Actieve onderwerpenActieve onderwerpen  Toon de lijst met forumledenLedenlijst  KalenderKalender  Doorzoek dit forumZoeken  HelpHelp
  RegistrerenRegistreren  InloggenInloggen
Korte Schrijfsels
 Het Harry Potter Forum : De Toren der Creatievelingen : De Bibliotheek : Korte Schrijfsels
Onderwerp: • Avana's one-shots Beantwoord bericht Plaats een nieuw onderwerp
Pagina  van 4 Volgende >>
Schrijver Bericht
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Onderwerp: • Avana's one-shots
    Geplaatst op: 29 december 2009 om 16:39


Hallo schrijvers, lezers en andere voorbijgangers,

Ik ben Avana, een fanatiek fanficlezer en –schrijver.
Hoewel ik al een paar jaar geleden lid ben geworden van Dreuzels, heb ik hier nog nooit eerder gepost. Schandalig, ik weet het xD
Ik kwam hier vooral voor het lezen van goede Harry Potter verhalen. Ik ben 2,5 jaar geleden zelf begonnen met het schrijven van fanfic’s voor challenges op een ander HP forum en sindsdien ben ik verslaafd xD

Ik heb tot nu toe voornamelijk one-shots geschreven hoewel ik dit jaar eindelijk begonnen ben aan een lange post Deathly Hallows fic tijdens NaNoWriMo. Maar aangezien ik niets plaats dat niet af is, zullen jullie daar nog even op moeten wachten xD
Bij de verhalen voor challenges probeer ik meestal iets dat ik nog niet eerder gedaan heb; een genre, een schrijftechniek, een personage o.i.d.
Verder schrijf ik het liefst Harry/Draco slash. They rock! ^^
Ook heb ik gemerkt dat ik het leuk vind om vanuit Sneeps perspectief te schrijven hoewel die verhalen meestal eerder hilarisch worden dan iets anders. Sneep leent zich daar gewoon erg goed voor *grijnst*
Mijn hoofdpersonen zijn praktisch altijd bekende of minder bekende HP personages aangezien ik zelf ook niet graag over OC's lees en ik probeer altijd zo canon mogelijk te schrijven met uitzondering van die komische verhalen xD

Ik zal hier in eerste instantie eerder geschreven one-shots plaatsen terwijl ik verder werk aan mijn lange verhaal. Ik hoop goede opbouwende kritiek te krijgen waar ik mee verder kan. Ik ben namelijk een perfectionist xD

Bedankt Elijah, Sonja en andere Dreuzels voor het bèta-readen van mijn verhaaltjes. Alle fouten die er nog in staan, komen geheel voor mijn rekening! xD
Dank aan CartoonJessie voor de mooie banner in mijn lievelingskleuren xD En hoewel mijn favoriete jongens erop staan, kun je hier genoeg verhalen vinden met andere hoofdpersonen hoor!

Tenslotte wens ik jullie veel leesplezier! ;)

De one-shots:

Pagina 1
1. Een Magische Kerst
2. Een Kerst zonder Hippogrief
3. Een Griefje Zien
4. Dobby's Toversok
5. Brieven voor Mema
6. In de Ban van een Boek
7. Draco's Gouden Plan
8. Drank en een Zilveren Droom
9. Voor Niets gaat de Zon onder

Pagina 2
10. Sneeps Heiligdom
11. Wat als ...?
12. Gekrompen Geluk
13. Onverwachte Ontdekkingen
14. De Toeschouwer
15. Zoete Wraak
16. De Gouden Munt
17. Een S.H.I.T.-liefdesbrief
18. Zijn Laatste Keuze
19. Het Duel

Pagina 3
20. De Kerstboodschap
21. Een Appel Valt Nooit Ver
22. Addergebroed
23. Een Nieuwe Dag
24. De Ballerina
25. Eén Kans
26. De Drakentemmer
27. Vergeving
28. Wilde ogen in de nacht
29. Fase één

Pagina 4
30. Een Slechte Dag
31. Rons Roem en Rampspoed
32. Een Magisch Kusje
33. De Monsterkamer
34. Uit Liefde voor een Prinses






Alle one-shots zijn toegankelijk voor alle Dreuzelleeftijden, tenzij anders vermeld.
 

In het topic voor Engelse HP-oneshots kun je trouwens ook nog wat verhaaltjes van me vinden.

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 29 december 2009 om 17:06
Korte inhoud/omschrijving: “Als hij eindelijk zijn omgeving gewaar wordt, valt zijn mond open en kijkt hij verbijsterd om zich heen. Het is alsof hij zo in een kerstkaart is gestapt.”
Midden in een Dooddoenersaanval moet Hermelien een vreemdeling redden. HG/OC

A/N: Tja, om te laten zien dat ik soms erg tegenstrijdig ben, heeft m'n eerste verhaal dat ik post gelijk een OC xD
Maar gezien de kerstsfeer vond ik het leuk om hier mee te beginnen.
Het speelt zich trouwens af voor Deathly Hallows.

Een Magische Kerst

De stilte van het bos is een welkome verademing. Bladeren van bomen en struiken glinsteren alsof Moeder Natuur handen vol kristallen heeft rondgestrooid en de geur van schors en natgeregend mos is bijna bedwelmend. Het zal geen witte kerst worden dit jaar.
Jonathan stapt behoedzaam over een oneffen pad dat kriskras bezaaid is met stenen en takken en vraagt zich af wanneer hij voor het laatst in een bos is geweest.
Wanneer heeft hij eigenlijk voor het laatst op klaarlichte dag buiten gelopen? Stomme stroomstoring!
Hij schopt hard tegen een steen die met een grote boog van het pad vliegt en tussen de natte varens verdwijnt. Niet te geloven dat de hele stad plat ligt.

In eerste instantie had hij rustig zitten wachten tot de noodvoorzieningen aan zouden gaan maar in plaats daarvan was David zijn kantoor binnengestapt en had hem naar huis gestuurd. In tegenstelling tot de meeste van zijn collega’s was Jonathan niet opgetogen geweest om de dag voor Kerst vroeg naar huis te kunnen.
Wat had hij in vredesnaam thuis te zoeken? Ook daar zou zijn computer het niet doen.
Hij had even overwogen om de stad in te gaan maar zodra hij het kantoor was uitgestapt, was hij bijna omvergelopen door hordes mensen die allemaal met armen vol tassen zo snel mogelijk door de massa heen wilde.
De muren weerkaatsten de geluiden van snelle voetstappen, zeurende kinderen en boze ouders. Het uitbundige Ho-ho-ho van een kerstman schalde vanaf de hoek van de straat terwijl hij ritmisch met een bel luidde en ondertussen de mensen bedankte die tijd maakten om wat in de koperen ketel te werpen.
Aan de overkant van de straat zongen vijf oudere dames Joy to the world, hoewel ze weinig vrolijkheid uitstraalden met hun lange zwarte rokken en stijf gestreken witte kraagjes die net boven de rand van hun mantel uitstaken. Hun gezichten zaten al net zo strak in de plooi als hun blouse.
Een klein jongetje was tegen Jonathan opgerend en had met zijn plakkerige handjes zijn jas beetgepakt voor zijn moeder hem met een verontschuldigende glimlach van Jonathan afplukte.
Voor hij het wist, was hij de stad uitgevlucht.

Ondanks zijn aanvankelijke frustratie van het niet kunnen werken, voelt hij zich langzaamaan ontspannen temidden van al dat groen. Hij staat even stil terwijl hij diep ademhaalt.
Fijne regendruppels blijven op zijn donkere haar liggen en hij is blij dat hij zich vanmorgen goed warm heeft aangekleed.
Steeds dieper raakt hij in het bos en hij vraagt zich af of hij de weg nog wel terug zal kunnen vinden. Schouderophalend besluit hij zich daar geen zorgen over te maken; er zit tenslotte toch niemand op hem zit te wachten.

Plotseling is het stil in het bos. Geen wind, geen regen, niets. Alsof Moeder Natuur haar adem inhoudt. In het midden van een open plek ziet hij een grote boomstronk. Hij heeft een doorsnede van bijna één meter, is zeker anderhalve meter hoog en lijkt lang geleden te zijn omgezaagd.
Op de boomstronk staat een schoen. Jonathan kijkt er verbaasd naar. Een oude voetbalschoen zo te zien. Hij grinnikt. Die schoen, tentoongesteld in het midden van deze open plek doet hem denken aan de galerie waar zijn zus hem – met flinke tegenzin – een paar weken geleden mee naar toe heeft gesleept. De stukken omgesmeed schroot die hij daar op koele witte marmeren zuilen onder spotjes had gezien, hadden minder vragen en emoties bij hem opgeroepen dan deze eenzame schoen.
Hoe verlies je een schoen? Waarom staat hij op die stronk? En waar is de andere?
De schoen straalt een goudkleurige gloed uit. Jonathan kijkt omhoog naar het stuk open lucht tussen de toppen van de kruinen, maar er is geen straaltje zon te zien.
Nieuwsgierig loopt hij naar het midden van de open ruimte. Een stem in zijn achterhoofd vraagt waarom hij in vredesnaam niet doorloopt maar hij redeneert dat dit toch al een vreemde middag is en dat hij net zo goed nog wat langer van het gebaande pad af kan wijken.
Van dichtbij ziet de schoen er nog havelozer uit dan Jonathan dacht. De veter ontbreekt en hij ziet eruit alsof er vogels in genesteld hebben.
Maat 41 schat hij maar zijn hersenen zijn niet ingesteld op lukraak schatten en voordat hij vragen over zijn actie kan stellen, heeft hij zijn hand al uitgestoken om te kijken of de maat op de onderkant van de zool staat.
Het gebeurt in een flits op het moment dat hij met duim en wijsvinger het leer beetpakt; het lijkt alsof er een ruk wordt gegeven aan een haak die net achter zijn navel zit. Hij heeft het onwezenlijke gevoel dat zijn voeten van de grond af komen maar de pijn als hij zijn knie tegen de boomstronk stoot is zeer reëel. Hij kan de schoen niet loslaten die hem mee trekt in een draaikolk van kleuren en gierende wind.

Het volgende moment ligt hij languit op de grond. Zijn hoofd bonst en zijn rug voelt nat en koud. Een beetje duizelig komt hij overeind en staart verbaasd naar het witte tapijt dat onder zijn voeten knarst. Zijn hand glijdt door zijn haar en hij grimast bij het voelen van de oneffenheid die zijn vingers ontdekken. Geen wonder dat hij zich een beetje gedesoriënteerd voelt; hij moet wel hard gevallen zijn.
Als hij eindelijk zijn omgeving gewaar wordt, valt zijn mond open en kijkt hij verbijsterd om zich heen. Het is alsof hij zo in een kerstkaart is gestapt.
Aan weerskanten van een lange straat ziet hij kleine pittoreske huisjes en winkeltjes met een goudgele gloed achter kleine ruiten en op de meeste deuren hangen hulstkransen. De rieten daken zijn bedekt met dikke lagen verse sneeuw en de bomen zijn versierd met tientallen kaarsen.
Jonathan knippert met zijn ogen; ondanks de zacht neerdwarrelende sneeuwvlokken is er niet één kaarsje dat niet brandt. En hoe zit het met die sneeuw?
Een ogenblik vraagt hij zich af of hij droomt maar de kloppende pijn in zijn achterhoofd spreekt dat tegen. Waar is hij in hemelsnaam? En hoe is hij hier gekomen?
Zijn analytisch brein zoekt antwoorden maar het enige dat hij kan bedenken is geheugenverlies. Hij tast in zijn recente herinnering maar ziet niets dan de vage beelden van bomen en een voetbalschoen. Dat is zo absurd dat hij bijna in een hysterisch gegiechel uitbarst, tot zijn blik valt op een bekend voorwerp nog geen twee meter van hem vandaan en zijn ogen zich verwijden.
Voor hij kan besluiten of hij er naar toe zal stappen of als een haas de andere kant op moet lopen, ziet hij naast de voetbalschoen twee andere schoenen verschijnen en een tengere hand reikt naar die oude schoen. Hij heeft de vreemde impuls om ‘pas op’ te roepen al heeft hij geen idee wat er zo gevaarlijk aan een oude schoen kan zijn. In plaats daarvan volgt hij de hand met de schoen omhoog via een paar zwarte veterlaarsjes, zwarte wollen kousen en een donkerpaarse mantel. Zijn blik eindigt bij het gezicht van een jonge vrouw, dat half verscholen gaat onder de kap van haar mantel. Kastanjebruin haar krult van onder de paarse rand en omlijst het smalle gezicht.
Vreemde kleding, maar ze is wel knap, denkt hij als hij in haar donkerbruine ogen kijkt.
“Kom op, blijf daar niet staan. Straks worden we gezien. Waar zijn de anderen?”
Hij wil achterom kijken om te zien tegen wie ze het heeft maar ze pakt hem bij de mouw van zijn jas en trekt hem met zich mee naar een nauw zijstraatje.
“Waar zijn de anderen?” herhaalt ze ongeduldig als ze verscholen achter een besneeuwde spar staan.
“Ik ben alleen,” antwoordt hij na een korte aarzeling.
Ze staart hem doordringend aan en opent net haar mond als een man en vrouw de straat in komen hollen, hun zwarte mantels achter hen aan wapperend. De man oogt sjofel en heeft een gespannen uitdrukking op zijn gezicht. De vrouw lijkt halverwege de twintig te zijn net als Jonathan en heeft –
Paars haar?
“Hermelien, ze komen!” roept de vrouw in het voorbij gaan opgewonden, “Remus en ik bewaken het Krijsende Krot. Nemen jullie Zacharius?”
De vrouw naast hem – Hermelien dus – schreeuwt iets terug maar het dringt niet tot Jonathan door want op dat moment valt het kwartje. Dit is een spel! Hij heeft er wel eens iets over gehoord. LARK of LARM of zoiets. Volwassenen die verkleed en al een fantasiespel spelen.
Opluchting borrelt naar boven nu hij beseft wat er aan de hand is, ook al is hij blijkbaar vergeten hoe hij hier gekomen is. Hij draait zich glimlachend om naar Hermelien. Die trekt uit de zak van haar mantel iets glads en zilverachtigs en gooit het in een snelle beweging over hun hoofden terwijl ze een stapje dichterbij hem zet. De glimmende stof blijkt bijna doorzichtig want over haar schouder ziet hij vaag mensen de ingang van het straatje passeren.
“Ssstt, “ sist ze voor hij iets kan vragen en hij huivert onwillekeurig als haar adem langs zijn oor streelt.
“Van Harry geleend,” fluistert ze, “die kan hem niet gebruiken nu hij in St. Holisto ligt.”
“Wie is Harry? Je vriend?” reageert Jonathan op dezelfde toon. En wáár is hij?
Ze kijkt hem even met opgetrokken wenkbrauwen aan voordat ze zacht antwoordt: “Subtiel hoor! Nee, ik heb geen vriend. Van Harry Potter.”
Ze zegt het op de vanzelfsprekende toon waarop iemand de naam van Robbie Williams of Koningin Elizabeth gebruikt.
“Harry Potter?” herhaalt hij vragend.
Ze kijkt hem ongelovig aan, haar ogen wijd opengesperd, en ze piept: Oh mijn God, je bent een Dreuzel.”
“Een wat?”
Voor ze kan reageren, horen ze kabaal bij de ingang van het straatje. Een groep van ongeveer tien personen in lange zwarte gewaden marcheert hun richting uit. Jonathan kan niet zien of het mannen of vrouwen zijn; behalve dat ze hun kap omhoog hebben, dragen ze allemaal een masker. Het zijn de meest gruwelijke maskers die hij ooit heeft gezien. Ondanks dat het een spel is, huivert hij. Hermelien pakt zijn bovenarmen in een pijnlijke greep alsof ze hem wil beletten van zijn plaats te gaan en hij voelt haar nagels in zijn huid dringen.
De groep is nu bijna op gelijke hoogte met Jonathan en Hermelien. Jonathan houdt onwillekeurig zijn adem in bij de dreiging die de gemaskerde personen uitstralen. Hij kan niet anders dan bewondering hebben voor de manier waarop ze in hun rol blijven; hij zou durven zweren dat ze hen helemaal niet onder die glimmende mantel kunnen zien staan.
Een kat kiest dat moment om vanachter een vuilnisbak het straatje over te steken. Jonathan ziet één van de mensen met een houten stokje wijzen en hoort hem iets zeggen dat lijkt op Abracadabra maar net iets anders klinkt. Een felgroene flits volgt en de kat valt dood neer op de straat. Geschokt kijkt Jonathan Hermelien aan. Haar bruine ogen weerspiegelen zijn eigen angst. Wat is dit voor spel?
Als hij zijn mond opent om haar fluisterend te vragen wat er in godsnaam aan de hand is, worden haar ogen nog groter en ze schudt zachtjes haar hoofd. Tot zijn verbazing verstevigd ze de grip op zijn armen en snoert hem effectief de mond door haar lippen op die van hem te drukken.
Vol verwondering staat hij stil. De geluiden om hen heen vervagen en hij heeft geen flauw idee of die gemaskerde personen er nog zijn. Haar lippen zijn koel maar haar kus is zo warm als het kaarslicht in de bomen om hen heen. Zijn hand kruipt omhoog, glijdt tussen de kap van de paarse mantel en de bruine krullen rond haar nek. Hij trekt haar tegen zich aan en strijkt voorzichtig met zijn tong over haar onderlip. Een zacht geluidje ontsnapt aan haar keel en hij voelt de handen op zijn armen trillen. Even mompelt ze iets en dan verdiept ze de kus en Jonathan verliest zich opnieuw in een draaikolk van kleuren en wind, van koelheid en hitte.
Uiteindelijk maakt Hermelien zich los uit zijn armen en doet een stap naar achteren. Er valt iets op de grond maar Jonathan kan zijn ogen niet van haar gezicht lostrekken. Ze bloost en slaat haar ogen neer terwijl ze met tegenwerkende handen aan de mantel trekt die hen nog steeds omhult.
Als de mantel tenslotte van hen afglijdt, slaakt Jonathan een kreet en kijkt verbijsterd naar de grote boomstronk voor hem en de natgeregende bomen die de open plek waar ze staan, omringen.
“Dit … hoe kan … onmogelijk,” stamelt hij terwijl hij zijn blik weer richt op de gedaante in de paarse mantel. Hermelien kijkt hem aan, een glimlach om haar lippen hoewel haar ogen droevig kijken.
“Het was geen spel hé?” fluistert hij verbijsterd. Ze schudt haar hoofd en als ze begint te praten registreert hij afwezig dat hij haar nog niet meer dan twee zinnen heeft horen zeggen.
“Nee, het is geen spel. Ik heb geen idee hoe jij met die Viavia kon komen in plaats van de andere Schouwers maar als ik de mantel niet gehad had, zou je het waarschijnlijk niet overleefd hebben.”
Jonathan vraagt zich even af wat een Viavia of Schouwers zijn maar besluit dat er belangrijkere dingen zijn.
 “Maar … magie?” Zijn brein ontkent heftig maar zijn hart is niet verbaasd als ze knikt.
“Op een of andere manier is de Viavia geactiveerd toen je hem pakte.” Ze knikt naar de oude voetbalschoen die op de grond tussen hen in ligt.
“Je kwam terecht in Zweinsveld dat net aangevallen werd door Dooddoeners.  Volgelingen van Je-weet-wel. Nee, dat weet jij natuurlijk niet. Maakt ook niet uit. De Dooddoeners waren op pad om onschuldige Dreuzels – uhm niet magische mensen - te pijnigen of vermoorden. Gelukkig had ik de onzichtbaarheidsmantel van Harry bij me anders had ik je daar nooit weg kunnen krijgen.”
Bij het noemen van die mantel zakt haar blik van zijn ogen naar zijn lippen en ze bloost opnieuw.
Het duizelt Jonathan van de vreemde namen en onthullingen en de vragen tuimelen door zijn hoofd zodat hij niet weet welke hij eerst moet stellen.
“Ik moet nu terug. Ik moet kijken of ik nog kan helpen en of er veel gewonden zijn. Ik moet dit helaas allemaal uit je geheugen wissen want het zou te gevaarlijk zijn als je het je zou herinneren.”
Als ze uit de binnenzak van haar mantel een stokje tevoorschijn haalt, begint hij te protesteren. Hij wil meer horen, meer uitleg en vooral weten of hij haar nog eens kan zien. Hij reikt zelf ook in zijn binnenzak en geeft haar zijn adreskaartje. Ze schudt haar hoofd maar stopt het kaartje toch diep in haar zak.
Dan leunt ze naar voren, raakt heel zacht met haar lippen die van hem aan voordat ze achteruit stapt, de arm met het stokje op hem richt en iets mompelt. Het volgende moment verdwijnt ze met een zacht geritsel maar dat ontgaat Jonathan die verward naar de voetbalschoen op de grond staart. Waarom lijkt die oude schoen zo belangrijk?

Als Jonathan op eerste kerstdag wakker wordt, herinnert hij zich een wonderlijke droom over sneeuw, bruine ogen en een magische kus.


~ *~*~*~*~
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 29 december 2009 om 17:18
Korte inhoud/omschrijving: Dat Dreuzelvliegding was één ding, dacht Ron, maar waarom had Hermelien hem niet gewaarschuwd wat hem bij haar ouders in Australië te wachten stond?

A/N: Om gelijk een ander soort verhaal te laten zien (dat denk ik tenminste xD), heb ik nog een verhaal dat zich tijdens de kerstperiode afspeelt. Toevallig ook over Hermelien maar nu lekker canon met Ron.

Een Kerst zonder Hippogrief

“Sodeknetter, ik word doof!”
Ron drukte zijn handen tegen zijn oren en keek Hermelien in paniek aan.
Het gegrinnik om hem heen stelde hem niet gerust en de reactie van zijn vriendin viel ook tegen. Die rolde met haar ogen en wees naar een vrouw van middelbare leeftijd in een soort uniform die met een schaal snoepjes aan kwam lopen.
“Een zuurtje, meneer?” vroeg de dame, hevig articulerend.
Hij keek haar vol ongeloof aan; hij wist wel dat Dreuzels niet helemaal spoorden. Blijkbaar was er een directe link tussen het niet gebruiken van magie en het krimpen van hersencellen. Inwendig vervloekte hij Hermelien die erop had gestaan dat hij zijn toverstaf uit zijn broekzak moest halen en aan haar moest geven.
“Een zuurtje?” vroeg hij met overslaande stem. “Ik heb een dokter nodig!”
Met onvaste vingers probeerde hij de riem los te maken waarmee Hermelien hem had vastgebonden aan zijn stoel. Haar hand trok die van hem weg en hij keek haar achterdochtig aan.
Eerst had ze erop gestaan dat ze deze reis naar haar ouders via Dreuzelvervoer zouden maken in plaats van een lange-afstandsviavia te regelen via het Ministerie. Met het excuus dat zij afgelopen zomer, toen ze het geheugen van haar ouders in orde ging maken, flink ziek was geweest van die Viavia.
Daarna had ze hem zijn toverstok afhandig gemaakt en nu wilde ze niet dat hij zich losmaakte en medische hulp zocht? Wie zei dat niet één van de Dooddoeners die nog op de vlucht was, achter hem aan zat? Harry mocht Hij Die Ron Nog Steeds Niet Wilde Noemen dan wel verslagen hebben maar dat betekende niet dat hij en dus ook Ron en Hermelien veilig waren.
Argwanend gleden Rons ogen over Hermeliens vertrouwde gelaatstrekken. Wisseldrank zou niet zichtbaar zijn. Hij boog zich opzij en fluisterde: “Hermelien – als jij het tenmiste bent – welke vorm heeft de moedervlek op mijn … uhm, je weet wel?”
De dame had beleefd haar gezicht afgewend en staarde zeer geïnteresseerd naar het plafond. Hermelien snoof geamuseerd.
“Lieve hemel, Ronald! Last van achtervolgingwaanzin? Veel mensen hebben tijdens het opstijgen last van druk op hun oren. Dat komt door het plotselinge hoogteverschil. Daarom deelt de stewardess zuurtjes of kauwgom uit.”
“En was betreft die moedervlek …” Ron voelde haar adem langs zijn wang strijken toen ze met hese stem de details in zijn oor fluisterde en hij verschoot van kleur.
Oh, oké, het was Hermelien!
Hermelien pakte een kleurig verpakt snoepje uit het mandje dat de stewardess nu weer uitstak en Ron volgde haar voorbeeld.
“Voor het eerst in de lucht?” vroeg stewardess glimlachend met een blik op hem.
“Ja, en een beetje nerveus,” antwoordde Hermelien.
Ron vertrok zijn gezicht; moest je horen wie het zei. Als er iemand zich niet op haar gemak voelde in de lucht was het Hermelien Griffel wel. Niet op een bezem, niet op een Hippogrief en niet op een Terzieler. Maar omringt door al dat metaal voelde ze zich opeens heel wat. Typisch!
Hij vouwde beledigd zijn armen voor zijn borst en sloot zijn ogen. Tot zijn verbazing merkte hij dat het vreemde gevoel in zijn oren inderdaad minder werd, toen hij op het zuurtje begon te zuigen.

De luchtvaartmaatschappij was blijkbaar al helemaal in kerststemming. Op de achtergrond klonken heel zachtjes allerlei kerstliedjes waarvan Ron de meeste niet kende. Hij luisterde een poosje maar flapte er tenslotte uit: “Wat zijn dit voor vreemde liedjes? Waarom zou een moeder de kerstman zoenen en waarom hebben ze het in Merlijns naam over een blauwe kerst?”
Hermelien keek op uit haar tijdschrift, wierp hem een waarschuwende blik toe en reageerde zachtjes maar bits: “Net of Celine Malvaria zulke intelligente teksten heeft! ‘Een Ketel Vol Met Warme Liefde’.” Ze snoof spottend.
Aangezien Ron daar weinig tegenin kon brengen, sloot hij wijselijk zijn mond. Hij dacht aan de kerst van drie jaar geleden op Grimboudplein en de zelfverzonnen teksten van Sirius.
Het volgende liedje deed zijn ogen vol afschuw opensperren.
Dreuzels aten hun huisdieren op? De huisdieren van hun kinderen?
Als zijn vader ooit Koe zou slachten, ging hij de volgende dag ook het schuurtje in, bedacht Ron. Terwijl de zanger het lot van die arme Flappie bezong, mijmerde hij dat een konijn waarschijnlijk wel beter zou smaken dan bijvoorbeeld – hij dacht opeens aan Marcel – een pad! Jakkes!
 “Hermelien, jouw ouders zetten toch met kerst geen huisdieren op tafel, hé?”
Hoofdschudden en een zucht waren de enige reactie die hij kreeg.

De stewardess kwam net met een karretje langs toen Hermelien naar het toilet was. Ze vroeg Ron of hij iets wilde drinken en ratelde een hele rits drankjes op. Ron was geen liefhebber van elvenwijn en hij betwijfelde of Dreuzelwijn hem beter zou bevallen. Van de non-alcoholische drankjes herkende hij al helemaal niets. Uiteindelijk bestelde hij het enige drankje dat hem bekend klonk. De stewardess gaf hem een geopend flesje en hij nam net een flinke slok toen Hermelien weer terug kwam lopen.
Goderic Griffoendor! Hij zag met moeite kans om het bocht binnen te houden maar begon vreselijk te hoesten en te proesten. Hermelien klopte hem op de rug tot hij in staat was om weer adem te halen.
“Uh, Ron, Dreuzelbier lijkt in de verste verte niet op Boterbier,” zei ze zachtjes giechelend en ging weer op haar plaats zitten.
Goh blijkbaar, Hermelien!

Na een poosje begon Ron wat verveeld om zich heen te kijken. De kerstliedjes klonken uiteindelijk allemaal hetzelfde en het uitzicht uit het raampje veranderde ook niet echt spectaculair. Hij overwoog net om toch maar een tijdschrift aan Hermelien te vragen toen er boven de hoofden van hun medepassagiers iets oplichtte in een klein kastje en er van verschillende kanten geluid klonk. Hij schoot overeind maar voor hij iets kon zeggen, legde Hermelien haar hand op zijn arm en mompelde dat dat een tv was.
Aha! Ron keek geïnteresseerd naar de bewegende beelden terwijl de gedachte door hem heen schoot dat zijn vader nu nog jaloerser op hem zou zijn dan hij al was. Niet alleen was zijn liefste wens om erachter te komen hoe vliegtuigen in de lucht bleven, de werking van een tv kwam bijna op een gedeelde eerste plaats.
Er begon een film, een kerstfilm natuurlijk. ‘The Muppet Christmas Carol’. Het verhaal van Scrooge kende hij wel maar wat was dat toch met Dreuzels en dieren. Een vogel en een rat, een kikker die getrouwd was met een varken? Hoofdschuddend staarde Ron naar het scherm.
Hij werd opgeschrikt door de stewardess die hem gebaarde zijn tafeltje uit te klappen. Vanuit zijn ooghoek zag hij dat Hermelien al keurig rechtop zat, tijdschriften terug in haar tas en het tafeltje boven haar knieën. Hij rolde met zijn ogen terwijl hij het gevecht met het tafeltje tot zijn opluchting won.

Ron bekeek de maaltijd met argusogen.
“Ruilen, Hermelien?” vroeg hij tenslotte. “Mijn groente voor een stukje vlees?”
Ze keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Ronald Wemel, jij krijgt helemaal niets van mijn vlees!”
“Ah Hermelien,” jammerde hij, “het is al niet veel en je weet dat ik niet dol ben op groente. En sla! Ik ben toch geen konijn?”
Hermelien leek zich opeens wat ongemakkelijk te voelen maar gaf toch niet toe. Ron prikte met zijn vork in een hoopje aardappelpuree en dacht met weemoed aan de kerstmaaltijden op Zweinstein. En die van zijn moeder waren ook verrukkelijk.
“Kan je moeder trouwens een beetje lekker koken?” vroeg hij opeens.
Het bleef even stil en Ron keek opzij om te ontdekken dat Hermelien haar vork had neergelegd. Ze ontweek zijn blik.
“Weet je, mijn ouders zijn eigenlijk wel wat veranderd in het afgelopen jaar,” begon Hermelien aarzelend.
“Hoe bedoel je?” Ron slikte hoorbaar een lepel aardappelpuree door en vervolgde: “Maakt ook niet uit hé, het is niet dat ik ze echt kende”.
Hij spietste een stukje vlees op zijn vork en zijn aandacht werd weer opgeëist door de tv waar nu een nieuwe film begon.
Hermelien opende haar mond om te reageren op Rons ongeïnteresseerde reactie maar klapte hem weer dicht toen ze zich realiseerde dat ze eigenlijk liever nog niet wilde uitleggen in welk opzicht haar ouders veranderd waren.

“Jemig, is dit het beeld dat Dreuzels van elven hebben,” zei Ron vrij luid toen de maaltijd voorbij was en hij naar beelden keek van de werkplaats van de Kerstman.
Hermelien siste waarschuwend maar het was al te laat; voor hen kwam een vrouw overeind en draaide zich om.
“Ongelofelijk hé?” zei ze. “Ik heb persoonlijk altijd gevonden dat de elven van Tolkien het meest realistisch bedacht zijn.”
Hermelien knikte beleefd met opeengeklemde kaken en gaf Ron een por toen hij mompelde: “Tolkien?”
Zonder echt zijn reactie af te wachten, ging de vrouw verder over de lengte van elven, de puntigheid van oren en hun relatie tot mensen.
Terwijl Hermelien af en toe knikte en voor de zekerheid Rons hand vastgreep, ging Rons aandacht weer terug naar het scherm. Hij voelde haar opgelucht zuchten toen de vrouw zich eindelijk terugdraaide en ging zitten.

*~*~*~*

Oh. Merlijn!
Ron keek met een verbijsterende uitdrukking naar het tafereel voor zich.
Na een reis die dagen leek te hebben geduurd, waren ze eindelijk op de plaats van bestemming gearriveerd; een lichtgroen geschilderd woonhuis in een woonwijk van Sydney. De taxichauffeur die hen in Rons ogen flink had afgezet door hen langs kilometers kust te rijden, was bezig hun bagage uit te laden en Hermelien was op haar ouders afgestormd voor een emotionele begroeting.
Dat was niet echt verbazingwekkend, hoewel het paar dat hem glimlachend toeknikte over Hermeliens schouders er een stuk relaxter uitzag dan de nerveuze mensen die hij zich herinnerde.
Nee, zijn ontsteltenis gold voor de tientallen katten die rond hun benen krioelden en over het gazon voor het huis renden. Twee katten waren op de brievenbus geklommen en hun staarten zwaaiden hypnotiserend over het naambordje heen en weer alsof ze wilden verbergen dat Wilbert en Monica Wanders daar woonden.
Een grote lapjeskat wiens uitdrukking hem aan Knikkebeen deed denken, liep langzaam op hem af. Ze zag eruit alsof ze elk moment een nestje jonkies op zijn schoenen kon baren en Ron deed vlug twee stappen opzij. Daardoor viel zijn blik opeens op een omheining naast het huis waarin een aantal reusachtige vogels liepen die hij herkende als struisvogels.
Plotseling zag de kerstmaaltijd er een stuk rooskleuriger uit en met een brede grijns draaide hij zich om naar Hermelien en haar ouders die hem tegemoet liepen.
“Wordt het struisvogelbiefstuk met de kerst?” vroeg hij enthousiast.
Hij zag dat Hermeliens ogen zich verwijdden op hetzelfde moment dat haar moeder ontkennend haar hoofd schudde.
“Nee, dat zijn de zieke en verwaarloosde struisvogels die wij opvangen en verzorgen,” zei mevrouw Wanders alias Griffel.
“Wij eten überhaupt geen vlees meer. Heeft Hermelien niet verteld dat we al een jaar vegetariërs zijn?”
WAT?
Ron had het gevoel dat zijn wereld zich vernauwde alsof hij Verschijnselde naar een andere dimensie. Vol afschuw zocht hij Hermeliens blik maar net als in het vliegtuig ontweek ze zijn ogen.
“Nee,” antwoordde Ron sarcastisch, na een ongemakkelijke stilte, “zij heeft alleen verteld dat jullie wat veranderd waren.”
In stilte vroeg hij zich af of er ook mensen in de omgeving waren die konijnen als huisdier hielden. Zelfs kikkerbilletjes klonken opeens een stuk aanlokkelijker.

IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 03 februari 2010 om 14:16
Korte inhoud: Harry zit maanden nadat Voldemort verslagen is nog steeds met een heleboel onverwerkte zaken. Hij gaat op zoek naar degene die antwoorden heeft.


Een Griefje zien


‘Ik snap niet waarom je zonodig met hem wil praten, maat.’
Harry maakte een nonchalant gebaar met zijn rechterschouder en wendde zijn blik af van Ron. Hij wilde niet dat zijn vrienden zouden merken hoe gespannen hij eigenlijk was. Gelukkig liepen er op dit moment weinig leerlingen door de gangen. Het gemompel en gezwaai van de schilderijen als hij langs liep, was al erg genoeg.
‘Ik bedoel, hij bleek aan het eind van de oorlog niet zo slecht te zijn als we dachten maar de zes jaar daarvoor was hij wel altijd een ellendeling!’ ging Ron verder.
Opnieuw dat schoudergebaar. ‘Ja … nou … het is niet alsof hij daar geen reden voor had, Ron,’ zei Harry.
Hij keek even opzij naar rechts; Hermelien leek met haar gedachten mijlen ver weg. Ze keek alsof ze een vraagstuk voor Voorspellend Rekenen moest oplossen, dacht Harry. Ze reageerde zelfs niet toen Ron vol verontwaardiging losbarstte: ‘Een REDEN? Wat voor reden was er om je zes jaar lang te treiteren en dwars te zitten. Of ben je dat opeens vergeten? En weet je niet meer hoe hij je vrienden behandelde? Wat hij tegen …’
Harry stak met een gebiedend gebaar zijn hand op. Ron stopte midden in zijn geraas, verstapte zich even en keek Harry toen niet-begrijpend aan.
Harry haalde diep adem en zocht naar de juiste woorden om Ron uit te leggen waarom hij dit wilde doen. Waarom hij het moest doen!
Uiterlijk kalm verklaarde hij: ‘Het is over, Ron. Voldemort is dood en de oorlog is voorbij. En ik weet dat hij verschrikkelijke dingen heeft gedaan, maar dat heb ik ook.’
Toen Ron hier tegenin wilde gaan, hief hij opnieuw zijn hand op.
‘Ik weet dat ik Voldemort moest doden; ik had geen keus. Maar ik heb ook andere dingen gedaan, dingen waarbij ik wel een keuze had.’
Harry dacht aan de Onvergeeflijke Vloeken die hij had gebruikt. Zou hij ooit kunnen accepteren wat hij had gedaan?
‘Het is niet dat ik hem opeens mag, Ron. Maar ik respecteer hem. Wat had jij gedaan als je in zijn schoenen had gestaan? Had jij kunnen doen wat hij deed?’
Hij zweeg even en keek een paar derdejaars na die hen giechelend passeerden.
‘Het is niet dat ik zin heb om met hem te praten maar ik wil het hele Voldemort gebeuren kunnen afsluiten. Ik heb eindelijk een schooljaar zonder dat de dreiging van Voldemort boven m’n hoofd hangt en ik wil niet constant hoeven denken aan de vragen die in m’n hoofd rondspoken.’
Harry slikte moeizaam. Hij wilde niet bekennen dat hij regelmatig badend in het zweet wakker werd van het herbeleven van alle gruwel uit de afgelopen jaren.

Ze gingen de hoek om aan het eind van de gang en vanuit zijn ooghoek zag Harry dat Ron een paar keer zijn mond opende en weer sloot.
Het bleef even stil. Toen voelde Harry plotseling dat zijn rechterhand werd vastgepakt en hij realiseerde zich dat Hermelien blijkbaar toch niet zo in gedachten was als hij had gedacht.
Ze gaf hem een kneepje voordat ze zijn hand losliet en verklaarde: ‘Ik kan gewoon niet geloven dat professor Anderling je zomaar haar werkkamer laat gebruiken. Ik weet dat je er al eerder alleen was en in het zesde jaar had je natuurlijk die lessen van professor Perkamentus maar dat waren uitzonderlijke situaties. Nu ben je weer gewoon een leerling. Een achtstejaars leerling; dat is minder gewoon maar toch een leerling. Stel je voor …’
Harry glimlachte dankbaar toen Hermelien er uitgebreid op doorging. Hij keek naar Ron die met zijn ogen rolde maar zich bij Harry’s beslissing scheen te hebben neergelegd.
Met een iets lichter gevoel in zijn hart arriveerde hij tenslotte bij de grote waterspuwer voor de ingang naar professor Anderling’s werkkamer.
Ron en Hermelien wensten hem succes en liepen toen samen terug, ongetwijfeld naar de Bibliotheek, dacht Harry glimlachend.
Hij zei het wachtwoord – Emeric Morfo – en stapte door de spleet in de muur op de onderste treden van de trap.


~ * ~ * ~ * ~


De glanzende eikenhouten deur met de koperen klopper stond op een kier. Toen Harry de werkkamer binnenstapte, bonsde zijn hart zo erg dat hij dacht dat professor Anderling het in London zou kunnen horen.
Ze zou over twee uur weer op Zweinstein arriveren na haar afspraak met Romeo Wolkenveldt, de nieuwe Minister van Toverkunst. Tot die tijd had Harry toestemming om het één en ander te bepraten met …
‘Potter,’ klonk het plotseling van opzij. Hoewel Harry dacht dat hij er op voorbereid was, trok zijn maag samen bij het horen van de stem met die overbekende sneer.
Met gesloten ogen haalde hij een keer diep adem voor hij zich langzaam een kwart slag draaide.
‘Goedemiddag, professor Sneep.’

De gitzwarte ogen van Severus Sneep boorden zich in die van Harry en hij vergat een ogenblik dat hij naar een schilderij keek.
‘Ik zie dat je je nog steeds niet aan de normale schoolregels hoeft te houden. Privileges voor de Uitverkorene?’
Bij het horen van die beschuldiging leek er iets in Harry te breken. Vergeten waren de vragen die hij wilde stellen. Vergeten alles wat hij wilde zeggen. Woede, onmacht, afwijzing en onbegrip; het borrelde als gifgroen zuur naar boven en brandde in zijn keel.
‘Privileges? Ik heb nog nooit om privileges gevraagd. Ik heb ze ook nooit gewild en ik heb ze al helemaal nooit van u gekregen!’ barstte Harry los. Met gebalde vuisten stond hij voor het schilderij van de man die hij altijd veracht had. Hij zou er het liefst op los timmeren maar dat had vast weinig effect. Onverschillig merkte hij dat de andere schilderijen leeg waren; het zou voor hem geen verschil hebben gemaakt als de andere schoolhoofden meeluisterden.
Terwijl Sneep hem onaangedaan aankeek, liet Harry alle opgekropte woede van de afgelopen zeven jaar los. Van de onredelijke manier waarop Sneep hem altijd had behandeld, het verraden van Remus’ geheim waardoor hij niet meer op Zweinstein kon blijven. Van de dood van Perkamentus en het feit dat Sirius misschien nog geleefd zou hebben als Sneep Harry beter Occlumentie had geleerd.
Harry raasde en tierde en schold en negeerde het gemompel van de schoolhoofden die weer terug kwamen van andere schilderijen uit het kasteel.
Uitgeput zakte hij tenslotte met zijn knieën op de oude vloerbedekking neer, zijn gezicht in zijn handen. Hij merkte dat zijn wangen nat waren en veegde ze afwezig droog met zijn mouw.
Sneep had al die tijd niets gezegd en de plotselinge stilte drong tot Harry door. Ook de andere schoolhoofden zwegen afwachtend. Het enige geluid kwam van de zilveren instrumentjes die nog steeds brommend ronddraaiden.
‘Kijk me aan,’ klonk het plotseling.
Bij die woorden hief Harry langzaam zijn hoofd en rechtte zijn rug. Groene ogen ontmoetten een paar glinsterende zwarte.
‘Lily moet zo trots op je zijn.’ Sneep aarzelde alsof hij er iets aan toe wilde voegen maar zweeg.
‘Waarom?’ vroeg Harry schor en hij wist dat Sneep begreep dat Harry niet op de vorige opmerking doelde.
Waarom heb ik nooit geweten dat je mijn moeder kende? Waarom behandelde je me zo als je van m’n moeder hield? Waarom …
Hij verwoordde zijn vragen niet hardop. Hij begreep het waarom. Begreep nu de rol die Sneep gespeeld had.
Sneep antwoordde niet maar bleef zijn blik gevangen houden en Harry zag wat hij een jaar eerder niet had kunnen geloven toen Perkamentus het hem vertelde; de spijt die Sneep altijd gehad had over het doorspelen van de profetie. Er leek iets op zijn plaats te vallen en Harry voelde zich opeens kalmer dan hij zich in lange tijd gevoeld had.
Opeens realiseerde hij zich dat Sneep hem door die beelden in de Hersenpan kostbare herinneringen aan zijn moeder had gegeven.
‘Dank u, professor,’ zei Harry en hij meende het.

Sneep knikte en vroeg toen lijzig: ‘Was er nog een andere reden dat je hier bent dan om alle schoolhoofden wakker te schreeuwen, Potter?’
Harry keek hem even fronsend aan en liet zijn ogen toen over de andere portretten glijden waarvan de meeste nu weer bewoond werden. De voormalig schoolhoofden deden erg hun best om niet te laten merken dat ze onbeschaamd meeluisterden hoewel professor Perkamentus hem met twinkelende ogen aankeek alsof hij wilde zeggen: ‘Goed zo, jongens.’
Toen Harry’s blik weer terug gleed om die van Sneep te ontmoeten, kon hij zweren dat diens ogen geamuseerd glinsterden.
‘Behalve dat ik het zo gemist heb om op mijn plaats gezet te worden?’ vroeg Harry sarcastisch.
‘Potter!’ zei Sneep waarschuwend.
Harry slikte; bespottelijk hoeveel effect een paar potten verf en wat toverkunst nog konden hebben.
‘Ik wil zoveel mogelijk weten over de Dooddoeners,’ antwoordde hij tenslotte.
‘De Dooddoeners,’ zei Sneep vlak.
‘Ja, er lopen er nog altijd een aantal vrij rond en zolang die niet opgepakt zijn, is het nog steeds niet veilig.’
‘Niet veilig,’ echode Sneep, waardoor Harry zich zorgen maakte. Het feit dat Sneep hem herhaalde leek geen goed teken.
‘Nee, professor. De Schouwers nog steeds op zoek. Vooral naar Bijlhout, Zagrijn en Totelaer, die kans zagen te ontsnappen toen … in mei.’
Sneep staarde Harry met opgetrokken wenkbrauwen aan maar zei niets. Zijn donkere ogen leken zich door hem heen te boren en Harry vroeg zich plotseling ongemakkelijk af of schilderijen ook Legilimentie konden toepassen.
Toen hij zijn vochtige handpalmen aan zijn broek probeerde af te vegen, grijnsde Sneep. Harry schuifelde onwillekeurig met zijn voeten naar achter en vroeg zich af of hij er niet beter van door kon gaan. Sneep kon hem tenminste niet volgen.
De achterkant van zijn nek begon te prikken en een lijzige stem achter hem stopte hem net zo effectief als een Petrificus Totalis.
‘In dat geval is het misschien een goed idee dat wij ergens anders heen gaan om te praten, Potter.’
Verbijsterd keek Harry naar het nog steeds grijnzende schilderij. Traag draaide hij zich tenslotte om, om oog in oog te komen staan met zijn vroegere Toverdrankleraar.
Zijn mond zakte open en zijn hersens probeerden te bevatten wat hij zag. De persoon voor hem bewoog lichtjes heen en weer zodat zijn lange, zwarte mantel om hem heen zwaaide. Zijn gelaat was nog bleker dan Harry zich herinnerde.
Praktisch transparant want door hem heen – door hem, registreerde Harry geschokt – zag hij het kabinet dat onder het raam stond.
‘Het oude klaslokaal verderop in de gang misschien, Potter?’
Hoe kon Sneep zelfs als geest zo ongeduldig klinken, vroeg Harry zich af.
Met een laatste blik op de Sneep in het schilderij, volgde hij de gedaante voor hem de werkkamer uit.


~ * ~ * ~ * ~


Verdwaasd liep Harry twee uur later door de gangen terug naar de toren van Griffoendor. De middag was wel heel anders verlopen dan hij had verwacht.
Ten eerste had hij, in plaats van Sneep kalm en beheerst zijn vragen te stellen, de man bevestigd in zijn idee dat Harry Potter een verwende, driftige puber was die geen greintje zelfbeheersing bezat.
Dat Sneep zich later nog verwaardigd had uitleg te geven over datgene dat Harry in de Hersenpan gezien had, was onverklaarbaar.
Maar dat Sneep ook na zijn dood de veiligheid en het welzijn van Lily’s zoon belangrijk genoeg zou vinden om terug te keren, was nauwelijks te bevatten.

‘Hé Harry, alles goed?’ vroeg een dromerige stem onverwachts naast hem.
Hij keek opzij in de bezorgde ogen van Loena.
‘Je kijkt alsof je een Griefje gezien hebt,’ zei ze.
‘Een Griefje?’ vroeg Harry een beetje wantrouwend. ‘Is dat net zoiets als een Kreukelhoornige Snottifant?’
Loena glimlachte licht.
‘Nee Harry, dat is een uitdrukking. Zoals Dreuzels geloof ik, zeggen: Je kijkt alsof je een geest gezien hebt?’
Harry knikte begrijpend en dacht aan de geest die hij zojuist had gezien.
‘Ja Loena, ik heb een Griefje gezien!’

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 14 februari 2010 om 00:00
Korte inhoud/omschrijving: Een hilarisch Valentijnsverhaal waarin Dobby precies weet wat hij Harry moet geven. Of toch niet?
Humor, niet meer canon na OotP.

Dobby’s toversok

‘Harry Potter, meneer!’ piepte Dobby enthousiast. De zestienjarige tovenaar liep mompelend heen en weer, enkel zichtbaar door de gloed van het haardvuur. Hij was blijkbaar zo in gedachten verzonken dat het hem ontgaan was dat Dobby achter hem Verschijnseld was. De leerlingenkamer van Griffoendor was verder donker en verlaten.
Oh, nu kan Dobby Harry Potter eindelijk vragen wat hij hebben wil, dacht de huiself opgewonden. Dobby wist dat Harry Potter erg blij was met de sokken die hij ook dit jaar met Kerst gegeven had, maar eigenlijk wilde hij hem iets anders, iets speciaals geven. Iets dat zei Dobby vindt Harry Potter geweldig, maar ook Dobby vindt het heel erg wat er vorig jaar gebeurd is.
En nu kon Dobby dus aan Harry Potter vragen wat zijn liefste wens was!

‘Zelfs als ik gebruik kan maken van een verrassingsaanval, dan zit ik nog met het Priori Incantatem effect,’ mompelde Harry binnensmonds. Hij stopte, maakte een zwaaiende beweging met zijn rechterarm, voor hij zich abrupt omdraaide en verder ging met ijsberen. De bewegingen voor de nieuwe aanvallende spreuk waar Hermelien mee op de proppen was gekomen, bleken moeilijker dan hij gedacht had.
‘Harry Potter,’ hoorde hij dringend achter zich.
Ondanks dat de stem bekend klonk, keerde Harry zich bliksemsnel om met zijn toverstok voor zich uitgestoken.
Zijn hart klopte tegen zijn ribben en hij rolde met zijn ogen. Dobby! Natuurlijk! Wie anders dan Voldemort ziet altijd kans hem zo’n schrik aan te jagen.
‘Harry Potter, meneer, Dobby wil graag weten wat uw liefste wens is.’
Verward staarde Harry naar de huiself die op zijn tenen wippend stond te wachten op antwoord.
‘Mijn liefste wens?’ herhaalde Harry. Zijn gedachten dwaalden automatisch terug naar zijn eerdere overpeinzingen. Dat is duidelijk; Voldemort verslaan natuurlijk, maar dan moet ik toch eerst …
‘Een toverstok,’ mompelde Harry. Hij draaide zich weer om en vervolgde zijn wandeling voor het haardvuur, iedere gedachte aan de huiself alweer vergeten. Misschien kan Perkamentus regelen dat ik in het weekend Olivander bezoek. Zou een andere stok net zo goed werken?
Hij merkte niet dat Dobby enthousiast fluisterend begon op te ruimen.
‘Een toversok! Harry Potter wil een toversok! Dobby weet precies waar hij die kan vinden.’

~ § ~ § ~ § ~ § ~ § ~ § ~

Valentijnsmorgen.

Iets wekte Harry. Hij had geen idee wat het was, maar hij bleef stil liggen en probeerde zijn ademhaling zo gelijkmatig mogelijk te houden. Het was doodstil op de slaapzaal, maar toch had hij het gevoel dat er iemand was. Heel voorzichtig opende hij zijn ogen een stukje en tuurde door het spleetje. De schreeuw werd door een magere hand gesmoord nog voordat hij Harry’s lippen verliet. Hij staarde in een paar uitpuilende, groene ogen en mocht hij nog twijfels hebben over de identiteit van zijn onverwachte aanvaller, zijn wildkloppend hart vertelde hem al dat het Dobby weer was.
‘Sttt, Harry Potter, Dobby wil niemand wakker maken.’
Harry snoof. Hij schoof de huiself opzij en tastte naar zijn bril. Af en toe waren er momenten dat hij wilde dat hij Lucius Malfidus niet indirect kleding had toegestopt.
Toen hij zijn bril op had, merkte hij dat Dobby zijn opwinding amper de baas was. Hij stuiterde bijna op het bed op en neer en zijn oren flapperden enthousiast mee.
‘Vrolijke Valentijn, Harry Potter meneer,’ en zijn stem sloeg achterover.
Met een doffe dreun liet Harry zich weer achterover op zijn bed vallen.
Merlijn’s baard! Is het alweer zover? Valentijn, de feestdag uit de hel. De kakofonie van uilen, stapels pakjes, een overdaad aan geparfumeerde brieven, angst voor liefdesdrankjes, de hele dag plagende en jaloerse klasgenoten en overal verlegen lachende meisjes die hopen op een afspraakje voor het Valentijnsbal ’s avonds omdat hij toevallig “Harry Potter” is.
Hij wilde de dekens over zijn hoofd trekken en pas de volgende morgen weer wakker worden, maar natuurlijk werd dat verhinderd door Dobby die aan zijn arm trok.
‘Ik heb een cadeautje voor Harry Potter, meneer.’
Harry dacht aan de stapels bontgekleurde sokken op de bodem van zijn hutkoffer en zuchtte. Dobby stak een klein pakje uit. Om het felroze papier met rode strepen zat een grote gele strik.
De gedachte dat dit pakje ook tijdens het ontbijt bezorgd had kunnen worden, maakte dat hij de huiself bijna vergaf voor het abrupte ontwaken. Bijna!
Hij kwam overeind en probeerde verontschuldigend te kijken terwijl hij het cadeautje aannam.
‘Sorry Dobby, ik was helemaal vergeten welke dag het –’
Maar de huiself onderbrak hem en gebaarde dat hij het pakje moest openen. Het op en neer springen maakte Harry duizelig, dus hij trok snel het papier los en staarde naar de inhoud. Het was een sok! Niet echt verrassend behalve dat het er maar één was. Bovendien was het niet het soort sok dat Dobby hem normaal gaf. Geen felle kleuren, geen strepen, stippen of andere wilde patronen. Deze sok was groen, iets donkerder dan de kleur van Harry’s ogen en hij zag eruit alsof hij bij een chique galagewaad gedragen hoorde te worden.
‘Een toversok, Harry Potter! Het is een toversok! Zoals u gevraagd heeft.’
‘Een wat? … Een toversok? Wanneer heb ik dat gevraagd?’
‘Dat was uw liefste wens, Harry Potter, meneer, dus heeft Dobby er één gezocht.’
‘Maar …,’ Harry keek de huiself wat verward aan, ‘wat kan die sok dan en waarom is er maar één?’
‘Hij brengt geluk, meneer! Als je hem aandoet, brengt hij uren geluk. Ik heb het zelf gehoord. Maar ik kon ze niet allebei wegpakken, dat zou niet eerlijk zijn. Harry Potter moet beloven dat hij de toversok vanavond aandoet.’
Grote, uitpuilende ogen keken hem smekend aan en Harry knikte sprakeloos.

~ § ~ § ~ § ~ § ~ § ~ § ~

Valentijnsavond.

‘Wij gaan alvast naar de leerlingenkamer,’ riep Daan naar Harry die met een handdoek om zijn middel de douche uit kwam slenteren.
‘Alvast de dames bekijken,’ vulde Simon grijnzend aan.
‘Blijf niet te lang treuzelen, maat. Tenzij je wilt dat Hermelien je persoonlijk komt halen en mee naar de Grote Zaal sleept.’
Harry staarde fronsend naar Ron, maar die haalde verontschuldigend zijn schouders op en liep naar de deur, gevolgd door Marcel die Harry een begripvolle blik gaf.
Harry zuchtte eens diep en dook toen vlug in zijn hutkoffer op zoek naar ondergoed en sokken. Hij wist dat Ron niet overdreef wat Hermelien betrof.
Bovenop zijn spullen zag hij de sok die Dobby hem die morgen gegeven had. Hij staarde er even naar, maar beloofd was beloofd en hij legde hem samen met de rest van zijn kleding op bed. Wel besloot hij een ander paar sokken over die ene groene aan te trekken; hij had geen zin om voor gek te lopen en als Ron ontdekte dat hij een Zwadderich-kleurige sok droeg, zou zijn licht ontvlambare vriend voorlopig nog niet zijn uitgeraasd.
Toen Harry eindelijk helemaal was aangekleed, stond hij op van het bed. Meteen begon zijn rechterbeen onverklaarbaar te trillen. Eerst zachtjes maar toen steeds ongecontroleerder.
Wat is dat in Goderic’s naam?
Zijn been maakte schokkende bewegingen en leek zijn lichaam mee te willen trekken. Het was net of het een eigen leven leidde, een eigen wil had. Hij kon nog net zijn toverstok van zijn nachtkastje mee grissen, voor hij de kamer uitgesleept werd. De post van Ron’s hemelbed die hij probeerde te grijpen, glipte van tussen zijn vingers en ook de deurpost die hij wanhopig met beide handen vastgreep, hield zijn bewegende been niet tegen.
Het lijkt wel zo’n wichelroede, dacht Harry halfhysterisch. Straks eindig ik nog in de Klassenoudstebadkamer, met Jenny in bad.
Hij probeerde op de bovenste traptrede te gaan zitten in een poging zijn schoen uit te doen omdat hij inmiddels wel een donkerbruin vermoeden had dat die stomme sok er iets mee te maken had. Maar voor hij ‘die verdraaide huiself’ kon zeggen, belandde hij al met een pijnlijk zitvlak onder aan de trap.
Als een breakdancer bereikte hij tenslotte de leerlingenkamer en terwijl iedereen hem aangaapte, danste hij richting het portretgat.
‘Ron, Daan, doe iets!’ riep hij wanhopig. ‘Hou me tegen!’
Maar de andere Griffoendors keken onbeweeglijk toe, terwijl zijn lichaam zich achter zijn been aan door het portretgat worstelde.
‘Hermelien, het komt door de toversok van Dobby,’ probeerde hij uit te leggen, in de hoop dat zij hem kon helpen. Maar voor Hermelien kon reageren, sloeg het portretgat achter Harry dicht. Dat spoorde zijn vrienden eindelijk aan en haastig klommen ze ook door het portretgat en volgden Harry.
‘Harry, wat bedoel je? Huiselven hebben toch helemaal geen toverstok,’ hijgde Hermelien toen ze hem inhaalde.
Hoewel zijn vaart wat werd afgeremd nu de anderen hem probeerden vast te houden, bleef hij als een Zwaan-kleef-aan door de gang glijden, richting het trappenhuis. Trappen! Bij de gedachte aan zijn pijnlijke achterwerk verbleekte hij en riep wanhopig: ‘DOBBY!’
Vrije elf of niet, Dobby plopte bijna onmiddellijk vlak voor hem uit het niets, maar werd onmiddellijk meegesleurd door de onvrijwillige polonaise.
Harry greep hem bij zijn theedoek en rammelde hem woedend door elkaar, de kreten van een verontwaardigde Hermelien negerend.
‘Wat is er met die sok? Waarom kan ik niet stoppen met bewegen?’
Dobby’s ogen puilden nog verder uit en hij begon verontschuldigingen te stamelen. ‘Dobby is sorry, Harry Potter, meneer. Dobby wist het niet. De sok wil waarschijnlijk naar de andere toe, meneer. Als u gewoon meegaat, komt het vanzelf goed en krijgt u geluk.’
‘GELUK!’ brulde Harry. ‘IK MAG VAN GELUK SPREKEN DAT IK MIJN NEK NOG NIET GEBROKEN HEB!’
Terwijl de stoet zich uit alle macht veilig langs de trapleuningen probeerde te laten glijden, herinnerde Harry zich opeens iets dat de huiself die morgen gezegd had.
‘… dus heeft Dobby er één gezocht … ik kon ze niet allebei wegpakken, dat zou niet eerlijk zijn.’
Toen Marcel noodgedwongen los moest laten, kreeg de stoet gelijk weer meer vaart en Harry moest zijn uiterste best doen om op de been te blijven. Toch verslapte zijn greep op Dobby niet toen hij met opeengeklemde kaken vroeg: ‘Dobby, van wie heb je die sok gepakt? En hoe wist je er van af?’
Maar voor de huiself kon antwoorden, belandde de kluwen met een smak onderaan de trap in de hal. Terwijl Harry overeind probeerde te krabbelen, realiseerde hij zich dat de anderen hem niet meer vasthielden en dat hij nu op volle snelheid richting de Grote Zaal bewoog. Muziek kwam hem door de openstaande deuren tegemoet en Harry zag dat het feest al in volle gang was. Als een magneet leek zijn been – of liever gezegd de sok, die Zwadderich-groene sok! – hem tussen de andere leerlingen door, ergens heen te trekken. Maar waar heen? Of beter gezegd: naar wie? Toen Harry eindelijk in de gaten kreeg waarop – op wie! – alle aanwijzingen leken te duiden, begon hij nog heftiger tegen te stribbelen en greep hij alles en iedereen waar zijn handen maar bij konden. Meisjes gilden, tafels met glazen werden omvergetrokken en over dat alles uit hoorde hij tot zijn grote gruwel een bekende stem gillen: ‘KORZEL! KWAST! HOU ME TEGEN, IDIOTEN!’
Opeens leek alles in slow motion te gaan; leerlingen stapten uit de weg en maakten het pad vrij waarover zijn been besloten had te gaan. Met wijd opengesperde ogen zag hij van de andere kant van de zaal Draco Malfidus op zich afkomen, gevolgd door Korzel en Kwast die hem struikelend probeerden bij te houden.
‘Oh nee, niet jij! Hoe kom je aan mijn sok, Potter? Waag het niet me aan te raken,’ beet Malfidus hem toe. Maar voor Harry een sarcastische opmerking terug kon maken, waren ze elkaar genaderd.
In de Grote Zaal stond iedereen aan de grond genageld toe te kijken alsof ze een zwerkbalongeluk gadesloegen.
De kracht waarmee de bovenlichamen van beide aartsvijanden tegen elkaar opbotsten, perste de lucht uit hun longen. Wankelend probeerden ze op de been te blijven en grepen elkaar onbedoeld beet. Harry’s rechterbeen verstrengelde zich met dat van Malfidus en zijn brilmontuur drukte pijnlijk tegen Malfidus’ jukbeen. Ze staarden elkaar gealarmeerd aan met opengesperde ogen en terwijl hun lippen tegen elkaar geperst werden, hoorde Harry in de verte de hoge piepstem van Dobby.
‘Dobby is heel erg sorry, Harry Potter, meneer. Maar dit was uw liefste wens!’



~ Einde ~



Fijne Valentijnsdag, allemaal!
Hopelijk is hij beter dan die van Harry was ;)


Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 02 maart 2010 om 22:06

Korte inhoud:
Andromeda Tops ontvangt een laatste brief. Post Deathly Hallows!

Brieven voor Mema


De zon gaat bijna onder. Op zijn weg naar de aarde gluurt hij nog even de kamer binnen. Zijn stralen glijden bijna liefkozend van de ene hoek naar de andere. Even blijven ze rusten op de vrouw die roerloos aan een grote grenen eettafel zit en met trillende handen een rol perkament vasthoudt. De gouden stralen glijden over haar gezicht omlaag en lijken even te treuzelen bij het perkament alsof ze afscheid nemen, om daarna de kamer te verlaten.
De roodomrande ogen van de vrouw staren naar het zegel van de afzender. Advocatenbureau Barnabas, Thompson & Prosper. Het liefst wil ze de rol wegstoppen, verbergen, ergens ver weg waar ze hem nooit meer tegen komt. De werkelijkheid ontvluchten.
Maar er is geen tijd om te vluchten, geen tijd om te rouwen; ze heeft verantwoordelijkheden. Bij die gedachte vermant ze zich. Ze neemt het uiteinde van het glanzende paarse lint tussen duim en wijsvinger en begint zachtjes te trekken terwijl ze ongemerkt op haar onderlip bijt.
Centimeter voor centimeter verlaat het lint de strik om het perkament totdat het uiteindelijk kronkelend boven de tafel hangt. Dan valt het van tussen haar bevende vingers als een sliert serpentine naar beneden.
Traag rolt ze het stijve perkament uit en de eerste regels van de brief worden langzaam zichtbaar. Er ontsnapt een droge snik aan haar lippen en de brief valt bovenop het paarse lint.
Als vanzelf begint het perkament weer in elkaar te rollen totdat uiteindelijk alleen de bovenste regels zichtbaar zijn.

Lieve Mema,
Als je deze brief krijgt, ben ik er niet meer en heb –

De vrouw knijpt haar ogen dicht in en haalt diep adem maar kan zich er niet toe brengen de brief weer op te pakken. Dit is de laatste! De allerlaatste brief.
De onrechtvaardigheid van de situatie klauwt aan haar. Dit is niet zoals het hoort. Niet zoals het had moeten zijn. “De laatste brief had van mij moeten komen. Dit hadden mijn woorden moeten zijn,” denkt de vrouw plotseling boos.
Abrupt schuift ze de brief van zich af en staat op, de tafel met een krassend geluid een stukje naar achteren schuivend. Ze loopt naar het grote grenen dressoir en haalt uit de bovenste lade een stapeltje perkament te voorschijn dat vast gebonden is met een zelfde paars lint. Dit lint glanst niet meer en lijkt zo zacht als fluweel. Het uiteinde streelt haar huid als het over haar pols valt.
In plaats van terug te lopen naar de tafel stapt ze de gang in om onderaan de trap, met haar hoofd schuin en een geconcentreerde uitdrukking op haar gezicht, stil te staan. Ze hoort niets; hij slaapt nog. Gerustgesteld loopt ze de kamer weer in, de deur op een kier latend. Voor ze weer aan de tafel gaat zitten, pakt ze haar toverstaf en steekt wat kaarsen aan.

Voor de tweede keer die avond trekt de vrouw een paarse strik los. Ze pakt de bovenste brief en legt de rest van het stapeltje op tafel. Behoedzaam ontvouwt ze het perkament. De naden zijn dun en op sommige plaatsen zelfs kapot gegaan.
Haar blik valt op de datum. 2 september 1984. Bijna 14 jaar geleden. Ze begint te lezen en als een Tijdverdrijver brengt de brief haar terug naar het verleden.

Ze moest lachen bij het lezen van het koosnaampje boven de brief.
 “Mema,” glimlachte ze naar de man die over haar schouder meelas. Het was lang geleden dat haar dochter haar zo genoemd had. In de tijd dat ze haar vader in alles nadeed en nazei. Maar Dromeda was een mondvol voor een kleuter en uit een mix met mama werd toen Mema geboren.
Snel las ze verder, benieuwd hoe Nymphadora het op haar eerste schooldag had gehad. Ze was niet echt bezorgd; Nymphadora was tenslotte erg goed in het ontwapenen van andere mensen.
O, blijkbaar had ze in de Zweinstein Express al vrienden gemaakt. Een Wemel. Ze dacht even na. Dat moest dan de tweede zoon van Arthur en Molly zijn; die was even oud als Nymphadora.
“Ze lijkt het wel naar haar zin te hebben in Huffelpuf,” klonk de stem van Ted over haar schouder.
“WAT? Huffelpuf? Dat kan niet …” Andromeda’s ogen gleden bliksemsnel van links naar rechts over het perkament tot ze bleven steken bij die onwaarschijnlijke woorden. Haar mond zakte open, klapte weer dicht terwijl ze ongelovig haar hoofd heen en weer schudde. Ze stond op van de bank en begon geagiteerd heen en weer te lopen. Ted bekeek het geamuseerd.
“Huffelpuf? O Merlijn! Ik kan het gewoon niet geloven. Ik bedoel … ik had er wel een beetje rekening meegehouden dat ze niet in Zwadderich zou komen zoals de rest van de familie maar dan toch in ieder geval in Ravenklauw net als jij. Of in Griffoendor net als Sirius … O god, ik kan het niet geloven … een Huffelpuf.”
Ted keek zijn ijsberende vrouw met gefronste wenkbrauwen aan. “Het klinkt alsof ze het best naar haar zin heeft.”
“Naar haar zin?” Andromeda bleef abrupt stilstaan en keek Ted fel aan. “Ze zou het overal naar haar zin hebben. Dat is niet belangrijk. Er heeft nog nooit iemand uit onze familie in Huffelpuf gezeten. Nog nooit! Huffelpuf is zo … is gewoon …,” sputterde ze verontwaardigd.
“Dromeda, denk je niet dat je een beetje heftig reageert?” Ted probeerde geduldig te blijven hoewel hij vond dat zijn vrouw een beetje reageerde. “Ik vind dat de meeste tovenaars nog steeds veel te veel waarde hechten aan de afdeling waarin je ooit als kind gesorteerd bent. Wat maakt de afdeling nou uit? Als ze het daar maar naar haar zin heeft. Bovendien, na de manier waarop je familie je behandeld heeft, zou ik verwachten dat je blij was dat ze niet in Zwadderich terecht kwam.”
“Maar niet in Huffelpuf!” riep Andromeda. ”Dat snap je toch wel, ook al maakte het voor jouw ouders niets uit in welke afdeling je zat.”
Ze rolde met haar ogen. “De afdeling waarin je terecht komt, is van groot belang. Niet alleen op school maar ook later bij een opleiding of werk. En wat heb je nu aan trouw …” en ze tekende met haar wijs- en middelvingers aanhalingstekens in de lucht, “… als je ergens wilt komen in het leven?”
Ted kreeg geen kans om te protesteren.
“En denk je dat ik zin heb om nog meer vernederd te worden door mijn zussen en zwagers?” Tranen van woede sprongen in haar ogen. Ted begreep eindelijk waar haar teleurstelling vandaan kwam en wilde om de bank heen naar haar toe lopen. Bij het zien van zijn meelevende blik, draaide Andromeda zich echter om en stormde de kamer uit.

Het had lang, heel lang geduurd voor Andromeda zich erbij neer kon leggen, al deed ze haar uiterste best om Nymphadora niets van haar teleurstelling te laten merken.


De kaarsen worden langzaam korter terwijl Andromeda de ene brief na de andere liefdevol openvouwt. Iedere brief brengt haar weer dichter bij het heden.
Uitslagen van SLIJMBALlen en PUISTen. Een foto van de diploma-uitreiking met een uitbundig lachende Dora in een geel gewaad.
Gelukkig was haar meisje wel slim en dapper genoeg om in aanmerking te komen voor de Schouweropleiding, had ze destijds gedacht.
Verhalen van praktijkopdrachten en van Ministerie feestjes. De brief waarin ze eindelijk haar gevoelens voor Remus opbiechtte hoewel Andromeda dat al een poos vermoed had. De frustratie om zijn koppige houding, de angst dat haar ouders hem niet zouden accepteren en tenslotte een uitnodiging voor hun bruiloft die ze in stilte zouden vieren.
De brieven van een dolgelukkige Dora, gestuurd na de geboorte van het kind dat nu zo onschuldig en onwetend boven ligt te slapen, zitten in een ander stapeltje.
Andromeda’s herinneringen draaien rond in haar hoofd, als kringen in een vijver. Steeds groter en groter tot het water tot rust komt en er in haar hoofd enkel een beeld achter blijft van een lachende, jonge vrouw met kort, paars haar en een blond jongetje in haar armen. Een ongrijpbaar beeld. Want als ze het probeert te vangen, verdwijnt het weer in de golven van emoties.
Met gesloten ogen blijft ze even zo zitten. Dan reikt ze met trillende vingers naar de rol perkament in het midden van de tafel en begint te lezen.

Lieve Mema,

Als je deze brief krijgt dan ben ik er niet meer en heb je mijn laatste brief gekregen.
Ik kan alleen maar hopen dat Remus hem aan je gegeven heeft, want als Barnabas hem rechtstreeks aan jou heeft gestuurd, betekent dat dat Remus het ook niet overleefd heeft.
Oh Mema, ik bid dat jullie niets overkomt en dat jullie dan samen voor Teddy kunnen zorgen. Ik weet dat je je reserves naar Remus hebt maar ik houd van hem, Mema, en hij zal iemand nodig hebben. Net als jij iemand nodig hebt.
Ik zal altijd dankbaar zijn voor de tijd die we samen hebben gehad, hoe kort die ook misschien is. En ik heb nooit spijt gehad van welke keuze dan ook die ik ooit gemaakt heb.
Ik hoop met heel mijn hart dat het allemaal niet voor niets blijkt te zijn. Als we de oorlog winnen is dat het allemaal waard.
Als … als je deze brief … van Barnabas kreeg, weet ik dat je voor Teddy zult zorgen. Harry is natuurlijk zijn peetvader maar wie weet of hij … Ik bedoel, als hij de oorlog overleeft, verdient hij het om eerst eens een poosje te Leven. Zonder een nieuwe verantwoordelijkheid, al weet ik dat hij dat niet zo zou zien. Maar hij is tenslotte nog maar zeventien!
Maar Teddy … o God Mema, Teddy … De gedachte hem niet te zien opgroeien is onverdraaglijk. Elke dag denk ik aan nieuwe dingen die ik zal missen als ik het niet overleef.
Zorg dat hij zich altijd omringd met liefde zal voelen, net zoals ik dat altijd gevoeld heb, en geef hem elke avond een kus van me (ons). Ik hou van je.

Je Nymphadora.

O en Mema, Remus weet het al maar als ik begraven wordt, wil ik geen paars. Hoeveel ik ook van die kleur houd – en ja, ik weet dat jij er vroeger wel eens gek van werd – dan heb ik liever geel en zwart.
Als ik aan het volgende avontuur begin, zoals Perkamentus altijd zei, dan wil ik meenemen waar ik vandaan kom. Want als je niet trouw blijft aan jezelf en dat wat je maakt tot wie je bent, wat blijft er dan nog over?

Kus xxx

Er spat een druppel op het perkament uiteen. Andromeda strijkt met de bovenkant van haar hand over haar oogleden en fluistert zacht: “Dan wordt het geel, lieverd.”


Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 27 maart 2010 om 08:13


In de Ban van een Boek

Waarin een aanbidster voor Severus, pseudo Sisselspraak, Tolkien, veren en witgroene drab hun opwachting maken. En Humbug. Veel Humbug!


‘Humbug,’ moppert Severus Sneep, in navolging van een andere beroemde naargeestige persoon.
Sinds hij twee weken geleden het boek van Charles Dickens heeft gelezen – met Kerst gekregen van Clothilde Bingel – heeft hij gemerkt dat het een erg bevredigend woord is in sommige situaties.
Hij is onderweg naar de Uilenvleugel. Niet echt een plaats die hij de afgelopen jaren op Zweinstein vaak bezocht heeft, maar nu de nood aan de man komt …
Een man kan tegenwoordig niet eens in alle rust een boek lezen, moppert hij.
Iedereen valt hem de hele dag lastig met allerlei onzinnige vragen en mededelingen. Dus is hij de kerkers ontvlucht en op zoek naar een plaats waar hij op zijn gemak een paar uur in zijn nieuwe boek kan lezen.
Dat is extra vervelend nu het zulk absurd heet weer is. Hij kijkt omlaag naar de kleding die hij draagt en fronst bij het zien van zijn bleke knokige knieën.
Nu de leerlingen voor de komende twee maanden vertrokken zijn, heeft de staf besloten om met dit warme weer luchtige Dreuzelkleding te dragen.

Severus had geweigerd met het excuus dat het in de kerkers koel genoeg was. Maar toen hij zich uit zijn kerkers liet verdrijven, kreeg iets minder warme kleding de voorkeur boven zijn zwarte gewaad en pantalon. Hij had echter geen luchtige kleding en al zeker geen Dreuzelkleding.
Zijn collega’s boden vanmorgen tijdens het ontbijt royaal aan hem wat kleding te lenen, maar hij had hen alleen minachtend aan gekeken. In Salazars naam; hadden Hagrid en Filius nou werkelijk geen greintje realiteitsbesef?
Albus had naar hem getwinkeld maar één blik op het roze T-shirt met de palmbomen en eilanden en Severus had vastberaden zijn hoofd geschud. Nog niet onder dreiging van Voldemorts Crucio!
Gelukkig had Clothilde nog wat kleren van haar broer, die een maand geleden op Zweinstein had gelogeerd. Ze hebben praktisch dezelfde maat dus nu is hij in het bezit van Dreuzelzomerkleding. Humbug!

Bij het zien van die vreemde kleding aan zijn lijf, besluit hij om zijn Occlumentie maar weer eens op te frissen voor het geval de Heer Van Het Duister hem oproept.
Niet dat die kans groot is; na het fiasco in het Miniserie van Toverkunst heeft de Heer Van Het Duister besloten zich even terug te trekken en nieuwe leden te rekruteren. Het is hem echter niet duidelijk waarom hij daarvoor naar Ibiza moet. Zelf heeft hij de opdracht gekregen om tijdens de zomermaanden aan de toverdranken uit dat duistere boek van Lucius te werken. Blijkbaar moet daar een geheim recept in staan om de Heer Van Het Duister onsterfelijk te helpen maken.

Hij sneert minachtend terwijl hij even pauzeert en het zweet van zijn voorhoofd veegt. Vervloekte trappen!
Hij heeft helemaal geen zin om in deze hitte toverdranken te brouwen. Hij wil eindelijk wel eens dat dikke boek gaan lezen over Hobbits, elven en andere vreemde wezens.
Toen hij Dickens had uitgelezen, werd hem het boek van een zekere Tolkien aangeraden. Hij vermoedt dat de man een tovenaar was, hoewel de schrijver heel slim een aantal magische feiten vermengd heeft met zelfverzonnen onzin.
Maar dat verhaal over die ring, peinst hij, dat zou wel eens een kern van waarheid kunnen bevatten. Hij heeft echter nog geen kans gekregen om er meer over te weten te komen. Telkens als hij het boek net geopend heeft, wordt hij door iemand lastig gevallen of verjaagd.

Hopelijk heeft hij nu een plek gevonden om in het boek te kunnen lezen.
Hij opent de deur van de Uilenvleugel en doet aarzelend een stap naar binnen.
Afkeurend kijkt hij langs zijn neus naar de bevlekte vloer en de bespatte muren. Een grote kerkuil kijkt hem verontwaardigd aan en Severus’ lippen krullen om in een sneer.
De uilen, al van slag door het warme weer, schrikken zich lam als hij zijn toverstok pakt en begint het stenen plateau te reinigen waar hij op wil gaan zitten lezen. Ze beginnen door elkaar heen te vliegen en raken door dolle heen. Hij slaat zijn handen voor zijn oren vanwege het oorverdovende kabaal en uit een kreet van pijn als het dikke boek de zijkant van zijn hoofd raakt.
Veren vliegen in het rond en niet alleen dat, merkt hij ontsteld, als de veren in een witgroene drab op zijn kleren blijven plakken.
Plotseling voelt hij tot zijn ontzetting een klodder langs zijn haar glijden en via zijn schouder op het voorpand van zijn shirt belanden. Dat betekent gedwongen haren wassen. Hij kreunt. Kan de middag nog erger worden?

Als hij gedoucht en met schoon haar de deur van zijn kamer uitstapt, ziet hij tot zijn verbazing Sybilla Zwamdrift staan. De vrouw komt gewoonlijk maar zelden uit haar kamer; dat zou de scherpte van haar Innerlijk Oog doen afnemen. Hij snuift.
Ze loert naar hem door die achterlijk dikke glazen – Heeft ze nog nooit gehoord van een correctiespreuk? – en de uitdrukking in die vergrootte ogen bezorgt hem een ongemakkelijk gevoel.
Hij wil kortaf knikken en doorlopen, maar ze blokkeert zijn pad en wauwelt: ‘Severus, je ziet er goed uit. Hoe komt het dat je haar zo glanst?’
Ze sist zijn naam een beetje alsof ze verwacht dat hij op Sisselspraak valt. Onbegrijpelijk; ze heeft Nagini zeker nooit gehoord. Wie vindt in Merlijns naam
Sisselspraak nou stimulerend? Afgezien van de jonge Malfidus, maar die jongen is dat toverduel met Potter in zijn tweede jaar nooit te boven gekomen.
‘Je ontloopt me toch niet? Ik heb je de hele morgen nog niet gezien.’
En dan nog, denkt hij verbijsterd, soms zie ik je dagen niet.

Om Zwamdrift te ontvluchten, besluit hij langs het klaslokaal van Clothilde te gaan; Sybilla is om één of andere kosmische reden bang voor de lerares Dreuzelkunde.
Als Clothilde er is, kan hij haar iets over het boek vragen en als ze er niet is, – nog beter – kan hij daar rustig gaan lezen.
In het klaslokaal is niemand aanwezig. Opgelucht trekt hij de stoel achter het bureau vandaan en opent zijn boek.
‘Ah, Severus,’ klinkt het vanuit de deuropening. Met een klap slaat hij het boek dicht en vloekt binnensmonds omdat zijn duim er nog tussen zit. Humbug!
Poppy Plijster kijkt hem fronsend aan.
‘Hier ben je! Ik was al naar je op zoek. Ik wil vragen of jij een zalfje kunt maken voor Dobby. De arme huiself heeft een zeer opmerkelijke …’
Iets mompelend als ‘het vuur onder m’n ketel moet lager’ schiet hij langs haar heen en neemt de eerste de beste trap naar boven. Hij kan wel gillen van frustratie; is er nou nergens een plaats waar hij niet gestoord wordt. Ergens waar collega’s hem niet achtervolgen?
Plotseling schiet het antwoord hem te binnen; de badkamer van de klassenoudsten. Aangezien er geen klassenoudsten op school aanwezig zijn, kan er ook niemand in de badkamer zijn. Opgelucht vervolgt hij zijn weg naar de vijfde verdieping.

Het is heerlijk koel in de badkamer en Severus slaakt een zucht van verlichting. Hij doet zelfs heel gewaagd zijn schoenen en sokken uit en trekt zijn korte broekspijpen op zodat zijn voeten en onderbenen kunnen afkoelen in het bad. Genietend leunt hij tegen een muurtje en beweegt zijn onderdanen door het schuimende water. Eindelijk!
Met het boek op zijn knieën mijmert hij even over die ring waar het boek omdraait.
Hij is er vast van overtuigd dat hij uit het boek voldoende aanwijzingen kan halen om er één te maken. In tegenstelling tot al die Dreuzels kan hij het onderscheid maken tussen verzinsel en waarheid. Hij wedt dat zo’n ring in gevechtssituaties een stuk handiger is dan een wapperende onzichtbaarheidmantel. Mocht Potter door het dragen van die ring gek worden, is dat alleen maar meegenomen, denkt hij. Zolang hij de Heer Van Het Duister maar verslaat.
Uit het niets komt plotseling vlak voor zijn neus een geest uit het water omhoog. Door een abrupte beweging van zijn arm vliegt het boek in een boog door de lucht om net op de rand van het bad te belanden. Terwijl Jenny kakelend lacht, krabbelt hij overeind. Hij vergeet echter dat zijn vochtige voeten geen goede combinatie zijn met de natte vloer. Met wild maaiende armen belandt hij in het water.
Humbug!
Voor de tweede keer die dag moet hij terug naar de kerkers om zich te verkleden; dat schuim krijg je er met ‘Hygiëna’ echt niet uit! Tot zijn schrik ontdekt hij dat er tussen de Dreuzelkleding geen shirts met mouwen meer zitten. Ongemakkelijk kijkt hij naar zijn bleke bovenarmen die nu zichtbaar zijn.
Gelukkig is hij wel op het nippertje in staat om Sybilla te ontwijken die nog steeds in de kerkers rondhangt.

Hij besluit naar buiten te gaan en vindt een goed plaatsje achter de Zwerkbalkleedkamers. In de schaduw en uit het zicht van het kasteel en zijn bemoeizuchtige bewoners. Ideaal, denkt hij en opent zijn boek.
‘Hallo Severus,’ klinkt de kordate stem van Rolanda Hooch.
MERLIJN! Met een pijnlijk gezicht trekt hij zijn duim tussen de kaft vandaan.
‘Ik ben bezig met achterstallig onderhoud,’ zegt ze, ‘moet ik jouw bezem ook oppoetsen?’
Hij sneert. Stom mens, ze weet best dat ik mijn bezem al jaren niet meer gebruik.
Terwijl hij wegvlucht, vraagt hij zich af welke goden hij die dag kwaad gemaakt heeft.

Hij loopt langs het meer in de richting van de beukwilg. Hij besluit om op een veilige afstand, in de schaduw en uit het zicht, te gaan zitten.
‘Severus,’ hoort hij de bekende stem van Pomona Stronk. Hij zucht gekweld en draait zich om.
Als ze hem vraagt welke ingrediënten hij nog nodig heeft en of hij even mee kan lopen naar kas zes om te kijken, begint hij achteruit te lopen met zijn handen afwerend opgeheven. Ze volgt hem en praat maar door en hij loopt steeds verder naar achter.
‘Wacht, Severus, PAS OP!’ roept ze opeens.
Maar hij wordt al door een tak van de Beukwilg meegenomen en belandt een paar meter verder tussen wat jonge planten. Al die tentoongestelde huid begint gelijk te jeuken en te branden en Pomona staat handenwringend te roepen dat hij uit de Fisteldistels moet komen.
Humbug!

Snel maar behoedzaam loopt Severus door de kerkergangen, bevreesd Sybilla weer tegen te komen. In zijn werkkamer pakt hij een grote fles met tegengif uit zijn kabinet en kreunt van genot als het middel begint te werken. Tot zijn verwondering en opluchting ziet hij Sybilla nergens als hij de gang weer opstapt.
Toch besluit hij het zekere voor het onzekere te nemen en zoveel mogelijk bij de kerkers en de Grote Zaal vandaan te blijven; hij heeft zijn buik vol van zijn collega’s. Hij besluit naar de Astronomietoren te gaan.
Geen leerlingen betekent tenslotte geen verliefde stelletjes en hij kan zich niet voorstellen dat Jenny hier over de reling komt jammeren.
Hij sommeert Dobby om hem wat voedsel te brengen. De huiself is in een tel terug en heeft genoeg hapjes meegenomen voor het hele kasteel. Hij plaatst alles op een rozerood geblokt tafelkleed dat hij op de grond spreidt en Verdwijnselt met een veelbetekenende blik.

Severus pakt zijn boek in één hand, een glas mede in de andere en zucht tevreden.
Dan – hoe kan het ook anders – gaat de deur open en stapt Sybilla binnen. Ze doet de deur achter zich op slot. Hij verslikt zich in de mede en probeert hoestend overeind te krabbelen.
‘Oh een picknick, Ssevvie, wat romantisch,’ kweelt ze. Hij zou bijna Potter willen heten om die s-klank maar niet te hoeven horen.
Als ze nadert, doet hij een paar passen achteruit, hoewel je zou denken dat hij inmiddels wijzer is.
‘Weet je, Ssevvie?’
Haar ogen staren hem doordringend aan.
‘Ik kon het eerst niet geloven toen de Tarot kaarten me vertelden dat mijn toekomstige man zichzelf deze maand zou tonen en toenadering zou zoeken. Maar gisteravond vertelden ook de theeblaadjes over een sterke, donkere man.’
Humbug!
‘Ik kon me niet voorstellen dat jij bedoeld werd tot je je vandaag opeens zo spannend begon te kleden.’
Ze giechelt.  Zou ze hem rustig laten lezen als hij haar uitnodigt mee te eten, vraagt hij zich af. Maar als Sybilla steeds dichterbij komt, denkt hij: ‘Ik wacht wel op de film.’


* Einde *

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 13 april 2010 om 19:24

Korte inhoud:
Wat gaat Draco doen met de Felix Fortunatis die hij stiekem bemachtigd heeft? En wat heeft dat te maken met Harry?


Draco’s Gouden Plan


‘Hé, wat heb je daar,’ vroeg een vertrouwde, schrille stem.
Draco schrok op en stopte het kleine flesje waarmee hij in gedachten zat te spelen, snel in de zak van zijn gewaad. Toen hij opzij keek zag hij Patty Park de deur van de leerlingenkamer achter zich sluiten en nieuwsgierig op hem af komen.
‘Waar zijn Korzel en Kwast?’ vroeg hij fronsend.
Patty plofte neer op de bank tegen over hem. Met haar dunne geëpileerde wenkbrauwen in hoog opgetrokken boogjes staarde ze hem aan.
‘Wat zit er in je zak, Draco?’ zong ze, ‘ben je duistere plannen voor Potter aan het smeden?’
‘Dat gaat je niets aan, Patty!’ was de reactie die ze ontving.
‘Korzel en Kwast?’ herhaalde Draco lijzig en de uitdrukking op zijn gezicht maakte haar meer dan duidelijk dat ze niet verder moest vragen en beter snel antwoord kon geven.
‘Jee Draco, met jou is ook geen lol te beleven vanavond,’ pruilde ze. Vincent en Karel hebben strafwerk bij Slakhoorn, weet je nog wel.’
‘O ja,’ zei Draco fronsend, ‘tot hoe laat?’
‘Dat zal wel laat worden,’ reageerde Patty, ‘die oude walrus was flink nijdig over dat akkefietje met die mestbommen. Ze zijn vast uren bezig met die slangen!’
Draco dacht even aan Korzel en Kwast die nu boomslangenhuid aan het raspen waren, maar haalde dan zonder wroeging zijn schouders op.
Als ze niet eens Slakhoorn uit zijn lokaal konden lokken zonder betrapt te worden, verdienden ze niet beter.
Dat was natuurlijk niet nodig geweest als hij dat flesje Felix Fortunatis had gewonnen. Maar nee, hij had verloren. Niet eens van dat betweterige Modderbloedje, maar van Potter nota bene! Hij glimlachte bitter. Het draaide altijd weer om Potter. Potter die de reden was dat hij dat flesje in de eerste plaats had willen winnen.
Maar het maakte niet uit, uiteindelijk had hij dankzij het tumult dat Korzel en Kwast hadden veroorzaakt, nu zijn eigen flesje vloeibaar geluk. Hij legde zijn hand op zijn binnenzak en stond abrupt op, midden in een zin van Patty die nog steeds doorratelde en hem verbaasd nakeek toen hij met lange passen de leerlingenkamer uitbeende.

Hij maakte zijn das los, haalde het flesje uit zijn zak voor hij zijn gewaad af deed en ging op zijn bed zitten.
Morgen zou hij zijn plan in werking zetten. Potter hoorde wel niet bij de opdracht die de Heer van het Duister hem gegeven had, maar Draco had er lang en breed over nagedacht. Hij wist dat zijn kans om die opdracht te voltooien niet groot was.
Lizzy had hem verteld over de Onbreekbare Eed die zijn moeder met Sneep had afgelegd. Hij snoof even verontwaardigd; alsof hij een kleuter was.
Ze had ook laten ontglippen dat de Dooddoeners weddenschappen afsloten over zijn kans van slagen.
De huis-elf mocht dan irritant onhandig en bemoeizuchtig zijn, ze wist praktisch alles wat er zich in het huis van de Malfidussen afspeelde en omdat ze hem sinds zijn geboorte verzorgd had, was ze ook erg loyaal.
Misschien was hij niet in staat om de opdracht van de Heer van het Duister uit te voeren, – zijn maag kwam in opstand bij de gedachte alleen – maar een confrontatie met Potter kon hij wel aan. Zeker nu hij de hulp van Felix zou krijgen.

‘Kom je ontbijten, Draco?’ krijste Patty vanachter de deur van de jongensslaapzaal.
‘Ik kom zo, ga maar,’ riep Draco terug en hij zuchtte geërgerd. Als Patty ergens niet tegen kon, dan waren het wel geheimen. Het idee dat Draco iets aan het bekokstoven was en het niet met haar wilde delen, maakte haar razend. Hij zou extra voorzichtig moeten zijn want Patty mocht onder geen beding ontdekken wat zijn plannen met Potter waren. Nog niet in ieder geval. Dit was iets dat hij helemaal alleen bedacht had. Geen opdracht van de Heer van het Duister, geen Dooddoeners die over zijn schouders mee wilden kijken, geen bemoeizuchtige Sneep of bezorgde moeder. Dit was zijn plan!
Hij controleerde opnieuw of hij alleen was voor hij het kleine flesje met de gouden vloeistof uit zijn hutkoffer haalde en voorzichtig uit zijn groene zijden pyjamabroek rolde.
Voorzichtig draaide hij de kurk van het flesje en schatte de inhoud. De helft, besloot hij, dat moest genoeg zijn en dan had hij nog genoeg voor een andere keer. Hij zette het koele glas aan zijn lippen en liet het geluk naar binnen glijden.
Terwijl Draco het flesje weer afsloot en het opnieuw in de groene zijde wikkelde, voelde hij hoe de Felix Fortunatis begon te werken.
Hij voelde de spanningen van de afgelopen maanden van zich afglijden en een gelukzalig gevoel door hem heen stromen.
Niet alleen leek het simpel om zijn plannen met betrekking tot Potter uit te voeren, zelfs de opdracht die de Heer van het Duister hem gegeven had, leek niet langer onmogelijk. Hij overwoog even om die taak uit te voeren, maar achter Potter aan gaan leek toch een betere optie.
Hij grijnsde, boordevol zelfvertrouwen. Hij had nog geen idee hoe hij Potter te pakken zou krijgen maar de Felix Fortunatis zei hem dat het wel in orde zou komen.

Sneep was die ochtend in een nog slechter humeur dan anders. Als de les niet snel afgelopen zou zijn, hield Griffoendor geen punten over. Draco had geen toverdrank nodig om te weten dat zelfs hij zich gedeisd moest houden. Natuurlijk waren Potter en Wemel niet zo slim. Na verscheidene punten aftrek voor gefluister, waren ze nu over en weer briefjes aan het schrijven. Draco sloeg het geringschattend gade.
Juist toen Potter een briefje op de tafel van Wemel wilde gooien, tikte Sneep met zijn toverstok op het bord en draaide zich met een zwiepende beweging van zijn gewaad om. Potters arm schoot uit en het briefje landde precies tussen Draco’s tafel en die van Wemel op de grond. Draco genoot even bij de gedachte aan de straf die ongetwijfeld zou volgen als Sneep het briefje opmerkte. Misschien kreeg Zwadderich wel extra punten als hij zijn afdelingshoofd er op attent maakte.
Op dat moment voelde hij echter de vreemde aandrang om het briefje met zijn voet weg te harken. Het was een impuls die hij niet mocht negeren, vertelde Felix hem. Terwijl Sneep dreigend op Potter af liep, stak Draco zijn voet uit en zette hem op het briefje. Hij genoot van de ontstelde blik waarmee het Modderbloedje toekeek. Zodra Sneep zich omdraaide, woedend omdat hij niets had kunnen ontdekken, trok Draco zijn voet naar zijn tafel, bukte zich snel en gooide het briefje terug naar Potter.
Hij kon zich er met moeite toe brengen om niet breed te grijnzen bij de verblufte uitdrukkingen op de gezichten van het zogenaamde Gouden Trio en alleen een wenkbrauw op te trekken voordat hij zich over zijn boeken boog.
Helaas had Patty alles gevolgd en het duurde wel even voordat hij haar na de les duidelijk had gemaakt dat zijn actie onderdeel was van zijn plan. Een plan waar hij niet verder over wilde uitweiden.

‘Enkel nog Gedaanteverwisseling en dan kunnen we eten,’ zei Kwast na de volgende les terwijl hij over zijn maag streek. Hij liep met Korzel een paar passen voor Draco uit en wilde net gaan uitweiden over het menu van die dag toen Hermelien Griffel gehaast de hoek om kwam. Abrupt kwam ze tot stilstand. Korzel en Kwast deden dreigend een stap naar voren en keken vragend achterom naar Draco.
Draco luisterde hoe het Modderbloedje zijn klasgenoten met schrille stem beval opzij te gaan op straffe van puntenaftrek. Hij wilde haar er net schamper aan herinneren dat hij ook Klassenoudste was, toen de Felix Fortunatis hem influisterde dat hij zijn woorden in moest slikken.
Hij klemde zijn kaken op elkaar, maar beval toch een verbaasde Korzel en Kwast om opzij te gaan. Het Modderbloedje keek hen alledrie even aan en liep toen haastig door. In het voorbijgaan wierp ze Draco een felle blik toe, maar aangespoord door Felix, knikte hij haar toe en zei beleefd: ‘Griffel’.
Terwijl hij Korzel en Kwast volgde, wierp hij het Modderbloedje nog een blik toe over zijn schouder. Bij het zien van haar stomverbaasde uitdrukking, knipoogde hij en verdween om de hoek.

Tijdens het middageten sloeg Draco de tafel van Griffoendor gade. Het Gouden Trio – wat een originele naam toch - zat druk met elkaar te fluisteren en wierp af en toe indringende blikken naar de tafel van Zwadderich die Draco telkens beantwoordde met een opgetrokken wenkbrauw. Het Modderbloedje was wild met haar handen aan het gebaren terwijl Wemel haar vol ongeloof aankeek.
Draco’s mond vertrok in een flauwe grijns. Hij wist niet waarom hij Potter had moeten helpen bij Verweer tegen de Zwarte Kunsten of beleefd tegen Griffel had moeten doen, maar hij was ervan overtuigd dat hij het zo had moeten aanpakken om zijn doel te bereiken.

Tegen het eind van het middagmaal zag Draco Professor Anderling naar de tafel van Griffoendor lopen op hetzelfde moment dat Sneep de tafel van Zwadderich naderde. Blijkbaar was Professor Slakhoorn ziek geworden zodat ze onverwachts een blokuur vrij hadden. Het gejuich van de Griffoendors overtrof het gejoel van de Zwadderaars om hem heen.
Toen hij Potter zonder zijn eeuwige aanhang op zag staan, fluisterde de toverdrank hem in dat dit het juiste moment was. Hij pakte snel zijn spullen en volgde de Griffoendor de eetzaal uit, de vragen van de andere Zwadderaars negerend.
Potter leek niet in de gaten te hebben dat hij gevolgd werd en keek niet één keer om.
Draco kwam ook niemand anders tegen; hij was echt de meest fortuinlijke persoon van heel Zweinstein. Vol zelfvertrouwen liep hij achter Potter aan.
Al gauw herkende hij de route naar de Westertoren en een aantal minuten later werd zijn vermoeden bevestigd dat de Griffoendor op weg was naar de Uilenvleugel.

Draco stapte de ronde stenen ruimte binnen. Voor hem liep Potter naar één van de gaten in de muur, leunde tegen de grof gehakte stenen en staarde naar buiten.
Draco liet zijn blik rond dwalen en keek toen met opgetrokken neus naar de met uitwerpselen bezaaide vloer. Daar gingen zijn handgemaakte schoenen. Je moest er wel wat voor over hebben om Potter alleen te treffen. Had Felix de Griffoendor niet naar het meer kunnen laten gaan?
Op dat moment draaide Potter zich om.
‘Malfidus,’ riep hij verhit, ‘wat moet jij hier?’ Zijn hand gleed richting zijn binnenzak. Draco rolde zijn ogen, maar deed hetzelfde.
‘Hoezo Potter, is dit privéterrein?’ zei hij lijzig, ‘ik snap wel dat je hier graag komt, doet je zeker aan dat nest van de Wemels denken.’
Potter negeerde de opmerking, al spuwde zijn ogen vuur. ‘Wat moet je hier?’ herhaalde hij, ‘waarom volg je me en wat had dat in vredesnaam vanmorgen te betekenen?’
‘Wat was er dan vanmorgen, Potter? Kon je geen haarborstel vinden? Of had Lubbermans het hete water op gemaakt?’ Draco grijnsde.
Potter trok zijn toverstok langzaam te voorschijn, Draco’s ogen constant op hem gericht, en wees er mee in de buurt van Draco’s borstkas. ‘Wat … ben … je … van … plan?’
Draco trok zijn eigen toverstok en deed een paar stappen naar voren.
‘Mijn plan is …’ Aangespoord door de Felix Fortunatis reikte hij kalm langs Potter en legde zijn toverstok op de ruwe stenen in het open gat.
Terwijl hij achteruitstapte, tergend dicht langs de Griffoendor, maakte hij zijn zin af: ‘… een wapenstilstand.’
Potter’s hoofd schoot omhoog en zijn ogen vernauwden zich. ‘Wapenstilstand,’ herhaalde hij ongelovig.
Smaragdgroen ontmoette zilvergrijs. De lucht zinderde vol verwachting en de uilen leken hun adem in te houden.
Een duwtje van Felix liet Draco weten dat het tijd was voor zijn troefkaart.
‘H-Harry.’
Het klonk onwennig, maar ergens ook weer niet.
‘Harry,’ herhaalde hij daarom, de achterdocht in de groene ogen negerend, ‘ik heb hulp nodig. Ik wil eruit. Ik wil het teken niet.’
Ongeloof mengde zich met … was het opluchting?
Draco wist het niet zeker maar hij wachtte rustig. Hij had het volste vertrouwen in Felix.

* Einde *

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 30 april 2010 om 08:53
Korte inhoud/omschrijving: Is het de drank of is Harry aan het dromen?
“Hij knippert verwoed met zijn ogen maar Malfidus verdwijnt niet. Wat gek is omdat hij, Harry, zich in het Nest bevindt en dat is wel de laatste plaats waar je een Malfidus mag verwachten.”

A/N: Vanwege deze feestdag een verhaal met een koninklijk tintje. Afgezien daarvan valt er absoluut niets serieus te nemen aan dit verhaal ;) Het is alleen bedoeld om te vermaken xD
AU! Humor! Slash (als je daar een waarschuwing voor nodig hebt xD) en Magische Wezens.





Drank en een Zilveren Droom

‘Ik vermoord Fred en George,’ verklaart Harry Potter, redder van de Toverwereld, als hij moeizaam overeind komt.
Hij slaat zijn handen voor zijn ogen want zelfs het maanlicht dat door de ramen van het Nest naar binnen schijnt, blijkt teveel te zijn voor zijn gevoelige oogleden.
Voorzichtig beweegt hij zijn benen opzij zodat hij rechtop kan gaan zitten op de oude, comfortabele bank. Kreunend ontdekt hij dat er een kolonie Flubberwurmen feest aan het vieren is in zijn maag.
Typisch iets voor de tweeling om een morgen-word-je-volwassen-feestje te organiseren; nu loopt hij er op zijn verjaardag waarschijnlijk de hele dag bij als een Necroot. Hij vraagt zich af of de anderen er beter aan toe zullen zijn. Voor de meesten was het niet – zoals bij hem – hun eerste ervaring met sterke drank.
Verdraaid, hij had ze nog zo gevraagd geen alcohol in het Pompoensap te doen!
Terwijl hij zich langzaam de vorige avond herinnert, begraaft hij wanhopig zijn handen in zijn haar.
O Merlijns paarse nachthemd! Vertel me dat ik niet echt Ginny heb gezoend in de keuken van de Wemels.
Met zijn geluk had mevrouw Wemel hen gezien en zou ze morgen gelijk beginnen met het plannen van de bruiloft. Met een kreun laat hij zich achterover vallen tegen de rugleuning. Hij betreurt het gelijk als zijn hoofd lijkt te ontploffen met hetzelfde soort knallen als het vuurwerk van gisteravond. Alleen de speciale effecten ontbreken. Of misschien ook niet, denkt hij, maar het ontbreekt hem aan de moed om zijn ogen open te doen en te kijken of hij die polonaise van zingende slangen met Griffoendorhoedjes opnieuw ziet.
De woonkamer lijkt om hem heen te draaien of misschien is hij wel degene die ronddraait. Wanhopig vraagt hij zich af waarom hij niet gelijk met Voldemort is doodgegaan. Dan was hij een heldendaad gestorven. Hij ziet de koppen morgen in de Ochtendprofeet al voor zich.

    ‘De Jongen Die Hij-Die-Nog-Steeds-Niet-Genoemd-Wordt Versloeg,
maar niet was opgewassen tegen Oude Klare!’
 
    ‘Slachter van reuzeachtige Basilisk, geveld door Flubberwurmen.’


‘Ik vermoord ze,’ herhaalt hij op klagelijke toon.
‘Nou nou, is dat nou taal voor de ‘Redder’,’ klinkt het lijzig, ‘wat zou de Ochtendprofeet daar van zeggen?’
‘Het is minder vernederend dan het feit dat ik niet tegen alcohol kan,’ pruilt Harry als reactie op het stemmetje in zijn hoofd. Hij hoopt maar dat het zich in zijn hoofd bevindt, want anders zijn de Flubberwurmen verantwoordelijk en als die met z’n allen gaan praten …!
Hij opent voorzichtig zijn ogen en kijkt peinzend naar zijn buik. Nope, niets, nada; het blijft stil.
Dan merkt hij opeens dat die ellendige jeuk tussen zijn schouderbladen – waar hij al dagen last van heeft – is teruggekomen. Hij duwt zijn rug steviger tegen de kussens en wrijft wat heen en weer om zo de jeuk te overwinnen.
‘Dat zal niet helpen,’ hoort hij diezelfde stem weer zeggen. Achterdochtig kijkt hij naar zijn navel, maar het geluid lijkt van hoger te komen. Vast verbeelding, denkt hij, of de drank.
Hij wil een vinger in zijn rechteroor stoppen, alsof hij daarmee die vreemde stemmen de wereld uit kan helpen, maar zijn arm blijft halverwege in de lucht steken als hij een verontwaardigde gil hoort.
‘Hé, brillenkop! Kijk je uit met die onbehouwen bewegingen!’
Dit keer negeert Harry zijn navel. Hij draait zijn hoofd zo snel naar rechts dat hij vreest op Hedwig te lijken. Het volgende ogenblik vreest hij alleen nog maar dat hij hallucineert. Of droomt. Of dronken is.
Misschien wel alle drie tegelijk, want voor zich ziet hij … Draco Malfidus!

Hij knippert verwoed met zijn ogen maar Malfidus verdwijnt niet. Wat gek is omdat hij, Harry, zich in het Nest bevindt en dat is wel de laatste plaats waar je een Malfidus mag verwachten. Toch moet het hem zijn; het blonde haar zit wel een stuk minder onberispelijk, maar de bekende sneer is stevig op zijn gezicht geplakt.
Pas dan merkt hij het aller-vreemdste op; Malfidus is gekrompen!
Harry tast opzij naar zijn bril, zijn ogen gefixeerd op de persoon voor hem, en zet die haastig op.
Ja hoor, nog steeds gekrompen! Nu weet hij zeker dat het een droom is. Nieuwsgierig bekijkt hij deze miniatuurversie van Draco Malfidus. Hij moet denken aan de kleine Hongaarse Hoornstaart die hij onderin zijn hutkoffer bewaard en giechelt bij de gedachte aan Draco Malfidus die in zijn koffer duikt.
De blonde Zwadderaar trekt ongeduldig een wenkbrauw op en er valt een blonde lok voor zijn ogen die hij geërgerd wegblaast.
Dit is wel een erg bizarre droom, denkt Harry, als hij ziet dat Malfidus een soort groene zijde blouse draagt met een rij zilveren knoopjes aan de voorzijde. De lange mouwen waaieren wijd uit en vallen over de handen die Malfidus ongeduldig in zijn zij heeft gezet net onder een zilveren riem die rijk bewerkt is met Runeachtige tekens.
Zijn blik glijdt naar beneden en hij verslikt zich bijna in zijn tong. Onder die blouse heeft Malfidus een maillot aan die strak om zijn bovenbenen spant. Heel strak! En zijn onderbenen verdwijnen in kniehoge laarzen van soepel, donkerbruin suède.
Machtige Morgana! Onmiddellijk stapt hij af van dat hele droom-idee; het bestaat niet dat zijn onderbewustzijn hem een Malfidus in Maillot zou voorschotelen.

De drank!

Het moet de drank zijn, denkt hij wanhopig, maar voor de zekerheid …
‘Knijp me eens,’ flapt hij eruit.
‘Potter, heb je soms van professor Stronks Sint-vituskruid gesnoept?’ vraagt Malfidus sarcastisch, ‘want ik heb hier absoluut geen tijd voor. We moeten gaan.’
‘Gaan?’ herhaalt Harry schaapachtig. Het beeld voor hem heeft zijn denkvermogen aardig aangetast. O nee, het is de drank!
‘Ja, Potter, gaan! Ik heb persoonlijk wel iets beters te doen dan wachten tot jij uitgekeken bent.’ De stem van Malfidus klinkt geamuseerd als hij verder gaat: ‘Al kan ik je dat niet kwalijk nemen. Ik ben natuurlijk betoverend.’
Hij haalt met een nonchalant gebaar zijn schouders op zodat de zwarte mantel om hem heen golft. Zilveren schouderplaten weerkaatsen het maanlicht.
‘Goeie Goderic, je kust zeker elke morgen je spiegelbeeld, Malfidus? Smalhart is er niets bij. Als je niet een stuk kleiner was dan m’n veer, kon ik om een handtekening vragen.’
Grijnzend bekijkt Harry de mini-Malfidus. Nu hij weet dat het de drank is die dit beeld tevoorschijn heeft getoverd en niet zijn onderbewustzijn, begint hij zich te vermaken.
Malfidus kijkt hem uit de hoogte aan en sneert: ‘Als je uitgelachen bent … dan kunnen we eindelijk vertrekken. We zijn al veel te laat en Zijne Hoogheid houdt niet van wachten.’
‘Vertrekken? Wij? Waarheen?’
Harry fronst zijn voorhoofd als hij zich afvraagt of dit alles niet het effect is van één van Fred en George’s toverdranken, in plaats van alcohol.
‘Heb je soms nog nichtjes, Potter?’ vraagt Malfidus verveeld. ‘Verloren gewaande zusjes die zelfs de Ochtendprofeet nog niet ontdekt heeft?’
Harry knippert met zijn ogen terwijl hij langzaam opstaat.
‘Nee? Ik zou ook eens een keer geluk hebben,’ mompelt Malfidus.
‘Wij dus,’ gaat hij verder. ‘Naar de Verborgen Heuvels.’
‘Naar de Verborgen Heuvels,’ herhaalt Harry op geamuseerde toon. ‘Natuurlijk.’
Voor de zoveelste keer realiseert hij zich hoe slim het geweest is om Fred en George hun startkapitaal te geven. Afgaande op dit scenario, verdient hij zijn investering dubbel en dwars terug.
Malfidus negeert hem, draait zich om en vliegt richting de achterdeur.
Wat? Wacht even! Vliegt?

Ongelovig staart Harry naar de twee vlindervormige vleugels die op een bizarre manier door de mantel van Malfidus heen steken. Het ragfijne zilverkleurige materiaal glinstert bij iedere beweging.
Voordat hij zijn onderkaak van de enigszins versleten vloerbedekking op kan rapen, keert Malfidus zich ongeduldig om.
‘In Salazars naam, waar wacht je op, Potter?’
De kleine vleugeltjes fladderen nadrukkelijk op en neer en Harry slaat zijn hand voor zijn mond om te voorkomen dat hij giechelt, want dat is zo niet-cool.
Grijnzend volgt hij de vlinder – elf – uhm … Malfidus naar buiten.
Hij vraagt zich af wat de tweeling nog meer in hun draaiboek heeft staan en waarom Malfidus in Merlijns naam zijn opwachting moet maken.
 ‘Au!’
Een scherpe pijn aan de rand van zijn oorschelp zorgt ervoor dat hij abrupt zijn hoofd opzij draait en nog net Malfidus als een reuzenvlinder weg ziet fladderen.
‘Je beet me!’ roept hij verontwaardigd en met een ongelovige uitdrukking wrijft hij over zijn mishandelde oor.
‘Doe niet zo stom, Potter. Waarom zou ik je in naam van alles wat magisch is, willen bijten? Wie weet wat ik zou oplopen,’ huivert Malfidus overdreven.
Maar Harry ziet dat zijn bleke gezicht kleurt in een zachtroze dat zich langzaam uitbreidt naar zijn oren. Puntige oren, ziet Harry nu opeens.
‘Je bent geen vlinder,’ flapt hij eruit. Hij begint prompt zelf te blozen als Malfidus hem aankijkt alsof Harry Sneep heeft voorgesteld om een keer buiten in het zonnetje les te geven.
‘Briljante conclusie, Potter. “Je bent geen vlinder.” Vergeef me dat ik ten onrechte aannam dat je je huiswerk altijd van Griffel overschreef.’
Met een kleine blonde wenkbrauw sarcastisch opgetrokken, vliegt Malfidus achteruit en Harry volgt hem ongemerkt.
‘Nee, ik ben dus geen vlinder en ook geen elf. Ik ben een fee!’ klinkt het uit de hoogte.
Dit keer ontsnapt er wel gegiechel aan Harry’s mond.
‘Oké, een fee. Prima, maar waarom moet ik mee naar die Verborgen Heuvels?’ vraagt Harry terwijl hij probeert zijn gezicht weer in de plooi te trekken. Hij vermaakt zich beter met de Zwadderaar dan hij ooit had verwacht. ‘Zit je vriendin met haar vleugels vast in een braamstruik? Of zorgt een verdwaalde Delfstoffer ervoor dat die verborgen heuvel instort?’
Malfidus rolt met zijn ogen maar geeft geen antwoord. Hij kijkt even om zich heen en vliegt dan verder door de maanverlichte nacht.

Schouderophalend volgt Harry de fee. Zouden Fred en George sprookjes gebruiken als basis voor dit … wat het ook is, peinst hij.
En misschien heeft zijn eigen brein wel besloten om Malfidus toe te voegen. Het heeft wel iets vernederends; zijn tegenstander zo klein als een insect en waarschijnlijk net zo machteloos. Gekleed in een outfit die hij wel eens bij de Duffelingen in een tv-reclame heeft gezien voor meisjespoppen, inclusief die vleugels. En dan die maillot, die strakke maillot onder die erg korte blouse …
Hij knippert verwoed met zijn ogen om te ontdekken dat ze gestopt zijn naast een jong dennenboompje aan de voet van een groot formaat molshoop.
‘Kun je je misschien even concentreren, Potter,’ zegt Malfidus lijzig. Hij vliegt dichter naar Harry toe en die houdt zijn adem in uit angst de ander twee dorpen verder te blazen.
‘Er is geen tijd meer voor de lange uitleg dus luister goed en val me niet in de rede. Jij bent voor een achtste of zestiende deel een fee.’
Hij heft in een gebiedend gebaar een hand op als Harry hem wil onderbreken.
‘Laat me uitpraten! Eén van je voorouders was een fee. Ze werd verwisseld met het doodgeboren kind van een volbloedheks. Zodra je zeventien wordt, zal je feeënerfenis zich openbaren. Vandaar die jeuk op je rug. Volgens een oude profetie …’ hij kijkt nijdig als Harry vol ongeloof snuift, ‘… zal het kind dat geboren wordt uit een nakomeling van die fee – jij dus - en het achterkleinkind van de feeënkoning, ongekende krachten hebben en het voortbestaan van het ras veilig stellen.’
Harry schiet in de lach; nu weet hij zeker dat hij midden in een sprookje zit.
‘Wat is dat toch met die profetieën? Dus ik moet één of andere feeënprinses zwanger maken en …
Malfidus schudt zijn hoofd en sneert. ‘Bijna goed, Potter. Behalve dan dat het een feeënprins is.’
‘WAT? Maar … hoe kan dat nou …’ Harry is zo verbijsterd dat hij vergeet dat het allemaal niet echt is. Dat dit allemaal het gevolg is van een grap van Fred en George.
‘Je Dreuzelopvoeding zal altijd merkbaar blijven, nietwaar Potter?’ Malfidus kijkt neerbuigend. ‘Daar hebben wij magie voor. Maar genoeg gepraat.’

Hij maakt een paar ingewikkelde gebaren met zijn handen en het volgende moment is hij even lang als Harry. Als Harry niet nog steeds een paar zilverkleurige vleugels zou zien, zou hij denken dat de toverdrank uitgewerkt was.
Verstomt staart hij naar Malfidus en ontdekt dan een enorme grote berg achter hem. Dan ziet hij een kolossale dennenboom boven zich uittorenen en sprakeloos schudt hij met zijn hoofd. Dit is niet echt! Dit kan niet echt zijn!
In paniek wil hij achteruit stappen, maar hij wordt tegengehouden door een arm die stevig rond zijn middel wordt gelegd.
Zijn ogen schieten wild van de boom naar Malfidus die hem dicht tegen zich aan trekt. De gesp van de zilveren riem drukt in Harry’s onderbuik. Hij hoopt tenminste dat het de gesp is. Merlijn op een steigerende Helleveeg!
Als verlamd blijft hij staan en hoort Malfidus zeggen: ‘Ik had me nog niet officieel voorgesteld; Prins Draconius van de Verborgen Heuvels.’
‘Jij? … Jij?’ stamelt Harry. De fee knikt. Een lok witblond haar glijdt vanachter een puntig oor.
‘Betekent het dat ik jou zwanger …’
Malfidus schudt zijn hoofd en Harry laat opgelucht zijn adem ontsnappen.
‘Natuurlijk niet, ik blijf gedeeltelijk een Malfidus,’ verklaart de prins hooghartig, ‘Jij bent degene die negen maanden lang alle kwaaltjes krijgt.’
Terwijl alles om Harry heen langzaam zwart wordt en hij tegen de feeënprins aanzakt, realiseert hij zich plotseling dat die zilveren riem helemaal geen gesp had!

* Einde *
 

 
Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 16 mei 2010 om 15:52
Korte inhoud/omschrijving: “Al een week probeerde hij Wemel te betrappen zodra ze wegglipte uit de Grote Zaal of de bibliotheek; hij wist gewoon dat ze iets in haar schild voerde.”

A/N: Geschreven voor een Fanfiction Challenge met als onderwerp ‘Geheimen’. En voor die dertienjarige die graag net zo’n geheim zou willen hebben. Geen slash dit keer xD


Voor Niets Gaat de Zon Onder


De zesdejaars Zwadderaar gluurde om een hoekje van de donkere gang en trok snel zijn blonde hoofd terug.
Heeft ze me gezien?
Hij luisterde of haar voetstappen verder gingen, maar hoorde niets meer. Tegen de tijd dat hij voorzichtig de hoek omliep, bleek de gang verlaten te zijn. Teleurgesteld keek hij om zich heen.
Verdraaid, nu is ze me weer ontglipt.
Al een week probeerde hij Wemel te betrappen zodra ze wegglipte uit de Grote Zaal of de bibliotheek; hij wist gewoon dat ze iets in haar schild voerde.
Albus had niets in de gaten. Die slikte de excuses en smoesjes van zijn nicht als Ketelkoek.
Maar hij niet. Hij was een Zwadderaar in Salazars naam; hij herkende de tekens!

Met ingehouden adem stond Roos Wemel achter het standbeeld van Stinkadorus de Slungelige met het gevoel dat iedereen in de nabijgelegen gangen haar wild kloppende hart kon horen. Zeker de onbekende die haar naar de zevende verdieping verdreven had. Wie het was, wist ze niet, maar sinds een paar dagen merkte ze dat ze gevolgd werd als ze ongemerkt probeerde weg te glippen.
Ze vermoedde dat het James was of anders haar broertje Hugo en ze wilde absoluut niet dat haar familie wist waar ze mee bezig was. Voorlopig nog niet in ieder geval.
Vandaar dat ze nu hier stond te wachten; om te ontdekken wie van de twee het was. En als hij niet stopte met dat vervelende gedoe dan was een uil naar oma Molly met een subtiel berichtje vast voldoende!
Gespannen luisterde ze en toen ze na een paar minuten zacht geschuifel hoorde, gluurde ze voorzichtig over de schouder van Stinkadorus. Zodra ze zag wie er de gang in liep, viel haar mond open.
Scorpius Malfidus!
Hij stond midden in de gang stil en keek fronsend om zich heen. Vlug dook ze weg en haar verbazing werd vervangen door ergernis.
Die vervelende Zwadderaar! Ik had het kunnen weten.
Albus mocht dan een stuk beter met Scorp – zoals hij hem noemde – overweg kunnen, sinds professor Lubbermans hen samen had laten werken aan een project over Boomtrul-etende planten in hun vierde jaar. Roos had echter nog steeds haar bedenkingen.
De blonde klassenoudste kon haar de laatste tijd af en toe zo vreemd aankijken alsof hij iets wist van haar geheime project. Albus was veel makkelijker om de tuin te leiden.
Toen Scorpius zich uiteindelijk omdraaide en terugliep, wachtte ze nog vijf minuten voor ze zich in de gang waagde. Ze baalde er van dat de avond inmiddels al half voorbij was.
Telkens achterom kijkend, nam ze een sluiproute terug naar de vijfde verdieping om daar aan het eind van de gang een leeg lokaal binnen te glippen.
Terwijl ze tegen de binnenkant van de deur leunde, zuchtte ze opgelucht.

“Hé Scorpius, heb jij je werkstuk voor Gedaanteverwisseling al af?”
Scorpius knikte en griste nog een stuk toast van de schaal.
“Mag ik het even inzien?”
David Noot keek hem vragend aan.
“Wat heb je er voor over?” reageerde Scorpius automatisch. Voor niets mag dan de zon opgaan, maar daar blijft het in Zwadderich dan ook bij.
“Een half pond karamel van Zacharinus?” onderhandelde David.
“Een pond! Ik heb tien centimeter meer dan opgegeven was,” eiste Scorpius en toen David knikte, haalde hij het werkstuk uit zijn tas om het aan zijn klasgenoot te geven.
Scorpius’ blik gleed naar de tafel van Ravenklauw en hij beantwoordde het hoofdschudden van een lachende Albus met een grote grijns. Zijn ogen gleden over de andere zesdejaars Ravenklauwen en ontmoetten die van Roos Wemel. De blik die ze hem toewierp, kon alleen maar als ‘vuil’ bestempeld worden.
Hij keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan, maar ze negeerde hem verder en draaide zich opzij om iets tegen Albus te zeggen.
Hij nam een slok pompoensap en besloot om er die avond eindelijk achter te komen wat Wemel in haar schild voerde.

Hopelijk lukte het vanavond, dacht Roos terwijl ze een kopje thee voor zichzelf inschonk. Ze hield de theepot omhoog voor Albus en kauwend op een stuk gebakken spek, schoof hij zijn kopje in haar richting.
Ze was zo dichtbij, ze voelde het gewoon. Ze kon de theorie inmiddels dromen en kon de spreuk bijna perfect uitvoeren. Als het niet om Scorpius Malfidus was, zou het haar gisteren vast gelukt zijn. Maar toen ze had ontdekt dat hij degene was die haar achtervolgd had, kon ze zich niet meer genoeg concentreren.
Ik moet vanavond extra goed opletten. Wie weet wat Malfidus doet als hij ontdekt dat ik …
Gegrinnik haalde haar uit haar gedachten. De blik van Albus volgend, ontmoette ze de grijnzende blik van Malfidus. Ze sneerde. Hij keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan en ze greep haar kopje zo stevig beet dat haar knokkels wit afstaken tegen het gele porselein.
Het lef.
Ze haalde diep adem in een poging zich te ontspannen en draaide zich om naar Albus met de vraag of ze ’s avonds samen in de bibliotheek konden studeren. Bij het zien van zijn onbevangen blik voelde ze zich een ogenblik schuldig om haar misleiding, maar ze moest en zou Malfidus zien te ontwijken.

Diep weggedoken in een nis wachtte Scorpius die avond tot de onbewerkte houten deur naar de leerlingenkamer van Ravenklauw openging.
Hij dacht even aan Albus die nu niet alleen vergeefs op hem wachtte, maar vermoedelijk ook op zijn nicht.
De deur zwaaide langzaam open en de bronzen adelaar die als klopper diende, leek Scorpius aan te staren. Met ingehouden adem zag hij Roos Wemel de gang in stappen en behoedzaam om zich heen kijken. Toen draaide ze zich naar links en liep snel de gang door. Scorpius wachtte een paar minuten en begon haar dan uiterst voorzichtig te volgen.
De Steelse Pasbezwering die hij vanmiddag in de bibliotheek ontdekt had, zorgde ervoor dat zijn voetstappen geluidloos die van haar konden volgen.
Ze leidde hem diverse gangen door en trappen op en af. Regelmatig stopte ze om rond te kijken, maar ze merkte Scorpius niet op. Net toen hij zich ging afvragen of ze toch wist dat hij er was en hem van zich af probeerde te schudden, zag hij haar een lokaal binnenglippen. Hij had inmiddels geen idee meer op welke verdieping hij zich bevond; toen hij om zich heen keek, herkende hij niets in de verlaten gang.
Zachtjes sloop hij naar de deur die inmiddels in het slot was gevallen. Er was geen sleutelgat dus hij drukte zijn oor tegen het hout in de hoop iets op te vangen. Hij hoorde echter niets.
Twijfelend staarde hij naar de deur. Wat nu? Als hij te vroeg binnenstapte, was er misschien nog niets te zien. Hij besloot tien minuten te wachten. Het risico dat het lokaal een tweede uitgang had, moest hij maar nemen.

Roos sloot haar ogen en begon zich te concentreren. Nu ze wist dat Scorpius met Albus had afgesproken en ze niemand had gehoord of gezien op weg hier naar toe, was ze minder afgeleid.
Haar mantel lag netjes opgevouwen op een tafel naast haar tas. Het open boek waarin ze nogmaals de belangrijkste punten had gelezen, lag er bovenop.
Ze haalde diep adem, verzamelde al haar wilskracht bijeen en visualiseerde dat ze van binnenuit iets tegen haar lichaam duwde. Eén moment stond de tijd stil toen voelde ze hoe haar huid en spieren en pezen rond de botten in haar lichaam trokken.
Op het moment dat haar lichaam langer werd en haar evenwichtspunt veranderde, werd de deur tot haar ontzetting opengeduwd en hoorde ze een bekende stem uitroepen: “Merlijns baard! …is dat …?”
Verstijfd van angst bleef Roos staan en keek omhoog naar de opengesperde ogen van Scorpius Malfidus. Hoeveel had hij gezien? Zou ze kunnen ontsnappen en ergens ongezien terug kunnen veranderen? Ze keek achterom over de rossige vacht van haar schouders maar zag geen uitweg. Alleen de deur. Op het moment dat ze op de deur af wilde rennen, duwde hij hem met één hand dicht, keek met verwondering op haar neer en vroeg: “Wemel?”
O hemel, ze is erbij.

Toen Scorpius de deur van het lokaal openduwde en binnenstapte, was hij sprakeloos. Het ene moment stond daar Roos Wemel, het volgende moment veranderde ze in een dier met een prachtig glanzende rossige vacht. Dezelfde kleur als haar haar. Haar gezicht werd lang en spits en haar neus glanzend zwart. De vier poten waarop ze nu stond te trillen, hadden een roestbruine vacht en de klauwtjes waren zwart.
Ondanks de scherpe puntjes aan de gekromde zwarte nagels was Scorpius niet bang. Misschien omdat hij teveel onder de indruk was of misschien omdat het dier – Wemel herinnerde hij zichzelf – er banger uitzag dan hijzelf.
Hij liet zich ruggelings langs de deur naar beneden glijden tot hij op de grond zat, zodat hij niet langer boven haar uittorende.
“Wemel,” herhaalde hij dan.
Ze keek hem aan, haar donkere ogen wijd boven de spitse snuit. Haar onderkaak zakte een stukje open en hij zag een lange tong voorzichtig over puntige tanden glijden.
Zou dit de eerste keer zijn dat het haar gelukt is? Hij vermoedde van wel. Gek genoeg voelde hij niets van jaloezie. In plaats daarvan keek hij vol ontzag naar het prachtige dier voor zich.
Haast automatisch stak hij zijn hand uit, palm uitnodigend naar boven. Donkere ogen staarden in die van hem voordat ze aarzelend een paar stapjes naar voren deed. De prachtige diep roodbruine vossenstaart zwiepte met elke stap mee.
Hij hield zijn adem in toen hij zachtjes met zijn vingers door de zachte haren achter haar oren streek. De gedachte dat dit Roos Wemel was, het irritante nichtje van Albus, zou verontrustend moeten zijn, maar dat was het niet; het voelde juist heel natuurlijk.
“O Salazar, je bent prachtig,” fluisterde hij bewonderend.
Ze deed nog een paar stapjes naar voren en ging op haar achterpoten zitten. Opeens duwde ze speels met haar neus zijn kin omhoog en streek langs zijn kaak. Scorpius lachte een beetje beverig en bracht zijn andere hand omhoog om de dikke, weelderige vacht van de vos te strelen.
Plotseling veranderde het gevoel onder zijn vingers. Zodra hij besefte wat er gebeurde, trok hij zijn beide handen terug. Voor hem zat Roos Wemel weer in haar menselijke gedaante, heel dichtbij. Ze krabbelde gegeneerd overeind en deed een paar stappen naar achteren.
Scorpius voelde zijn wangen gloeien terwijl ook hij overeind kwam. Hij was blij dat hij de steun van de deur in zijn rug had.
“Zo uhm … dus uhm ….”
Hij schraapte zijn keel en wilde opnieuw beginnen, maar Wemel viel hem in de reden.
“Luister Malfidus,” haar stem klonk beheerst, maar hij merkte dat ze hem niet aankeek, “ik zou het op prijs stellen als dit onder ons bleef.”
Scorpius vroeg zich af wat ze precies met ‘dit’ bedoelde, het feit dat ze een Faunaat was of wat er net gebeurde toen …
Met moeite bracht hij zijn aandacht weer naar het gesprek.
“Bedoel je dat je niet van plan bent je te registreren?”
Ze knikte vastberaden.
“Kan ik erop rekenen dat je je mond houdt?” vroeg ze dringend en ze keek hem scherp aan, haar hoofd een beetje schuin. Het licht van een lantaarn viel op haar rossige haar en deed hem gelijk aan de vossenvacht denken.
“Oké, ik houd mijn mond, maar dan help jij me om ook een Faunaat te worden.”
Hij keek haar grijnzend aan, terwijl ze hem met wijd open ogen aanstaarde.
Voor niets gaat tenslotte alleen de zon onder.




Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Pagina  van 4 Volgende >>
Beantwoord bericht Plaats een nieuw onderwerp
Printbare versie Printbare versie

Spring naar forum
je kan niet nieuwe onderwerpen plaatsen in dit forum
je kan niet antwoorden plaatsen in dit forum
je kan niet berichten verwijderen in dit forum
je kan niet berichten bewerken in dit forum
je kan niet enquêtes creëren in dit forum
je kan niet stemmen in enquêtes in dit forum