Wat is je favoriete Fabeldier uit de film?
Boomtrul / Bowtruckle
Delfstoffer / Niffler
Thunderbird
Swooping Evil
Occamy
Erumpent
Anders...
» Bekijk stand «


 25-02-2017
» Jarig vandaag «

James en Oliver Phelps (31)
Acteurs, Fred en George Wemel in de films


Kies:

Download het van Microsoft

RSS Feed


Twitter

 
Joanne Kathleen Rowling op het boekenfestival in Edinburgh, 15 augustus 2004.

J.K. Rowling

Volledige naam: Joanne Kathleen Rowling
Geboren in: Chipping Sodburry, Engeland
Geboortedatum: 31 juli 1965

Fanmail kun je sturen naar:
J.K. Rowling
c/o Bloomsbury Publishing Plc.
38 Soho Square
London, WIV 5DF
England

Of naar:
J. K. Rowling
c/o Scholastic Inc.
555 Broadway
New York, NY 10012
United States


Biografie
“Mijn moeder en vader waren beide Londenaren. Ze hebben elkaar ontmoet op een trein reizend van King’s Cross Station naar Arbroath in Schotland toen ze beide 18 waren; mijn vader ging bij de Koninklijke Marine werken, mijn moeder bij de W.R.E.N. (onderdeel van de marine). Mijn moeder zei dat ze het koud had, mijn vader bood haar aan om de helft van de zijn jas te delen, en ze trouwden ongeveer een jaar later, toen ze 19 waren.

Beide verlieten ze de marine en verhuisden ze naar de buitenwijken van Bristol, in het westen van Engeland. Mijn moeder beviel van me toen ze 20 was. Ik was een mollige baby. De beschrijving in ‘De Steen der Wijzen’ van de foto’s van ‘wat op een strandbal leek met verschillende gekleurde, gebreide mutsen’ lijken erg veel op de foto’s van mijn vroege jaren.

Mijn zuster Di arriveerde één jaar en elf maanden na mij. De dag van haar geboorte is mijn vroegste herinnering, of mijn vroegste dateerbare herinnering, in ieder geval. Ik herinner me nog goed dat ik was aan het spelen met een stukje boetseerklei in de keuken terwijl mijn vader heen en weer rende, de kamer in en uit, haastend naar mijn moeder. Die geboorte gebeurde in hun slaapkamer. Ik weet dat ik deze herinnering niet heb verzonnen omdat ik de details later heb nagekeken met mijn moeder. Ik heb ook een levendige mentale herinnering dat ik hun slaapkamer een tijdje later in liep, hand in hand met mijn vader, en mijn moeder in bed zag liggen met een nachtjapon naast mijn huilende zus, die helemaal bloot was met een hoofd vol met haar en dat ze vijf leek. Ook al heb ik deze laatste herinnering duidelijk in elkaar gezet met bizarre, valse herinneringen van stukjes die ik heb gehoord toen ik een kind was, is het zo levendig dat het nog steeds in me opkomt als ik denk aan de geboorte van Di.

Di had – en heeft nog steeds – zeer donker, bijna zwart haar, en donkere bruine ogen net als mijn moeder, en ze is een stuk knapper dan ik was (en nog steeds ben). Ter compensatie, denk ik, dat mijn ouders hebben besloten dat ik ‘de slimme’ was. Beide vinden we onze labels niet leuk. Ik wilde echt minder sproeterig-strandbal-achtig zijn, en Di, die nu advocaat is, voelde zich duidelijk niet prettig dat niemand was opgevallen dat ze niet alleen een mooie meid was. Dat heeft zeker weten bijgedragen aan het feit dat we driekwart van onze jeugd hebben gevochten als een stel wilde katten, samen gevangen in een kleine kooi. Tot deze dag, heeft Di een klein litteken net boven haar wenkbrauw van de snee die ik haar heb gegeven toen ik een batterij naar haar gooide – maar ik had niet verwacht dat ik haar zou raken, ik dacht dat ze weg zou duiken! (Dit excuus heeft niet veel ijs gebroken met mijn moeder, die toen bozer was als ik haar ooit heb gezien).

We verlieten de bungalow toen ik vier was en we verhuisde naar Winterbourne, ook een van de buitenwijken van Bristol. Nu leefde we in een half vrijstaand huis met TRAPPEN, die er voor zorgde dat Di en ik, steeds opnieuw, een spel maakte waarin een van ons tweeën de trap af ‘hing’ van de hoogste traptree, handen vasthoudend met de andere en bij de andere smeken om niet los te laten, tot dat we naar onze ‘dood’ vielen. We vonden dit enorm amuserend. Ik denk dat de laatste keer dat we dit spel speelden twee kerstmissen terug; mijn negen jaar oude dochter vond het niet zo leuk als wij.

De weinige tijd dat we niet waren aan het vechten, waren Di en ik de beste vrienden. Ik vertelde haar een hoop verhalen en soms hoefde ik zelfs niet op haar te gaan zitten zodat ze zou blijven en luisteren. Vaak werden het verhaal spelletjes waarin we beiden normale karakters speelden. Ik was extreem bazig als ik regisseur was tijdens deze langdurende spelletjes, maar Di hield het uit omdat ik haar meestal de goede rollen gaf.

Er waren een hoop kinderen van onze leeftijd die woonde in onze nieuwe straat, tussen hen een broer en zus met de achternaam Potter. Ik vond hun naam altijd leuk, terwijl ik niet erg blij was met die van mijzelf; ‘Rowling’ (de eerste lettergreep die word uitgesproken als ‘row’ als in een boor, meer dan ‘row’ als in een argument) leende zich uit voor grapjes zoals ‘Rowling stone’, ‘Rowling pin’ en ga zo maar door. Hoe dan ook, de broer heeft in de pers beweerd dat hij Harry ‘was’. Zijn moeder heeft ook verslaggevers verteld dat hij en ik ons als tovenaars verkleedden. Geen van deze uitspraken is waar; eigenlijk, alles wat ik me herinner van de jongen in kwestie was dat hij op een rode ‘Chopper’ reed, wat de fiets was die iedereen in de zeventiger jaren wilde, en dat hij eens een steen naar Di heeft gegooid, waarvoor ik hem hard op het hoofd heb geslagen met een plastic zwaard (ik was de enige die dingen naar Di mocht gooien).

Ik genoot van mijn school in Winterbourne. Het was een erg rustgevende omgeving; ik herinner me veel potten maken, tekenen en verhalen schrijven, wat precies bij mij paste. Hoe dan ook, mijn ouders hadden altijd de droom gehad om in de stad te leven, en rond mijn negende verjaardag verhuisde we voor de laatste keer, naar Tutshill, een klein dorpje net buiten Chepstow, in Wales.

De verhuizing gebeurde toevallig bijna gelijk met de dood van mijn favoriete grootouder, Kathleen, wiens naam ik later nam als extra initiaal. Geen twijfel dat mijn eerste grote verlies van mijn leven invloed had op de gevoelens voor mijn nieuwe school, die ik totaal niet leuk vond. We zaten de hele dag aan cilinderbureaus naar het bord te kijken. Er waren oude inktgaten in het bureaublad. Er was een tweede gat in mijn bureau, die er was uitgehold met de punt van een passer door de jongen die er dat jaar van tevoren had gezeten. Hij had duidelijk stilletjes gewerkt en buiten het zicht van de leraar. Ik dacht dat een grote prestatie was, en dus zette ik het werk voort door het gat te vergroten met mijn eigen passer, tegen de tijd dat ik het klaslokaal kon verlaten kon je er gemakkelijk je duim er door heen steken.

Mijn middelbare school, Wyedean, waar ik naar toe ging toen ik elf was, was de plaats waar ik Sean Harris ontmoette, aan wie ik De Geheime Kamer heb opgedragen en die de eigenaar was van de originele Ford Anglia. Hij was de eerste van mijn vrienden die me leerde om te rijden en de turkoois en witte auto betekende VRIJHEID en niet meer aan mijn vader hoeven te vragen voor me liften te geven, wat het ergste is in het leven van een tiener op het platteland. Sommige van de gelukkigste herinneringen van mij tienerjaren hebben betrekking op het in het donker wegrijden met Seans auto. Hij was de eerste persoon met wie ik echt discussieerde over mijn serieuze ambitie om schrijfster te worden en hij was ook de enige persoon die me leerde dat mijn lot was om er succes mee te hebben, wat veel meer voor me betekende dan ik toen liet merken.

Het ergste wat gebeurde in mijn tienerjaren was dat mijn moeder ziek begon te worden. Ze had als diagnose multiple sclerosis, wat een ziekte is aan het zenuwstelsel, toen ik vijftien was. Ook al maken veel mensen met multiple sclerosis periodes van rust mee – als hun ziekte stopt met vooruitgang voor een tijdje, of zelfs beter word – was mijn moeder ongelukkig; vanaf het moment dat ze de diagnose van de ziekte kreeg werd het langzaam maar zeker erger. Ik denk dat de meeste mensen, diep van binnen, geloven dat hun moeders onsterfelijk zijn; het was een verschrikkelijke schok om te horen dat ze een ongeneeslijke ziekte had, maar zelfs toen, realiseerde ik me niet volledig wat de diagnose betekende.

Ik verliet school in 1983 en ging naar de Universiteit van Exeter, aan de zuidkust van Engeland. Ik studeerde Frans, wat een fout was; ik was bezweken aan de druk van mijn ouders om een ‘bruikbare’ studie moderne talen te gaan doen als tegenovergesteld van ‘maar-waar-zal-het-heen-leiden?’ Engels zou echt mijn type zijn geweest. Aan de andere kant, het studeren van Frans betekende dat ik één jaar in Parijs moest gaan wonen als een deel van mijn opleiding.

Na het verlaten van de universiteit werkte ik in Londen; mijn langste werk was met Amnesty International, de organisatie die campagne voert tegen het misbruiken van de menselijke rechten over de hele wereld. Tot in 1990, mijn toenmalige vriendje en ik besloten om naar Manchester te verhuizen. Het was na een weekend flat-jagen, toen ik alleen terugreisde naar Londen in een drukke trein, dat het idee van Harry Potter simpelweg mijn hoofd in viel.

Ik had bijna continu geschreven vanaf de leeftijd van zes jaar maar ik was nog nooit zo opgewonden geweest over mijn eerder ideeën. Tot mijn immense frustratie, had ik geen werkende pen bij me, en ik was te verlegen om aan iemand te vragen of ik er een mocht lenen. Ik denk, nu, dat dit waarschijnlijk een goed ding was, omdat ik simpelweg zat en dacht, voor vier (treinvertraagde) uren, en alle details kwamen in mijn hoofd op, en deze magere, zwartharige, bebrilde jongen die niet wist dat hij een tovenaar was werd steeds meer echt voor mij. Ik denk dat als ik de ideeën wat rustiger had moeten laten gaan als ik ze op papier wilde zetten dat ik misschien een paar niet had gehad (ook al vraag ik me soms af, hoe veel van wat ik me had voorgesteld op die reis ik vergeten was voor de tijd dat ik echt een pen in mijn handen kreeg).

Ik begon ‘De Steen der Wijzen’ te schrijven die avond, ook al lijken die eerste paar pagina’s helemaal niet wat er in het afgemaakte boek staat. Ik verhuisde naar Manchester, en nam het groeiende script met me mee, die nu in allerlei vreemde richtingen groeide, en ideeën bevatte voor de rest van Harry’s carrière op Zweinstein, niet alleen zijn eerste jaar. Toen, op 30 December 1990, gebeurde er iets wat zowel mijn wereld als die van Harry voor altijd zou veranderen: mijn moeder ging dood.

Het was een verschrikkelijke tijd. Mijn vader, Di en ik waren er kapot van; ze was maar vijfenveertig jaar oud en we hadden ons nooit voorgesteld – waarschijnlijk omdat we de gedachte niet konden uitstaan – dat ze zo jong dood kon gaan. Ik herinner me dat het was alsof er beton op mijn borst duwde, een echte pijn in mijn hart.

Negen maanden later, wanhopig om weg te gaan voor een tijdje, ging ik naar Portugal, waar ik werkte als een Engels lerares in een taalinstituut. Ik nam het nog steeds groeiende manuscript van Harry Potter mee, hopend dat mijn nieuwe werkuren (ik gaf les in de namiddag en in de avond) zichzelf zouden lenen om verder te gaan met mijn boek, dat erg was veranderd sinds mijn moeder was gestorven. Nu waren Harry’s gevoelens over zijn dode ouders veel meer dieper, veel echter. In de eerste weken in Portugal schreef ik mijn favoriete hoofdstuk, de Spiegel van Neregeb.

Ik had gehoopt dat als ik uit Portugal terug zou keren, ik een afgemaakt boek onder mijn arm zou hebben. Maar, ik had iets beters: mijn dochter. Ik had een Portugese man leren kennen en was met hem getrouwd, en ook al werkte het huwelijk uiteindelijk niet, het had me het beste in mijn leven gegeven.
Jessica en ik kwamen aan in Edinburgh, waar mijn zuster Di leefde, precies op tijd voor Kerstmis 1994.

Ik deed net alsof ik weer les ging geven en wist dat tenzij ik het boek zeer snel af kreeg, ik het waarschijnlijk nooit af zou krijgen; ik wist dat fulltime les geven, met al het verbeteren en lessen plannen, en dan nog eens een dochter die ik alleen moest opvoeden, dat me geen vrije tijd zou geven. En dus ging ik werken in een soort van razernij, vastbesloten om het boek af te maken en tenminste zou proberen om het gepubliceerd te krijgen. Als Jessica in slaap viel in haar wandelwagentje ging ik zo snel mogelijk naar het dichtstbijzijnde café en begon te schrijven als een gek. Ik schreef bijna iedere avond. Toen moest ik het hele ding zelf uittypen. Soms haatte ik het boek, terwijl ik er tegelijkertijd ook van hield.

Eindelijk was het klaar. Ik bedekte de eerste drie hoofdstukken in een mooie plastic folder en zond ze naar een agent, die ze zo snel terug stuurde dat ze waarschijnlijk zijn teruggestuurd op dezelfde dag dat ze arriveerde. Maar de tweede agent schreef terug en vroeg of hij de rest van het manuscript mocht zien. Het was echt de allerbeste brief die ik ooit heb gekregen in mijn leven, en het was maar twee zinnen lang.

Het duurde een jaar voor mijn nieuwe agent, Christopher, om een uitgever te vinden. Veel van hen wezen het af. Toen, eindelijk, in Augustus 1996, belde Christopher mij en vertelde me dat Bloomsbury een ‘aanbod had gemaakt.’ Ik kon niet geloven wat ik hoorde. ‘Je bedoelt dat het wordt uitgegeven?’ vroeg ik, erg dom. ‘Wordt het zeker weten uitgegeven?’ Toen ik had opgehangen, schreeuwde ik en sprong in de lucht; Jessica, die in haar hoge stoel zat van haar thee te genieten, keek een beetje bang.

En jullie weten waarschijnlijk wat daarna is gebeurd.”

Bron: J.K. Rowling.com


J.K. Rowling voert een signeersessie uit

Interviews

Had je ooit gedacht dat de Harry Potterboekenreeks zo succesvol zou zijn? Nee nooit! Ik schreef gewoon een soort boek dat ik leuk vond toen ik jong was (en nu nog steeds!) ik had nooit gedacht dat zoveel mensen het leuk zouden vinden, eerlijk gezegd, had ik nooit gedacht dat het uitgegeven zou worden.

Voor meer interviews van Rowling, raadpleeg hier onze uitgebreide interviewdatabase.


Quotes
Op een dag in Edinburgh ging ik naar mijn favoriete café om de bewerkte versie van het tweede Harry Potter boek te lezen. Jessie was in de crèche, want nu had ik het geld om er een voor haar te betalen die ze leuk vond. Ik had een krentenkoek en een kop warme chocolademelk en ik had dit moment van een goddelijke openbaring. Ik dacht: "Ik ben de gelukkigste persoon ter wereld. Ik word nu betaald voor hetgeen ik mijn volledige leven voor niets heb gedaan. Ik kan hier zitten en ik weet dat dit boek ook gedrukt gaat worden." Toen realiseerde ik mij plots: "Ik ben een schrijfster. Ik word nu ervoor betaald. Dit is niet langer mijn geheime schaamtevolle gewoonte waar ik niemand iets over vertel."

www.hetpelgrimshuis.nl