkut waar een Jager van de Salisbury Serpents haar schoenveters had laten fabriceren, ging het mij toch te ver.
“Maar in ieder geval, de Dreuzelgemeenschap heeft ook eens een Strijd der Seksen gehad, in het Astrodome in Houston. Vind je het goed dat we daar eens naar gingen kijken, als voorproefje?”
Ik had helemaal geen tijd gehad om te vragen over mijn stukken, maar ik knikte maar moedwillig. Niet lang daarna stonden we in het donkere Texas, een koud gevoel bekroop mij en alle mijn geluk leek langzaam weg te worden gezogen.
“Ik geloof dat we iets te vroeg zijn geland,” was het rustige antwoord van de professor. Hij scheen helemaal geen last te hebben van de situatie, maar wat viel er ook te vrezen; hij had het ergste al eens meegemaakt. Het leek heel erg op een zonsverduistering, maar die gedachte werd bijna direct ontkracht door professor Kist, die zoals gewoonlijk de juiste uitleg gaf.
“Het is de Oproer van de Dementors, die ontstond na de aanwijzing van een nieuwe minister op het Departement van Magische Wetshandhaving. Deze stelde een aantal richtlijnen op rond de behandeling van gevangenen en de Dementors moesten vooraf toestemming worden gegeven voor het toepassen van de Kus. De Dementors gingen in staking en dat staat nu bekend als de Oproer van de Dementors. Binnen enkele uren hadden de Schouwers alles weer onder controle. De Dreuzels dachten, net zoals jij dat het om een uitzonderlijke lange zonsverduistering ging.”
“Ik zou eigenlijk blij zijn als we hier vandaan waren,” zei ik terug.
Binnen enkele tellen trok de zomer aan ons voorbij en liepen de professor en ik langs het NASA-hoofdgebouw naar het Astrodome. Bij een kraampje kocht ik voor de professor een “Billie Jean is a Queen!”-shirt als aandenken voor deze Strijd en voor mijzelf kocht ik een roodomrand blad met een nors uitziende man op de voorkant. De titel intrigeerde mij en ik kon niets ander dan gebiologeerd door het magazine te bladeren. We vonden een plek ergens midden in het stadion. We hadden goed overzicht en het was een mooie wedstrijd, totdat de professor mij op iets opmerkelijks wees. Een vrouw aan de overzijde zat met haar toverstaf allerlei gebaren te maken, waardoor de mannelijke speler de ene na de andere bal miste.
“Maar dat is...,” begon ik.
“De reden waarom Billie Jean heeft gewonnen, dat klopt. Die vrouw is een van de meest feministische heksen in de geschiedenis geweest. Ken je haar ergens van?”
“Ze lijkt op, op Griet Janssen, van de Harpies.”
“Het is haar moeder, Gwendoline, die streed voor de rechten van heksen en dreuzelvrouwen en met deze actie de wereld een handje hielp. Een echte straf heeft ze nooit gehad, vanwege haar immense status als Zwerkbalster. Ze heeft de Strijd der Seksen datzelfde jaar ook nog gewonnen. Sport verzusterde zo gezegd.”
Terug op Zweinstein
’s Avonds las ik mijn magazine met de norse man en hoe meer ik er mij in verdiepte hoe meer overeenkomsten ik zag tussen de vier letters die op mijn netvlies branden en mijn eigen werk voor de Brigade. Het weergeven van een tijdsbeeld, hetzelfde wat ik probeerde te doen. Het tijdschrift werd mijn voorbeeld, ik wist nu waarom ik mijn stukken schreef. Ik wilde laten zien wat we konden leren uit de geschiedenis. Ik moest wel schrijven, om te voorkomen dat we dezelfde fouten opnieuw zouden maken. De vier letters stonden voor de levensles en als eerbetoon nam ik ze op in mijn nieuwe titel, ook al omdat ik dan ’s nachts met een gerust hart kon gaan slapen, zonder dat ik de Bloederige Baron hoefde te verwachten.
Dennis O'Riley
|