|
Biografie
“Mijn moeder en vader waren beide Londenaren. Ze hebben elkaar
ontmoet op een trein reizend van King’s Cross Station naar Arbroath in
Schotland toen ze beide 18 waren; mijn vader ging bij de Koninklijke
Marine werken, mijn moeder bij de W.R.E.N. (onderdeel van de marine). Mijn moeder zei dat ze het koud had, mijn vader bood haar aan
om de helft van de zijn jas te delen, en ze trouwden ongeveer een jaar
later, toen ze 19 waren.
Beide verlieten ze de marine en verhuisden ze naar de buitenwijken van
Bristol, in het westen van Engeland. Mijn moeder beviel van me toen ze
20 was. Ik was een mollige baby. De beschrijving in ‘De Steen der
Wijzen’ van de foto’s van ‘wat op een strandbal leek met verschillende
gekleurde, gebreide mutsen’ lijken erg veel op de foto’s van mijn vroege
jaren.
Mijn zuster Di arriveerde één jaar en elf maanden na mij. De dag van haar
geboorte is mijn vroegste herinnering, of mijn vroegste dateerbare
herinnering, in ieder geval. Ik herinner me nog goed dat ik was aan het
spelen met een stukje boetseerklei in de keuken terwijl mijn vader heen
en weer rende, de kamer in en uit, haastend naar mijn moeder. Die
geboorte gebeurde in hun slaapkamer. Ik weet dat ik deze herinnering niet
heb verzonnen omdat ik de details later heb nagekeken met mijn moeder.
Ik heb ook een levendige mentale herinnering dat ik hun slaapkamer een
tijdje later in liep, hand in hand met mijn vader, en mijn moeder in bed
zag liggen met een nachtjapon naast mijn huilende zus, die helemaal
bloot was met een hoofd vol met haar en dat ze vijf leek. Ook al heb ik
deze laatste herinnering duidelijk in elkaar gezet met bizarre, valse
herinneringen van stukjes die ik heb gehoord toen ik een kind was, is
het zo levendig dat het nog steeds in me opkomt als ik denk aan de
geboorte van Di.
Di had – en heeft nog steeds – zeer donker, bijna zwart haar, en donkere
bruine ogen net als mijn moeder, en ze is een stuk knapper dan ik was
(en nog steeds ben). Ter compensatie, denk ik, dat mijn ouders hebben
besloten dat ik ‘de slimme’ was. Beide vinden we onze labels niet leuk.
Ik wilde echt minder sproeterig-strandbal-achtig zijn, en Di, die nu
advocaat is, voelde zich duidelijk niet prettig dat niemand was
opgevallen dat ze niet alleen een mooie meid was. Dat heeft zeker weten
bijgedragen aan het feit dat we driekwart van onze jeugd hebben
gevochten als een stel wilde katten, samen gevangen in een kleine kooi.
Tot deze dag, heeft Di een klein litteken net boven haar wenkbrauw van
de snee die ik haar heb gegeven toen ik een batterij naar haar gooide –
maar ik had niet verwacht dat ik haar zou raken, ik dacht dat ze weg zou
duiken! (Dit excuus heeft niet veel ijs gebroken met mijn moeder, die
toen bozer was als ik haar ooit heb gezien).
We verlieten de bungalow toen ik vier was en we verhuisde naar Winterbourne,
ook een van de buitenwijken van Bristol. Nu leefde we in een half
vrijstaand huis met TRAPPEN, die er voor zorgde dat Di en ik, steeds
opnieuw, een spel maakte waarin een van ons tweeën de trap af ‘hing’ van
de hoogste traptree, handen vasthoudend met de andere en bij de andere
smeken om niet los te laten, tot dat we naar onze ‘dood’ vielen. We
vonden dit enorm amuserend. Ik denk dat de laatste keer dat we dit spel
speelden twee kerstmissen terug; mijn negen jaar oude dochter vond het niet
zo leuk als wij.
De weinige tijd dat we niet waren aan het vechten, waren Di en ik de
beste vrienden. Ik vertelde haar een hoop verhalen en soms hoefde ik
zelfs niet op haar te gaan zitten zodat ze zou blijven en luisteren.
Vaak werden het verhaal spelletjes waarin we beiden normale karakters
speelden. Ik was extreem bazig als ik regisseur was tijdens deze
langdurende spelletjes, maar Di hield het uit omdat ik haar meestal de
goede rollen gaf.
Er waren een hoop kinderen van onze leeftijd die woonde in onze nieuwe
straat, tussen hen een broer en zus met de achternaam Potter. Ik vond
hun naam altijd leuk, terwijl ik niet erg blij was met die van mijzelf;
‘Rowling’ (de eerste lettergreep die word uitgesproken als ‘row’ als in
een boor, meer dan ‘row’ als in een argument) leende zich uit voor
grapjes zoals ‘Rowling stone’, ‘Rowling pin’ en ga zo maar door. Hoe dan
ook, de broer heeft in de pers beweerd dat hij Harry ‘was’. Zijn moeder
heeft ook verslaggevers verteld dat hij en ik ons als tovenaars
verkleedden. Geen van deze uitspraken is waar; eigenlijk, alles wat ik me
herinner van de jongen in kwestie was dat hij op een rode ‘Chopper’
reed, wat de fiets was die iedereen in de zeventiger jaren wilde, en dat
hij eens een steen naar Di heeft gegooid, waarvoor ik hem hard op het
hoofd heb geslagen met een plastic zwaard (ik was de enige die dingen
naar Di mocht gooien).
Ik genoot van mijn school in Winterbourne. Het was een erg rustgevende
omgeving; ik herinner me veel potten maken, tekenen en verhalen
schrijven, wat precies bij mij paste. Hoe dan ook, mijn ouders hadden
altijd de droom gehad om in de stad te leven, en rond mijn negende
verjaardag verhuisde we voor de laatste keer, naar Tutshill, een klein
dorpje net buiten Chepstow, in Wales.
De verhuizing gebeurde toevallig bijna gelijk met de dood van mijn
favoriete grootouder, Kathleen, wiens naam ik later nam als extra
initiaal. Geen twijfel dat mijn eerste grote verlies van mijn leven
invloed had op de gevoelens voor mijn nieuwe school, die ik totaal niet
leuk vond. We zaten de hele dag aan cilinderbureaus naar het bord te
kijken. Er waren oude inktgaten in het bureaublad. Er was een tweede gat
in mijn bureau, die er was uitgehold met de punt van een passer door de
jongen die er dat jaar van tevoren had gezeten. Hij had duidelijk
stilletjes gewerkt en buiten het zicht van de leraar. Ik dacht dat een
grote prestatie was, en dus zette ik het werk voort door het gat te
vergroten met mijn eigen passer, tegen de tijd dat ik het klaslokaal kon
verlaten kon je er gemakkelijk je duim er door heen steken.
Mijn middelbare school, Wyedean, waar ik naar toe ging toen ik elf was,
was de plaats waar ik Sean Harris ontmoette, aan wie ik De Geheime Kamer
heb opgedragen en die de eigenaar was van de originele Ford Anglia. Hij
was de eerste van mijn vrienden die me leerde om te rijden en de
turkoois en witte auto betekende VRIJHEID en niet meer aan mijn vader
hoeven te vragen voor me liften te geven, wat het ergste is in het leven
van een tiener op het platteland. Sommige van de gelukkigste
herinneringen van mij tienerjaren hebben betrekking op het in het donker
wegrijden met Seans auto. Hij was de eerste persoon met wie ik echt
discussieerde over mijn serieuze ambitie om schrijfster te worden en hij was
ook de enige persoon die me leerde dat mijn lot was om er succes mee te
hebben, wat veel meer voor me betekende dan ik toen liet merken.
Het ergste wat gebeurde in mijn tienerjaren was dat mijn moeder ziek
begon te worden. Ze had als diagnose multiple sclerosis, wat een ziekte
is aan het zenuwstelsel, toen ik vijftien was. Ook al maken veel mensen met
multiple sclerosis periodes van rust mee – als hun ziekte stopt met
vooruitgang voor een tijdje, of zelfs beter word – was mijn moeder
ongelukkig; vanaf het moment dat ze de diagnose van de ziekte kreeg werd
het langzaam maar zeker erger. Ik denk dat de meeste mensen, diep van
binnen, geloven dat hun moeders onsterfelijk zijn; het was een
verschrikkelijke schok om te horen dat ze een ongeneeslijke ziekte had,
maar zelfs toen, realiseerde ik me niet volledig wat de diagnose
betekende.
Ik verliet school in 1983 en ging naar de Universiteit van Exeter, aan
de zuidkust van Engeland. Ik studeerde Frans, wat een fout was; ik was
bezweken aan de druk van mijn ouders om een ‘bruikbare’ studie moderne
talen te gaan doen als tegenovergesteld van
‘maar-waar-zal-het-heen-leiden?’ Engels zou echt mijn type zijn geweest.
Aan de andere kant, het studeren van Frans betekende dat ik één jaar in
Parijs moest gaan wonen als een deel van mijn opleiding.
Na het verlaten van de universiteit werkte ik in Londen; mijn langste
werk was met Amnesty International, de organisatie die campagne voert
tegen het misbruiken van de menselijke rechten over de hele wereld. Tot
in 1990, mijn toenmalige vriendje en ik besloten om naar Manchester te
verhuizen. Het was na een weekend flat-jagen, toen ik alleen terugreisde
naar Londen in een drukke trein, dat het idee van Harry Potter simpelweg
mijn hoofd in viel.
Ik had bijna continu geschreven vanaf de leeftijd van zes jaar maar ik
was nog nooit zo opgewonden geweest over mijn eerder ideeën. Tot mijn
immense frustratie, had ik geen werkende pen bij me, en ik was te
verlegen om aan iemand te vragen of ik er een mocht lenen. Ik denk, nu,
dat dit waarschijnlijk een goed ding was, omdat ik simpelweg zat en
dacht, voor vier (treinvertraagde) uren, en alle details kwamen in mijn
hoofd op, en deze magere, zwartharige, bebrilde jongen die niet wist dat
hij een tovenaar was werd steeds meer echt voor mij. Ik denk dat als ik
de ideeën wat rustiger had moeten laten gaan als ik ze op papier wilde
zetten dat ik misschien een paar niet had gehad (ook al vraag ik me soms
af, hoe veel van wat ik me had voorgesteld op die reis ik vergeten was
voor de tijd dat ik echt een pen in mijn handen kreeg).
Ik begon ‘De Steen der Wijzen’ te schrijven die avond, ook al lijken die
eerste paar pagina’s helemaal niet wat er in het afgemaakte boek staat.
Ik verhuisde naar Manchester, en nam het groeiende script met me mee, die
nu in allerlei vreemde richtingen groeide, en ideeën bevatte voor de
rest van Harry’s carrière op Zweinstein, niet alleen zijn eerste jaar.
Toen, op 30 December 1990, gebeurde er iets wat zowel mijn wereld als
die van Harry voor altijd zou veranderen: mijn moeder ging dood.
Het was een verschrikkelijke tijd. Mijn vader, Di en ik waren er kapot
van; ze was maar vijfenveertig jaar oud en we hadden ons nooit
voorgesteld – waarschijnlijk omdat we de gedachte niet konden uitstaan –
dat ze zo jong dood kon gaan. Ik herinner me dat het was alsof er beton
op mijn borst duwde, een echte pijn in mijn hart.
Negen maanden later, wanhopig om weg te gaan voor een tijdje, ging ik
naar Portugal, waar ik werkte als een Engels lerares in een taalinstituut.
Ik nam het nog steeds groeiende manuscript van Harry Potter mee, hopend
dat mijn nieuwe werkuren (ik gaf les in de namiddag en in de avond) zichzelf
zouden lenen om verder te gaan met mijn boek, dat erg was veranderd sinds
mijn moeder was gestorven. Nu waren Harry’s gevoelens over zijn dode ouders
veel meer dieper, veel echter. In de eerste weken in Portugal schreef ik mijn
favoriete hoofdstuk, de Spiegel van Neregeb.
Ik had gehoopt dat als ik uit Portugal terug zou keren, ik een afgemaakt
boek onder mijn arm zou hebben. Maar, ik had iets beters: mijn dochter.
Ik had een Portugese man leren kennen en was met hem getrouwd, en ook al
werkte het huwelijk uiteindelijk niet, het had me het beste in mijn
leven gegeven.
Jessica en ik kwamen aan in Edinburgh, waar mijn zuster Di leefde,
precies op tijd voor Kerstmis 1994.
Ik deed net alsof ik weer les ging geven en wist dat tenzij ik het boek
zeer snel af kreeg, ik het waarschijnlijk nooit af zou krijgen; ik wist
dat fulltime les geven, met al het verbeteren en lessen plannen, en dan
nog eens een dochter die ik alleen moest opvoeden, dat me geen vrije
tijd zou geven. En dus ging ik werken in een soort van razernij,
vastbesloten om het boek af te maken en tenminste zou proberen om het
gepubliceerd te krijgen. Als Jessica in slaap viel in haar
wandelwagentje ging ik zo snel mogelijk naar het dichtstbijzijnde café
en begon te schrijven als een gek. Ik schreef bijna iedere avond. Toen
moest ik het hele ding zelf uittypen. Soms haatte ik het boek, terwijl
ik er tegelijkertijd ook van hield.
Eindelijk was het klaar. Ik bedekte de eerste drie hoofdstukken in een
mooie plastic folder en zond ze naar een agent, die ze zo snel terug
stuurde dat ze waarschijnlijk zijn teruggestuurd op dezelfde dag dat ze
arriveerde. Maar de tweede agent schreef terug en vroeg of hij de rest
van het manuscript mocht zien. Het was echt de allerbeste brief die ik
ooit heb gekregen in mijn leven, en het was maar twee zinnen lang.
Het duurde een jaar voor mijn nieuwe agent, Christopher, om een uitgever
te vinden. Veel van hen wezen het af. Toen, eindelijk, in Augustus 1996,
belde Christopher mij en vertelde me dat Bloomsbury een ‘aanbod had
gemaakt.’ Ik kon niet geloven wat ik hoorde. ‘Je bedoelt dat het wordt
uitgegeven?’ vroeg ik, erg dom. ‘Wordt het zeker weten uitgegeven?’ Toen
ik had opgehangen, schreeuwde ik en sprong in de lucht; Jessica, die in
haar hoge stoel zat van haar thee te genieten, keek een beetje bang.
En jullie weten waarschijnlijk wat daarna is gebeurd.”
Bron: J.K. Rowling.com
|