Actieve onderwerpenActieve onderwerpen  Toon de lijst met forumledenLedenlijst  KalenderKalender  Doorzoek dit forumZoeken  HelpHelp
  RegistrerenRegistreren  InloggenInloggen
Korte Schrijfsels
 Het Harry Potter Forum : De Toren der Creatievelingen : De Bibliotheek : Korte Schrijfsels
Onderwerp: • Avana's one-shots Beantwoord bericht Plaats een nieuw onderwerp
<< Vorige Pagina  van 4 Volgende >>
Schrijver Bericht
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 04 juni 2010 om 18:41
Korte inhoud/omschrijving: Er is hem ook geen rust gegund! Severus Sneep overweegt zijn opties. Humor.


Sneeps Heiligdom

De deur van het klaslokaal zwaait met een piepend geluid open. Severus Sneep kijkt op van zijn boek en uit een hartgrondige verwensing als hij ziet wie hem hier durft te storen.
Hij betreurt opnieuw de snelheid waarmee de afgelopen maanden voorbij zijn gevlogen. Niets anders dan rust en stilte in de afzondering van zijn kamer met alleen het gezelschap van tientallen boeken.

Met een tevreden gezicht sloot Severus ‘Duistere Magiërs door de Eeuwen Heen’. Hij legde het dikke boek op het tafeltje naast zijn fauteuil en liet zijn ogen door de inmiddels vertrouwde ruimte dwalen.
Hoewel Minerva hem vorige week verzekerd had dat hij van harte welkom was om zich bij zijn collega’s te voegen, had hij uiterst beleefd voor de eer bedankt.
Hij genoot van de rust in dit ongebruikte lokaal in één van de afgelegen gangen van het kasteel. Hij huiverde bij de gedachte om dagelijks het gebazel van zijn collega’s aan te moeten horen en de wantrouwende of nieuwsgierige blikken te moeten zien.
Of de twinkelende ogen van Albus die door elk Occlumentieschild heen leken te boren. Hij huiverde opnieuw.

Minerva’s argumenten over de omgeving en zijn gebrek aan sociale contacten waren makkelijk ontzenuwd; het stof op de tafels en banken stoorde hem niet en de wandlange boekenkast achter hem was rijkelijk gevuld met oude en nieuwe vrienden.
Nooit gelezen boeken die al zolang tevergeefs naar hem gelonkt hadden en boeken die hij al decennia koesterde en keer op keer met behoedzaamheid van de houten planken pakte.
De kandelaars aan de muren gaven precies voldoende licht om bij te kunnen lezen, terwijl ze de rest van het lokaal in de donkere schaduwen hulden die hij prefereerde.
Zijn hand gleed over de armleuning van de fauteuil die ooit een prominente plaats in Weverseind had gehad. De stof was inmiddels glad geworden en een tint lichter dan het materiaal aan de achterzijde.
De aanwezigheid van zijn vertrouwde meubels – de fauteuil, de boekenkast, het tafeltje en het oude bureau links tegen de muur dat ooit van zijn moeder was geweest – vervulde hem met tevredenheid. De rest van het vertrek interesseerde hem weinig. Het was tenslotte niet zo dat hij wel eens bezoek ontving.
Minerva had hem verzekerd dat alleen de staf wist waar hij uithing en de meesten van hen respecteerden zijn wens of vreesden zijn snijdende tong en lieten hem met rust.
Nee, Severus genoot van de eenzaamheid en dankte Salazar dagelijks dat hij niet in dezelfde ruimte vertoefde als Everhard, Dina Deuvekater, Firminus Zwarts en Armando Wafelaar. Geen gestaar van leerlingen die bij het schoolhoofd op het matje moesten komen en vooral GEEN getwinkel van Albus.
Hij leunde naar achteren en sloot zijn ogen. Het leven was nog niet zo slecht als portret.

Severus betreurt zijn uitroep onmiddellijk als zijn ongenode gast het hoofd heft en een paar grote blauwe ogen hem verbaasd aankijken. De enigszins uitpuilende ogen doen hem aan een zekere huiself denken en hij rilt even bij de gedachte aan huis-elfen in zijn heiligdom.
“Goedemiddag, professor,” klinkt het dromerig vanuit de deuropening. Voor hij kan reageren dat het een veel betere middag zou zijn als ze zou vertrekken, stapt Loena Leeflang het lokaal binnen.
“Juffrouw Leeflang,” knikt hij daarom berustend. Hij hoopt dat ze gelijk weer zal vertrekken maar helaas begint ze opgewekt door het lege lokaal te lopen. Ze kijkt om zich heen alsof ze iets zoekt en mompelt onduidelijk voor zich uit.
Hij besluit net om haar te negeren en verder te lezen als ze zich naar hem omdraait.
“Heeft u misschien een Snuffelstoffer gezien, professor?”
“Een Snuffel – ?” herhaalt Severus verbouwereerd.
“Ja, ze houden het meest van donkere stoffige plaatsen zoals deze,” reageert ze opgewekt. “De huis-elfen doen natuurlijk hun best, maar een Snuffelstoffer zou nog veel sneller kunnen helpen met het stofvrij maken van het kasteel,” legt ze uit.
Ze kijkt hem verwachtingsvol aan, haar ogen wagenwijd open.
“Nee, juffrouw Leeflang. Je bent de eerste persoon die ik in dit lokaal heb gezien,” antwoordt Severus neutraal. “Of fabeldier,” voegt hij er mompelend aan toe en hij kan zich er met moeite van weerhouden om met zijn ogen te rollen.
Even lijkt ze teleurgesteld, dan kijkt ze hem vol begrip aan.
“Wat jammer! Daarom ziet het er hier natuurlijk zo somber uit.”
Tot zijn verbijstering loopt ze op zijn schilderij af en plukt iets viezigs uit haar vaalblonde haar dat ze aan de bovenhoek van zijn lijst hangt.
“’Bloemen maken een thuis,’ zei mijn moeder altijd.”
Nu pas herkent hij de enigszins gekneusde witte blaadjes en lila hartjes van de bloemen die in groten getale rond het meer groeien, maar nu als een verdraaide guirlande zijn uitzicht ontsieren.
“De volgende keer zal ik er meer meenemen,” verzekert ze een sprakeloze Severus.
Voor hij zijn stem teruggevonden heeft, is ze het lokaal uitgehuppeld.
“Oh Mordred en Morgana, alsjeblieft niet,” kreunt Severus.
Zelfs huis-elfen zijn beter te verteren dan dit opgewekte kind.

Die gedachte moet hij de volgende dag echter herzien als een luide ‘plop’ hem op doet schrikken.
“O meneer, daar bent u!” roept een oude huiself met een schorre krakende stem enthousiast. Het enige haar dat hij nog bezit, groeit in grote witte plukken uit zijn grote vleermuisachtige oren. Hij maakt een diepe buiging, kijkt om zich heen en uit dan een ontstelde kreet.
“Dit is verschrikkelijk. Dit is geen geschikte plaats voor iemand die Meester hielp de Heer van het Duister te verslaan!” Hij knikt zo heftig dat zijn oren bijna tegen zijn neus aanflapperen en begint heftig met zijn dunne armen te gebaren. “Knijster zal er onmiddellijk voor zorgen, meneer!”
Voor Severus er een woord tussen kan krijgen, verdwijnt de elf weer met een luide ‘plop’ om binnen de tijd van een langgerekte, hartgrondige zucht terug te keren met een half dozijn huis-elfen in zijn kielzog.
Hoewel Severus hen tracht te verzekeren dat hij zeer tevreden is over de huidige accommodatie, is er niemand die hem verstaat over de luidruchtige manier waarop Knijster de anderen instructies geeft.
In mum van tijd is de hele omgeving stofvrij; de vloer glimt en de tafels glanzen in het zachte licht van de vele kaarsen die aangestoken zijn, en alle huis-elfen op Knijster na zijn verdwenen.
“Knijster komt terug als het hier weer stoffig wordt, meneer!” verzekert de elf hem tot zijn grote schrik. “Nee, nee,” gaat hij verder als hij ziet dat Severus hem wil onderbreken, “meneer hoeft niet bescheiden te zijn. U bent een held en een held verdient het beste!”
Zijn oren flappen weer bijna tegen zijn neus als hij nadrukkelijk knikt. Hij boog opnieuw en verdwijnt dan met een ‘plop’.
Zodra hij eindelijk weer alleen is, staat Severus op en begint gefrustreerd tussen zijn lijst heen en weer te lopen.
“Merlijn! Wat moet ik doen om met rust gelaten te worden? Is dit mijn straf voor al die jaren dat ik in opdracht van Albus voor de Heer van het Duister in het stof moest kruipen? Of mijn beloning?” voegt hij er sarcastisch aan toe als hij aan de woorden van de huiself denkt.
“Het enige dat ik wil, is rust en stilte! Is dat teveel gevraagd? Geen huis-elfen! Geen leerlingen!”
Geagiteerd haalt hij een hand door zijn haar. “En als er dan toch iemand naar binnen moet stappen, laat het dan in Salazars naam een Zwadderaar zijn!”

Helaas is het geen Zwadderaar die hem de volgende avond uit ‘De 100 Zeldzaamste Toverdrankingrediënten’ haalt. Tandenknarsend moet hij toe zien hoe Hermelien Griffel behoedzaam de deur opent. Haar gezicht klaart op als ze het schone, lege lokaal in zich opneemt en ze sluit de deur voordat ze naar een tafel in het midden van het lokaal loopt waar ze haar tas begint uit te pakken.
“Juffrouw Griffel, kun je mij uitleggen wat de bedoeling is van dit onaangekondigde bezoek,” vraagt hij op kille toon.
Een stapel boeken valt met een klap op tafel als Griffel geschrokken opkijkt.
“P - professor Sneep.”
“Heel goed, juffrouw Griffel. Jammer genoeg kan ik je geen punten toekennen voor deze juiste conclusie.”
Zwijgend staart ze hem aan.
“Mag ik je verzoeken een ander lokaal te zoeken voor wat het ook is dat je hier komt doen?” Hij maakt een wuivend gebaar naar de deur dat Griffel negeert. Na een korte stilte antwoordt ze echter op die irritante betweterige toon die hij nooit meer had willen horen: “Sorry professor, maar dit is de eerste plek die niet alleen afgezonderd is, maar ook schoon. Het is bijna onmogelijk om dit jaar nog ergens rustig te studeren.”
Kalm gaat ze zitten en zoekt tussen haar spullen naar haar veer en inkt.
“Je kunt hier onmogelijk gaan studeren,” roept Severus geërgerd als Griffel haar boek openslaat en een stuk perkament uitrolt.
“Wat wilt u er aan doen, professor?” vraagt ze op beleefde toon. “Me vervloeken met de Cruciatusspreuk? Strafwerk geven? Punten van Griffoendor aftrekken?” Haar donkere ogen glinsteren als ze vervolgt: “O nee, dat kunt u niet meer, hé?”
Verontwaardigd opent Severus zijn mond op zoek naar een afdoend dreigement.
“Ik … ik … uh, ik kan het schoollied zingen tot je hier vertrekt,” flapt hij er tot zijn ontzetting uit.
“Al zong u iets van Celine Malvaria, ik blijf!” zegt Griffel tergend en hem negerend buigt ze zich over haar perkament.
Dat is de druppel die Severus´ ketel doet overstromen. Hij moet zorgen dat ze verdwijnt, moet haar concentratie verstoren. Hij graaft in zijn geheugen en herinnert zich een lied dat Molly Wemel tijdenlang kweelde.
Hij schraapt zijn keel.
“O, roer eens in mijn ketel …”
Hij kijkt nijdig naar Griffel die zachtjes giechelt. Oké, zijn stem is een beetje roestig, maar des te eerder heeft ze er genoeg van!
“Want roer je naar mijn zin,
Dan heb je ’t deze nacht niet kou-oud.”

Als zijn stem overslaat, bijt Griffel hard op haar lip en haar schouders schokken. Voor hij verder kan gaan, begint ze warempel te applaudisseren.
“Erg amusant, professor. Als ik niet moest studeren voor mijn PUISTen  zou ik Bis, Bis roepen. Maar helaas, een andere keer misschien.”
Ze pakt haar toverstok en wijst naar zijn schilderij. “Silencio!”
Sprakeloos, zowel van de spreuk als van haar brutaliteit, staart hij haar aan, maar Griffel heeft zich al weer over haar boeken gebogen.
Severus besluit om niet te rusten voor hij een boek vindt waarin uitgelegd wordt hoe hij vanuit een schilderij vervloekingen kan afvuren. Als hij tenminste ooit aan lezen toekomt met al dat bezoek.

“Wil de juffrouw misschien iets drinken?” krast Knijster twee dagen later tegen Hermelien Griffel.
“Graag Knijster! Een kopje thee zou lekker zijn,” zegt ze op dankbare toon. “Misschien kun je een pot brengen met wat kopjes. Als het goed is, komen Ron en Harry ook zo.”
Terwijl Knijster haar verzekerd dat niets hem teveel is voor Meester en zijn vrienden, zit Severus verstijfd in zijn fauteuil.
O Merlijn, kan het nog erger worden?
Het feit dat hij zijn fauteuil al omgedraaid heeft en niet langer zichtbaar is voor de steeds groter wordende studenteninvasie, is nauwelijks een troost. Als hij zijn toverstok kon gebruiken, zou hij een Silencio afvuren om niet gedwongen naar Griffoendors en Ravenklauwen te moeten luisteren. Om van de huis-elfen maar niet te spreken. En als hij een Tijdverdrijver in handen kon krijgen, zou hij persoonlijk Draco’s toverstok aan de Heer van het Duister overhandigen. Alles beter dan getuigen te zijn van Potters fanclub.
En het lijkt elke keer erger en erger te worden. Deze zaterdag arriveren niet alleen Potter en Wemel in een luide discussie over Zwerkbal, steekt Griffel een preek af over het belang van PUISTen voor wie een baan gaat zoeken en maakt Knijster met een roze plumeau zijn lijst schoon. Bovendien huppelt Leeflang binnen met haar armen vol onkruid waarmee ze de muren en – natuurlijk – de schilderijen begint te versieren.
Net als hij denkt dat het niet erger meer kan, zwaait de deur weer open. Severus kijkt in de verzilverde handspiegel die van zijn moeder is geweest en ziet Draco Malfidus naar binnen stappen. Op ieder ander tijdstip een welkome gast, maar niet nu zijn komst een oorverdovend geschreeuw veroorzaakt.
“Wat kom jij hier doen, Malfidus?” roept Wemel terwijl hij overeind springt.
“Ik geloof niet dat ik verplicht ben dat te vertellen, Wezel,” zegt Draco uit de hoogte en hij kijkt met opgetrokken wenkbrauwen om zich heen. “Maar mocht mijn volle tas met boeken je minieme hersenen geen idee geven van mijn intentie, dan wil ik wel verduidelijken dat je meestal alleen in het weekend met schoolboeken rondloopt als je een plek zoekt om te studeren.”
Potter grijpt Wemel bij zijn arm en kan zijn rood aangelopen vriend er nog net van weerhouden Severus’ favoriete leerling aan te vliegen. Knijster wil voor “Meester Ron” in de bres springen en stormt met de plumeau op Draco af.
“STOP!” De schrille stem van Griffel is een aanslag op Severus’ trommelvliezen, maar het resultaat is een gezegende stilte. Heel kort helaas.
“Maar Hermelien …,” begint Wemel verontwaardigd.
“Geen gemaar, Ron! Ik heb eindelijk een plaats gevonden om rustig te kunnen studeren en dat laat ik niet verpesten door achtstejaars die zich gedragen alsof ze nog elf zijn.” Haar ogen schitteren van ingehouden woede en haar houding doet Severus aan Molly Wemel denken.
Wemel maakt nog wat sputterende geluiden, maar durft blijkbaar niet tegen zijn vriendin in te gaan.
“Wil je ook een kopje thee, Draco?” klinkt het dromerig. “Er is geen Borselkruidthee vandaag, maar dat geeft niet want er zijn geen Zompiezuigers in de buurt.”
Draco staart haar uitdrukkingsloos aan, voordat hij zwijgend naar de verste hoek van het lokaal loopt en zijn boekentas op een tafel deponeert.
Potter kijkt naar Wemel, haalt zijn schouders op en gaat tegenover Griffel zitten. Wemel volgt met duidelijke tegenzin zijn voorbeeld. Leeflang huppelt naar een muur die nog niet versierd is en Knijster loopt weer terug naar Severus’ schilderij, zwaaiend met zijn verenbos.
Genoeg!
Severus besluit dat er maar één ding minder erg is dan dit en voor het eerst sinds hij opgehangen is, verlaat hij zijn schilderij.

“Minerva, is het mogelijk om van je aanbod gebruik te maken en de gastvrijheid van je kantoor te accepteren?” vraagt hij als hij eindelijk een lege lijst heeft gevonden in haar cirkelvormige kantoor. Het schoolhoofd kijkt verrast op, maar voor ze kan reageren, klinkt er een andere stem verontrustend dicht bij.
“Ah Severus, mijn jongen, wat een genoegen je eindelijk weer eens te zien.”
Als Severus ontdekt dat niemand minder dan Albus Perkamentus zijn lijst binnenloopt en een hand op zijn schouder plaatst, stijgt zijn hartslag nog sneller dan tijdens een les met Lubbermans.
“Een zuurtje?” vraagt zijn vroegere mentor met twinkelende ogen.
Aaaargh! Severus sluit zijn ogen een moment in wanhoop terwijl hij overweegt om terug te gaan naar zijn schilderij.
Dan herinnert hij zich de bloemenkrans, de plumeau, de irritante stem van Griffel en het geruzie van Wemel. Hij draait zich om naar Minerva en zegt, ten einde raad: “Bij Merlijns gestreepte onderbroek, verbrand alsjeblieft mijn schilderij!”

~o~o~o~

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 21 juni 2010 om 11:07
Korte inhoud/omschrijving: ‘Verbijsterd staren beide jongens elkaar aan. Ze zijn bijna even lang, hebben allebei hetzelfde warrige, zwarte haar …’
Het plan van Sirius om James te helpen Lily voor zich te winnen, pakt een beetje verkeerd uit.


Wat als … ?

“Oemph!” klinkt het als Harry onverwacht ergens tegen opbotst. Om hem heen is niets te zien. Hij doet heel voorzichtig een paar passen terug en controleert of hij nog goed bedekt wordt door zijn Onzichtbaarheidsmantel. Even vraagt hij zich af wie er net als hij ’s avonds laat door het kasteel zwerft maar dan heeft hij het spreekwoordelijke Lumosmoment.
“Foppe!” fluistert hij nijdig, maar zwijgt meteen als hij zich realiseert dat zijn uitroep in tweevoud komt.
Meer nieuwsgierig dan ongerust trekt hij vastberaden de gladde stof van zich af. Verbouwereerd ziet hij hoe er voor hem nog iemand uit het niets verschijnt.
Is er nog iemand met een Onzichtbaarheidsmantel op Zweinstein?
Schoenen, lange benen, een wit overhemd met een Griffoendordas en tenslotte het hoofd.
Verbijsterd staren beide jongens elkaar aan. Ze zijn bijna even lang, hebben allebei hetzelfde warrige, zwarte haar en houden een identieke zilverachtige mantel in een hand die slap langs het lichaam hangt. Alleen hun ogen …
Harry is de eerste die zijn stem terugvindt.
“Pa?” vraagt hij aarzelend, maar dat klinkt wel heel erg raar tegen een leeftijdsgenoot.
“J-James?” zegt hij daarom.
De ander knikt wezenloos en blijft hem verwilderd aanstaren.

James kan geen woord uitbrengen bij het zien van de jongen voor hem. Eén moment denkt hij dat Sirius’ plan geslaagd is en dat hij tegen zijn vijf jaar jongere ik is opgebotst. Dan ziet hij die ogen. Groene ogen. Van hetzelfde groen waardoor hij meerdere malen per dag wordt betoverd. Hij knippert met zijn ogen als hij beseft wat de jongen net zei.
Pa? WAT?
Hij struikelt bijna over zijn mantel als hij onbewust een paar stappen achteruit doet.
“Welk jaar?”
Zijn stem kraakt alsof hij in tijden niet gebruikt is.
Vreemd genoeg begrijpt de ander precies wat hij bedoelt.
“1996”, komt het antwoord gelijk.
Weer valt er een minutenlange stilte waarin James ongelovig denkt: 1996? Dan zit ik 25 jaar verkeerd!
Uitgebreid observeren ze elkaar.
“Je ogen …,” brengt James tenslotte uit.
De ander grijnst. “… zijn net die van m’n moeder, ik weet het.” En na een korte pauze voegt hij eraan toe: “Van Lily.”
James grijnst automatisch terug.
O Merlijn, denkt hij dan ademloos, Lily’s ogen. Dit is haar zoon. Er is iets fout gegaan met hun berekeningen.
“Lily’s zoon,” vraagt hij voor de zekerheid. Hij komt nog niet verder dan zinnen van twee woorden. Als de jongen knikt, gaat hij verder: “Mijn zoon?”
Opnieuw een bevestigend gebaar plus een uitdrukking van pure blijdschap.
James slikt.
Hij wil op die ander – zijn zoon – afrennen en hem omhelzen.
Hij wil zich omdraaien en hard wegrennen.
Uiteindelijk blijft hij roerloos staan.
“Hoe … wat is … naam?”
En weer begrijpt de jongen wat hij bedoelt.
“Harry.”
“Harry,” herhaalt James. Zou haar vader zo heten?
“Harry James Potter!” zegt zijn zoon trots.

~*~*~*~

Twee paar voetstappen weerklinken door de gangen. Harry heeft besloten James mee te nemen naar de leerlingenkamer. Hij hoopt dat Ron en Hermelien nog niet naar bed zijn zodat ze samen kunnen bedenken wat ze moeten doen.
Het is vreemd om voor de verandering zelf naast een onzichtbaar iemand te lopen, zeker nu hij dat zelf ook weer is. Als James trouwens niet stopt met praten, kunnen ze hun Onzichtbaarheidsmantels beter afdoen, denkt Harry grinnikend. Niet dat het hem iets kan schelen. Al staat Malfidus samen met Vilder en Sneep om de volgende hoek; zijn vader is hier!
James lijkt zijn houding teruggevonden te hebben en vertelt over het plan van Sirius om James terug in de tijd te sturen zodat hij de eerste kennismaking met Lily over kan doen en haar eerste indruk van hem kan veranderen.
Tussendoor stelt hij enthousiast de ene na de andere vraag. Harry geeft automatisch antwoord, nog te vol van de gebeurtenissen om zelf vragen te stellen.
“Blijkbaar is ze tenslotte toch voor mijn charmes bezweken.”
James’ stem is een mengeling van hoop en zelfverzekerdheid.
“Wanneer ben je geboren? 1980? Wauw, dan zijn we jong getrouwd. Ik heb toch wel een eerzame vrouw van Lily gemaakt?”
Harry voelt iets tegen zijn schouder botsen als James hem blijkbaar een speelse duw wil geven.
“Hebben we nog meer kinderen gekregen? Nee? Dan hebben we je zeker lekker verwend?”
De stem van James klinkt plagend maar Harry denkt aan de Duffelingen en zwijgt verward. Wat moet hij in Merlijns naam vertellen over zijn leven?
Als ze de gang op de zevende verdieping in lopen, ziet Harry Ron en Hermelien net het portretgat uitstappen. Beide met een bezorgde uitdrukking op hun gezicht. Hij krijgt opeens een idee en voelt op de tast naar waar hij James vermoedt.
Hem voorzichtig naar zich toe trekkend, fluistert hij zacht: “Dat zijn mijn beste vrienden, doe jij de mantel als eerste af?”
Een zacht gegrinnik is zijn antwoord.

Als ze het tweetal bijna genaderd zijn, gooit James met een zwierig gebaar de mantel van zich af en grijnst naar de twee onbekenden voor hem. Degene met rood haar en een overdaad aan sproeten – dat moet een Wemel zijn, denkt James – roept uit: “Hee, waar bleef je nou, maat?”
De ander – een meisje met lang, bruin krullend haar en doordringende ogen – blijft staan en houdt de Wemelknul tegen.
Fronsend kijkt ze James aan. Haar ogen glijden over zijn kleren, over het zwarte haar dat door de mantel statisch omhoog staat en blijven tenslotte hangen bij zijn gezicht.

Hij had kunnen weten dat hij Hermelien niet voor de gek kan houden, denkt Harry als hij ziet hoe ze James observeert. Ze kijkt even naar de lichtbruine ogen achter de brillenglazen voordat haar blik naar James’ voorhoofd glijdt.
Harry ziet dat ze haar greep op Rons arm verstevigt.
“Hé, pas op! Ik moet zaterdag nog keepen met ...”
“Ron, dat is Harry niet!” onderbreekt ze hem geërgerd. Ron kijkt haar verbaasd aan, maar voor hij iets kan zeggen, werpt Harry zijn mantel af. Hij doet twee stappen naar voren en gaat grinnikend naast James staan.
Rons mond valt open. Hermelien’s ogen verwijden zich.
“Harry, wie is dit?” vraagt ze ademloos.
Harry grijnst naar zijn vader die met een identieke uitdrukking terugkijkt en zegt: “Hermelien, Ron, dit is James Potter!”

~*~*~*~

“Dus in plaats van vijf jaar terug, ging je twintig jaar vooruit in de tijd,” ondervraagt Hermelien James en ze schudt afkeurend haar hoofd.
“Sodeknetter! En dat enkel omdat een meisje je niet ziet staan?” roept Ron ongelovig uit.
Hermelien werpt hem een verontwaardigde blik toe en mompelt iets als lepeltje.
Het viertal zit voor de open haard in de leerlingenkamer waar James net zijn hele verhaal verteld heeft. Het is inmiddels al diep in de nacht.
Harry’s ogen zijn al die tijd op James gefixeerd alsof hij bang is dat zijn vader – zijn vader! – verdwijnt als hij even zijn ogen afwendt.
Ron staart nog steeds af en toe verdwaasd van Harry naar James en weer terug. Wat vreemd is, vindt Harry, want als er iemand gewend is aan familieleden met een identieke gelijkenis, is het Ron wel.
Zoals gewoonlijk is Hermelien degene die de vragen stelt en de feiten boven tafel krijgt.
“Ja,” reageert James op Hermeliens vraag, ondanks dat die alleen al door haar toon niet anders dan retorisch kan zijn, “ik heb alleen geen idee hoe het misgegaan kan zijn. Remus is altijd zo precies. Maar Peter hielp hem, misschien dat hij een foutje …”
“Die rat?” reageert Ron opeens fel.
James kijkt hem verbaasd aan maar Hermelien legt Ron onmiddellijk het zwijgen op: “Nee Ron! Je kunt niets zeggen. Je weet niet wat de consequenties zijn.”
Harry springt nu op uit zijn fauteuil en roept uit: “Maar Hermelien, als hij weet wat er gaat gebeuren dan kan hij iemand anders kiezen als …”
Het is onmogelijk zijn zin af te maken want Hermelien heeft vliegensvlug haar toverstok getrokken en ‘Silencio’ geroepen. Ze herhaalt de spreuk voor de zekerheid bij Ron, zegt verontschuldigend tegen James ‘Een ogenblikje’ en trekt haar verontwaardigde vrienden mee naar de andere kant van de leerlingenkamer.

Opnieuw heft ze haar toverstok, om eerst ‘Finite Incantatum’ uit te spreken, gelijk daarop gevolgd door de Murmelio spreuk.
Harry kijkt haar vreemd aan bij het horen van die laatste spreuk en ze reageert ongeduldig: “Ja, ik weet het. Maar dit is niet de tijd om het over de Halfbloed Prins te hebben. Jullie moeten snappen hoe gevaarlijk het is om ook maar iets tegen James te zeggen over deze tijd.”
Automatisch kijken ze alle drie naar de jongen bij de haard die nu verward met zijn hand over zijn oren wrijft.
“Maar Hermelien, als hij weet wat er gaat gebeuren …”
Weer onderbreekt ze hem: “Harry, tijdreizen is niet zonder gevaar. Ik dacht dat je dat in het derde jaar wel geleerd had. Je kunt nooit volledig inschatten welke gevolgen de kleinste verandering in het verleden op de toekomst zal hebben.
En ook als Pippeling niet de Geheimhouder van je ouders was geweest, was er nog de dreiging van V-Voldemort.”
“Maar dan zouden mijn ouders hebben geleefd. Dan zou Sirius …” Harry’s stem stokt.
“En misschien zou V-Voldemort besloten hebben dat Marcel degene was over wie de profetie sprak. Zou zijn moeder hetzelfde gedaan hebben als de jouwe?” gaat Hermelien onverstoorbaar verder, hoewel haar bruine ogen mededogen uitstralen.
“Het punt is dat we dat niet weten, Harry. We weten niet wat als … Niet ten goede en niet ten kwade. Wat als we door iets in het verleden te veranderen, datgene mislopen of kwijtraken dat ons moet helpen Voldemort te verslaan?”
Hermelien zwijgt.
Harry kijkt naar Ron die zijn schouders ophaalt en hem hulpeloos aankijkt. Dan dwaalt zijn blik naar James die in gedachten verzonken in het schijnsel van de open haard staat.
Wat als…?

Wat als James besluit dat de relatie met Lily zo’n tragische einde heeft dat hij tenslotte een ander kiest?
Wat als Harry nooit geboren wordt?

Harry vraagt zich af of de profetie dan alleen op Marcel zou hebben geslagen. Zou Marcel dan de Vloek des Doods overleefd hebben? Zou hij ‘de Uitverkorene’ zijn geweest?
Harry’s gedachten gaan van de verlegen, stuntelige eerstejaars naar het SVP-lid dat vorig jaar heeft meegevochten in het Ministerie.
Een flauwe glimlach speelt om zijn mondhoeken.
Waarom niet?
Dan verstrakt zijn mond.
Omdat het niet eerlijk is om de gebeurtenissen te veranderen en een ander mijn lot te laten dragen. Ongeacht of ik zelf in die nieuwe toekomst zal leven of niet. Hoe kan ik daarvoor kiezen? Hoe kan ik dat voor mezelf verantwoorden?
Harry sluit zijn ogen en denkt voor de zoveelste keer terug aan het moment dat Perkamentus die woorden van de profetie uitsprak.

'… de Heer van het Duister zal hem aanmerken als zijn gelijke, maar hij zal een kracht bezitten die de Heer van het Duister niet kent … en een van de twee moet sterven door toedoen van de ander, want de een kan niet voortleven als de ander niet dood is … '

Volgens Perkamentus is de kracht die genoemd wordt ‘liefde’.
De liefde waardoor zijn moeder zich heeft opgeofferd. De liefde die Harry blijkbaar zelf bezit. Hij vraagt zich schamper af hoeveel dat kan zijn met alle liefde die hij vanaf zijn eerste jaar heeft moeten ontberen.
Wat als hij bij liefdevolle ouders zou zijn opgegroeid? Hij heeft er vaak genoeg stiekem over gefantaseerd maar nu denkt hij er serieus over na.
Een uitspraak van zijn vader eerder die avond schiet door hem heen.
“Hebben we nog meer kinderen gekregen? Nee? Dan hebben we je zeker lekker verwend?”
Zou zijn moeder haar kind net zo weinig hebben kunnen weigeren als haar zus dat kon?
Zou zijn vader ook een plaats in het Zwerkbalteam hebben gekocht voor zijn zoon, net als Lucius Malfidus?
Harry snuift. Hij ziet noch zijn neef noch Draco Malfidus hun makkelijke leventje opgeven om onrecht te bestrijden ongeacht wat een oude profetie voorspelt.
Zou hij, Harry, dat wel doen? Zou hij genoeg gemotiveerd zijn om Voldemort te doden als hij door hem niet zoveel verloren had?

Hij zucht en opent zijn ogen om de bezorgde blik van zijn beste vriendin te ontmoeten.
Langzaam knikt hij om te laten weten dat hij haar begrijpt. Ze kijkt hem onderzoekend aan en het volgende moment vliegt ze op hem af en voelt hij een vochtige wang tegen zijn hals drukken.
“Het spijt me, Harry,” zegt ze schor.
“Ssst, ik weet het.”
Hij wiegt haar zachtjes heen en weer en voelt zichzelf ook getroost door dat gebaar. Langs haar bruine krullen kijkt hij naar Ron.
De ongewoon ernstige uitdrukking op het gezicht van zijn vriend zegt duidelijk: ‘Wat je ook beslist, ik sta achter je, maat!”
Harry’s ogen dwalen naar de jongen die hij een paar uur geleden ontmoet heeft en terug naar degene waarmee hij al vijf jaar lang lief en leed deelt.
Hij omhelst Hermelien nog een keer voor hij haar loslaat en bedenkt dat liefde in allerlei vormen komt.

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 09 juli 2010 om 10:12
Mijn zomeruitdaging voor 5NOT!3, die graag een humoristisch verhaal wilde met Dobby & Knijster. Of het sitcom-achtig is geworden weet ik niet zeker, misschien meer slapstick xD
De combinatie van de woordjes die je aanvroeg (toilet, brandblusser en talisman), inspireerde me tot dit verhaal ;) Ik hoop dat het aan je verwachtingen voldoet.


Gekrompen geluk

‘Ook al loopt je kennis van de toverwereld elf jaar achter, je hebt inmiddels toch wel ontdekt dat er spreuken zijn om ongelukjes met vuur op te lossen,’ sneerde de blonde Zwadderaar terwijl hij de kraan dicht draaide en met zijn vochtige handen langs zijn gewaad streek. Betrapt worden in de wc van Jammerende Jenny maakte hem niet aangenamer, dacht Hermelien.
‘Niet iedere eerstejaars is al vanaf de wieg gedrild om overal de beste in te zijn, Malfidus!’ snauwde ze terwijl ze op de deur af liep. ‘Er is ook niet altijd een leraar aanwezig als onderlinge ruzies uit de hand lopen,’ voegde ze daar over haar schouder aan toe en duwde de deur van de toiletruimte op de eerste verdieping open. De ogen van de Zwadderaar vernauwden zich. Hij wierp een laatste blik in de spiegel achter zich en volgde Hermelien naar de gang.
‘Een echte heks zou, als ze zo bezorgd was, de keuze maken om de eerstejaars bijles te geven,’ zei Draco hooghartig, ‘en niet het hele kasteel vol hangen met van die lelijke, rode Dreuzelbrussels.’
‘Het zijn brandblussers, Malfidus, geen brussels!’ reageerde Hermelien vinnig.

Terwijl de stemmen van de opponenten wegstierven, verschenen er twee paar gezichtjes om de hoek van het achterste toilet. De jongste keek nieuwsgierig naar het vuurrode, metalen apparaat dat nu aan de muur hing. De ander, een oude huis-elf met een smerige theedoek rond zijn lendenen geknoopt, zei met een krassende stem: ‘Het Modderbloedje hoort niet zo te spreken tegen de nobele jongeheer Malfidus.’
‘Noem juffrouw Griffel niet zo,’ piepte de andere huis-elf. Zijn groene, bolle ogen fonkelden van verontwaardiging. ‘De vriendin van Harry Potter is de slimste heks op Zweinstein. Meneer Harry Potter zegt het zelf!’ Hij knikte heftig op en neer om zijn woorden kracht bij te zetten.
‘Knijster noemt het Modderbloedje zoals hij wil,’ zei de oude elf uitdagend. ‘Zelfs als het verboden wordt door die … Meester.’ Hij zag kans het laatste woord vol minachting uit te spuwen.
‘Neem dat terug,’ gilde Dobby met een hoog stemmetje. Hij stormde op Knijster af en pakte hem bij zijn knokige schouders. ‘Neem. Dat. Terug!’ herhaalde hij en schudde Knijster door elkaar zodat hun oren bij ieder woord tegen elkaar flapten.
‘Blijf van Knijster af, jij vriend van Modderbloedjes,’ gromde Knijster woest en duwde Dobby uit alle macht van zich af. Dobby ontdekte dat die magere armpjes sterker waren dan ze eruit zagen, toen hij terug in het toilethokje vloog en tegen de wc smakte. Door de klap schoot het touwtje dat hij om zijn nek had hangen, over zijn hoofd en verdween, gevolgd door een donker voorwerp, in de pot.
‘Neeeee,’ gilde Dobby hysterisch. Hij greep de pot beet met zijn knobbelige kleine knuisten en boog zich zover voorover dat zijn vleermuisoren bijna in het water hingen.
‘Niet Dobby’s sok,’ jammerde hij. ‘Zijn vrijheidssymbool. De talisman. Dobby’s geluk in de wc!’ Tranen biggelde over zijn verschrompelde wangen. Toen hij het schorre gegrinnik van Knijster hoorde, draaide hij zich abrupt om. ‘Knijster vindt dat grappig?’ Zijn uitpuilende ogen fonkelden woest. Hij strekte zijn armpje uit en voor Knijster zich kon verdedigen, werd hij getroffen door een krachtige toverspreuk.
De volgende seconden gebeurde alles met de vaart van een wilde Hippogrief. De zwaartekracht leek opgeheven, zijn voeten kwamen los van de vloer en hij vloog halsoverkop over Dobby heen, zo in de wc-pot.
Versteend keek Dobby toe hoe Knijster wanhopig spartelde om omhoog te komen. Zijn lange, knoestige tenen bewogen als hyperactieve Flubberwurmen heen en weer. Het gebrabbel dat uit de pot kwam was onverstaanbaar, maar het ontwaakte Dobby uit zijn trance en hij rende de wc in. Met zijn handen om Knijsters magere enkels begon hij te trekken. Het gespartel van Knijster hielp niet mee, maar uiteindelijk lukte het hem om te oudere elf los te trekken. Met een ploppend geluid, schoot Knijster los. Ze buitelden over elkaar de wc uit tot ze in het midden van de toiletruimte belandden.
Dobby wilde klagen dat zijn mutsen op de vieze vloer gevallen waren. Hij voelde zich ook nat en plakkerig op sommige plaatsen. Eén blik op Knijster liet hem echter zijn eigen ongemak vergeten. De oude huis-elf zag eruit alsof hij met een school meermensen geworsteld had. Hij was doorweekt, snakte wanhopig naar adem en trilde erger dan de apparaatjes op het bureau van professor Perkamentus. Het pluizige oorhaar leek net een stel besneeuwde ijspegels waaraan druppels dooiwater hingen.
Wat heeft Dobby gedaan? Het schuldgevoel leek killer dan zijn natte sokken.
Straks wordt Knijster ziek. En hij is erg oud. Straks gaat hij dood. Oh, help! Wat zal meneer Harry Potter dan zeggen tegen Dobby?
Koortsachtig dacht de huis-elf na.
Knijster moet warm worden. Dobby moet hem verhitten.
De daad bij het woord voegend, strekte hij zijn armen om Knijster met zijn magie op te warmen. Maar de paniek liet zijn handen trillen en tot zijn ontzetting zag hij dat Knijsters theedoek niet zozeer opdroogde, maar vlam vatte.
‘Oh, help!’ piepte Dobby overstuur. De vlammen wekten Knijster wel uit zijn halfbewusteloze staat, maar hij keek alsof de shock hem alsnog de das om zou doen. Dobby kon zich plotseling niet meer herinneren hoe hij altijd vuur bluste. Radeloos keek hij om zich heen. Hij overwoog al om naar de gang te hollen en om hulp te roepen, toen hij het nieuwe apparaat zag. Een brandblusser had de vriendin van meneer Harry Potter het genoemd.
Hij rende er naar toe, rukte hem van de muur en nam hem mee naar Knijster. Hij ontdekte dat de meeste vlammen gedoofd leken en dat de oude huis-elf rechtop probeerde te zitten. Maar Dobby nam geen enkel risico. Hij trok tevergeefs aan de zwarte slang, zag bovenop een pin die hij eruit trok en kneep de metalen uiteinden samen. Even gebeurde er niets, toen begon de zwarte slang te steigeren. Alle kanten op.
Oh, help! Waar is meneer Harry Potter als je een Sisseltong nodig hebt?
De slang slingerde heen en weer terwijl hij ondertussen wit schuim begon rond te sproeien. Dobby’s ogen rolden bijna uit hun kassen terwijl hij probeerde met zijn knuistjes de slang te pakken. Die was echter al bedekt met glibberig schuim dus voordat Dobby goed grip kreeg, zaten Knijsters theedoek, zijn gezicht en magere borstkas eveneens onder. Die zwarte slang was sterker dan hij eruit zag, ontdekte Dobby tot zijn ontzetting. De kleine elf werd zonder pardon mee de lucht in genomen alsof hij op een Terzieler zat. Gillend klemde hij ook zijn knokige knietjes om de slang, die nog steeds overal het witte schuim rond spoot. Knijster probeerde overeind te komen om aan het steigerende beest te ontkomen, maar zijn knoestige voeten kregen geen grip op de gladde vloer en hij bleef uitgleden.
De slang maakte nog een paar onverwachts woeste bewegingen. Toen kwam de stroom schuim sputterend tot een halt en viel Dobby met slang en al naar beneden. Hij belandde bovenop Knijster die net weer overeind wilde komen. Met een dof geluid ontsnapte de lucht uit Knijsters magere borstkas en hij viel opnieuw achterover. Te midden van al deze chaos liep plotseling de wc over en Jammerende Jenny schoot omhoog, een grote golf water met zich meenemend. Ze giechelde bij het zien van de besmeurde huis-elfen, maar toen ze haar volledig negeerden, kreeg haar gezicht een ontevreden uitdrukking en ze begon te gillen.
‘Help! Gevecht in de toiletten. Help!’
Dobby worstelde om overeind te komen, maar de slang die hij nog steeds met één hand vasthield, had zich om hun benen gewikkeld. Hij tastte met zijn vrije hand naar de slang tussen hen in. Zijn knobbelige vingers werden echter afgeleid door iets heel anders. Iets zachts en nattigs en wolligs. Hij boog verrast zijn hoofd om te zien wat het was en uitte toen een opgewonden kreet.

Het ontging de drie aanwezigen volledig dat er buiten in de gang voetstappen naderden. Severus Sneep, gealarmeerd door het gegil van Jammerende Jenny, liep met driftige passen naar dezelfde toiletruimte waar hij nog niet zo lang geleden Harry Potter met een bloedende Draco Malfidus had ontdekt.
‘Niet weer, hé,’ mopperde hij dan ook. Maar wat hij ook verwacht had aan te treffen toen hij de deur opendeed; dit had zelfs Zwamdrift niet kunnen voorspellen. De hele vloer was bedekt met een dikke, witte laag schuim. In het midden lagen twee huis-elfen in een erg compromitterende houding. De bovenste elf tastte ergens naar – Sneep was huiverig om te raden naar wat – en raakte toen helemaal opgewonden. Precies op het moment dat Jenny stopte met gillen, hoorde Sneep de huis-elf verbaasd uitroepen: ‘Oh, wat is hij klein geworden! Mijn geluk is gekrompen!’


Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 11 juli 2010 om 17:58
Mijn tweede zomeruitdaging is voor Lauder, die als favoriet paar om Draco/Hermelien vroeg. Ook hier heb ik alle drie de opgegeven woorden gebruikt, nl. grot, regen en nagellak.


Onverwachte ontdekkingen

‘Niet te geloven dat ik Hagrid op zijn woord vertrouwde,’ bracht Hermelien tussen opeengeklemde lippen uit. ‘Er zijn geen reuzen meer, zei hij! Alle reuzen zijn in noordelijke richting getrokken, zei hij.’ Ze liep geagiteerd op en neer over de ongelijke bodem.
‘Wolkenveldt ging ook af op Hagrids verhaal. Bovendien verklaarde Olympe Mallemour hetzelfde. Dit was het ideale moment en de ideale plek om onderzoek te doen naar de leefgewoonten van de giganten.’ Draco klonk redelijk en als Hermelien ergens niet tegen kon, was het wel Draco Malfidus die zich billijk gedroeg.
Hoewel ze inmiddels twintig jaar was en een gerespecteerde functie bij het Departement van Toezicht op Magische Wezens had, was Draco Malfidus nog steeds in staat om het bloed van onder haar nagels te halen. Juíst omdat er niets aan te merken was op zijn gedrag. De eerste jaren na de oorlog had men hem argwanend bekeken, terwijl hij zijn taakstraf binnen het Ministerie vervulde. Langzamerhand ontdooiden de mensen ten opzichte van de voormalig Dooddoener. Zelfs Ron en Harry gedroegen zich tegenwoordig beleefd als ze Draco tegenkwamen in de gangen of de kantine van het Ministerie. Zij had haar argwaan nog niet laten varen, oh nee! Ze werd niet voor niets de slimste heks van haar generatie genoemd. Tenslotte had Lucius zich ook met zijn charme het Ministerie ingepraat. Niet dat ze vond dat Draco charmant was natuurlijk. Ze wierp een woedende blik op de man die haar kalm met die irritant opgetrokken wenkbrauw stond aan te kijken. Hij was de clip kwijt geraakt die zijn schouderlange, blonde haar bijeenhield, en datzelfde haar – dat hen in deze beroerde situatie had gebracht – hing nu in vochtige strengen langs zijn gezicht.
Automatisch bracht ze een hand naar haar eigen hoofd en merkte tot haar afschuw dat de regenbui de werking van de Sluikwaters Haargel te niet had gedaan. Het haar dat ze de laatste jaren glad en strak naar achteren had gedragen, begon wild rond haar hoofd te krullen. Inwendig zei ze een lelijk woord, terwijl ze verder ijsbeerde. Dit was allemaal Draco’s schuld! Haar haren, hun verblijf in deze grot en vooral de reden dat ze vastzaten. Ze wierp een blik op de reusachtige arm, die rondtastte bij de nauwe ingang van de grot.
Eigenlijk zou ze kwaad moeten zijn op Hagrid, maar Hagrid was hier niet en hij was ook niet degene geweest die hen met dit onverwacht gezelschap had opgezadeld. Abrupt draaide ze zich om en zei vinnig: ‘Als jij niet zo gekrijst had dat je haar nat zou worden, zouden we nu niet vastzitten met een reusachtige bewaker.’
‘Een Malfidus krijst niet. Ik was alleen bezorgd dat het luizennest dat zich bovenop jouw hoofd genesteld heeft, wakker zou worden. Waarom ben je er trouwens zo zeker van dat het geen reuzin is, juffrouw Betweter?’ Hij klonk nog steeds ergerlijk kalm, ook al had hij zijn wenkbrauwen gefronst.
Hermelien volgde zijn blik naar de ingang van de grot. De reus – nog voor geen honderd Galjoenen gaf ze toe dat ze ook geen idee had van het geslacht – had zijn arm teruggetrokken. In plaats daarvan was zijn gezicht verschenen.
‘Aangezien het duidelijk is, dat hij gelokt werd door jouw meisjesachtige gegil,’ beantwoordde Hermelien de laatste vraag zelfvoldaan.
Teleurgesteld stelde ze vast dat Draco niet reageerde op haar opmerking; hij staarde met wijd open ogen naar de reus die nu leek te spelen met wat stukjes hout. Hij bracht een paar stokjes naar zijn gezicht om ze nieuwsgierig te bestuderen. Hermelien slaakte een kreet van afschuw bij het zien van het geliefde wijnstokhout dat het hartenbloed van een draak als kern bevatte.
Automatisch tastte ze naar haar zakken alsof haar ogen haar zouden bedriegen. Vanuit haar ooghoeken zag ze Draco hetzelfde doen. De uitdrukking op zijn gezicht was half opgelucht, half triomfantelijk. Ze keek hem nijdig aan; natuurlijk moest zij weer die pech hebben. Waarschijnlijk doordat hij als een gillende keukenmeid was weggerend, terwijl zij nog geprobeerd had de reus tegen te houden.
‘Niet te geloven! Je brengt echt ongeluk, hé Malfidus?’
Een ondefinieerbare uitdrukking gleed over Draco’s gezicht voor hij langs haar heen keek en uitriep: ‘Getver, dat is onsmakelijk!’
Met een ruk draaide ze zich om en zag dat de reus met haar toverstok tussen zijn zwarte, afgebrokkelde tanden zat te peuteren. Oh Merlijn, straks breekt mijn stok nog. Ze had zelf tenslotte elke dag minstens twee tandenstokers nodig, omdat die dingen het altijd begaven.
‘Jouw ouders werken toch aan gebitten van andere mensen, Griffel? Is jouw toverstok dusdanig betoverd dat hij automatisch slechte tanden en kiezen aanvalt?’ klonk het lijzig achter haar. Ze wierp opnieuw een woedende blik over haar schouder, maar door de bezorgdheid om haar stok lag haar hart er niet echt in. Ze zuchtte en liet zich moedeloos op de grond zakken.

‘Kom op, Griffel, dit is niet het moment om bij de pakken neer te zitten.’ Draco probeerde opgewekt te klinken, maar slaagde daar niet in. Hij haalde zijn toverstok tevoorschijn en bekeek hem mismoedig. Hoewel Potter wonder boven wonder zijn toverstok terug had willen geven, had het Ministerie in haar onmetelijke wijsheid besloten dat de stok, die de grootste duistere tovenaar verslagen had, een ereplaats moest krijgen in het Ministerie. De toverstok van zijn oudtante was duidelijk net zo weinig op hem gesteld als de oude dame zelf was geweest en hij had nog steeds de moed niet op kunnen brengen om naar Olivander te gaan voor een nieuwe.
Tot nu toe was hij er altijd in geslaagd om het disfunctioneren te verbergen aangezien zijn functie bij het Ministerie weinig spreuken en bezweringen vereiste. Hij vreesde dat aan zijn geluk nu een eind zou komen, in de gestalte van een oplettende Hermelien Griffel.
‘We moeten zorgen dat we droog en warm worden. We willen vast allebei een bezoek aan het St. Holisto voorkomen,’ vervolgde hij.
‘Nou, leef je uit, Malfidus,’ reageerde ze bits, ‘tenslotte ben jij degene die nu je toverkunsten kan laten zien.’
Draco trok een wenkbrauw op bij die woorden en zei op veelbetekenende toon: ‘Ah, mag ik nu de tovenaar op de witte draak zijn? Nog geen vervanging gevonden voor Wemel?’ Hij wist dat het een stoot onder de gordel was, maar hij hoopte haar genoeg af te leiden om een verwarmingsspreuk te proberen.
Tevergeefs! De spreuk dan, de afleiding werkte prima.
‘Laag, Malfidus, zelfs voor jou!’ Hermeliens ogen fonkelden en haar wangen hadden rode vlekken. Ondanks haar gene keek ze hem met opgeheven kin aan.
‘Sorry, Griffel, je hebt gelijk.’
Dankzij de Ochtendprofeet waren er weinig mensen die niet op de hoogte waren van de breuk tussen Ron Wemel en Hermelien Griffel. De foto waarop Hermelien zoenend met Theo Noot te zien was, had waarschijnlijk niet geholpen.
Ze keek even verward bij het horen van zijn verontschuldiging tot er een rilling door haar lichaam trok.
‘Vandaag nog als het kan, Malfidus! Of is het je plan om me bij die reus in te ruilen voor je vrijheid, als ik straks ziek en verzwakt ben?’ Ze kwam moeizaam overeind, gehinderd door de natte kleding, en keek hem ongeduldig aan. ‘Hoe moeilijk is het om onze kleding droog te toveren?’
Verdraaid! Ongemakkelijk wendde hij zijn blik af naar de reuzin die niet langer afgeleid werd door de stokken, en hen door halfgeopende ogen gadesloeg.
‘Vrij simpel, als je je eigen toverstok hebt,’ antwoordde hij binnensmonds.
Hermelien fronste haar wenkbrauwen en vroeg: ‘Wat zei je?’
‘Ik zei dat het niet moeilijk is, als je niet hoeft te toveren met de toverstaf van je oudtante die altijd een hekel aan je had!’ Hij keek haar fel aan. Ze moest het niet wagen om de draak met hem te steken.
Hermelien knikte echter langzaam en keek alsof ze een opgave voor Voorspellend Rekenen had opgelost. ‘Natuurlijk! Je stok ligt in het Ministerie. Waarom ben je niet om een nieuwe gegaan naar –’ Abrupt slikte ze de naam van de stokkenmaker in en keek een andere kant op. Toen rechtte ze haar schouders. ‘Oké, we zitten gevangen in een grot die bewaakt wordt door een reus, met alleen één slecht werkende toverstok in ons bezit,’ somde ze kordaat op.
‘Goh, je hoeft het niet mooier voor te doen dan het is, Griffel!’
Hermelien negeerde hem simpelweg en vroeg: ‘Welke spreuken kun je, waar we nu iets aan hebben?’
‘Als we hout en ander afval verzamelen, kan ik een vuurtje maken,’ antwoordde Draco, nu ook serieus. Hij was dankbaar dat ze geen spottende opmerkingen gemaakt had over het feit dat hij nog slechts een halve tovenaar meer was.
Hermelien knikte. ‘Als jij daarvoor zorgt, zal ik kijken of er nog wat bruikbaars in onze tassen zit aan voedsel. Een geluk dat we ze al vergroot hadden voor het begon te regenen.’

o~0~O~0~o

Het geknetter van het vuurtje werkte ontspannend, ondanks de bizarre situatie, ontdekte Hermelien. De vlammen wierpen spookachtige schaduwen op de wanden van de donkere grot. Ook buiten was het al donker geworden. De reus lag nu plat voor de grot, zijn hoofd op zijn armen. Hij bekeek hen nog steeds van tussen zijn oogleden.
Zelf zaten ze naast het vuur met de ruggen naar elkaar toe. Hun schoenen, sokken en bovenkleding lagen rond het vuur te drogen en ze hoopte vurig dat Draco zich aan hun afspraak zou houden om niet over zijn schouder te gluren. Al was dat waarschijnlijk teveel gevraagd van een voormalig Zwadderaar. Met de armen voor haar bovenlichaam gevouwen, peinsde ze over hun situatie. Uiteindelijk zou de reus er wel genoeg van krijgen, dacht ze optimistisch. Hopelijk voordat ze door hun bescheiden voorraadje versnaperingen waren. Dank Merlijn dat Draco wel in staat was om Augimenti uit te voeren. Ze fronste haar wenkbrauwen bij de gedachte aan Draco’s toverstok. Dat was niet juist! Misschien kon ze Olivander een bezoek brengen? Nu was de vraag of ze samen zouden kunnen Verdwijnselen met die stok. Het leek haar namelijk niet raadzaam om al te lang rond te blijven zwerven als zij haar toverstok niet in goede staat terugvond. Er kwam plotseling een idee op.
‘Malfidus, kun jij een boodschap versturen via je Patronus?’
Ze hadden al vastgesteld dat zijzelf nog minder met Draco’s staf kon uitrichten dan hij. Vochtige strengen haar streken langs haar schouders toen Draco zijn hoofd schudde. ‘Ik heb nooit geleerd een Patronus op te roepen.’
Hermelien zweeg en vroeg zich af waarom een Puurbloedstreber als Malfidus dat niet van huis uit geleerd had. Tot ze zich realiseerde dat het waarschijnlijk niet een spreuk was die in veel Dooddoenersgezinnen onderwezen zou worden.
‘Misschien kunnen we je stok straks pakken als die reuzin in slaap valt,’ verbrak Draco de stilte. ‘Al zit hij dan waarschijnlijk wel onder het speeksel.’ De walging in zijn stem was duidelijk hoorbaar.
Hermelien glimlachte. ‘Dat is altijd beter dan trollensnot, Malfidus.’
‘Wat?’ riep hij verbaasd.
Hermelien vertelde hem over het avontuur met de trol in de meisjes-wc.
‘Als eerstejaars?’ riep Draco uit. ‘Zalazar, jullie waren er al vroeg bij met die Griffoendorische heldendaden, hé?’ Zijn stem klonk echter plagend. Hermelien had hem al een lichte por met haar elleboog gegeven, voor ze zich hun halfontklede staat herinnerde.
Draco schoof wat heen en weer over de ongelijke grond om een makkelijkere houding te vinden. Een Malfidus was natuurlijk niet gewend aan kamperen, dacht ze schamper, maar de schouders die langs haar rug streken, deden vreemde dingen met haar ingewanden.
‘Zit eens stil, Malfidus!’ Haar stem klonk eerder hees dan vinnig en ze vroeg zich af of ze al ziek begon te worden, wat gelijk die ingewanden zou verklaren.
Malfidus grinnikte. ‘Weet je zeker dat er geen luizen in die bos haar zitten, Griffel?’
Ze snoof laatdunkend en verwaardigde zich niet een antwoord te geven.
‘Nou vooruit, ik zal je op je woord vertrouwen.’ Met die woorden schoof hij nog dichterbij tot hun ruggen elkaar raakten.
‘Malfidus!’ riep Hermelien geschokt.
‘Ontspan je, Griffel. De nacht duurt te lang om zo verkrampt te blijven zitten. Laten we om beurten wat proberen te slapen, terwijl de ander op de reuzin let. Ik waak wel als eerste,’ bood hij galant aan. Hij schoof nog wat heen en weer en wachtte tot ze eindelijk terugleunde. Ze waren inmiddels opgedroogd en zijn rug voelde warm en stevig. Gespierd, dacht Hermelien, terwijl de vlammen haar uitsloegen.
Het duurde lang voor ze uiteindelijk wegdommelde.

o~0~O~0~o

Langzaam ontwaakte Draco. Hij voelde zich erg behaaglijk ook al leek het alsof de huis-elfen zijn matras met stenen hadden gevuld. Zijn voeten waren ongebruikelijk warm. Waarschijnlijk omdat ze verstrengeld waren met die van … Hermelien? Hij verstijfde. Ineens klaarwakker, was hij zich plotseling gewaar van een heleboel indrukken. De talmende warmte van het haast gedoofde vuur, die zijn voetzolen streelde. Het ongetemde haar langs de onderkant van zijn kin. De vage geur van meloen waar zijn gezicht begraven was in haar haren. Haar adem, die in kleine, regelmatige pufjes van tussen halfgeopende lippen ontstapte, streek over zijn sleutelbeen, De arm waarop haar hoofd rustte, tintelde en hij wist dat het niet lang zou duren voor hij gevoelloos werd. Hij had geen idee hoelang ze al zo lagen en zelfs niet wie er het laatst had moeten waken. Aan het schemerige licht in de grot te zien, was er een nieuwe dag aangebroken. Voorzichtig richtte hij zich een paar centimeter op en ontdekte dat zij niet de enigen waren die in slaap waren gevallen. Hoe had hij het snurkende geluid kunnen missen? De reden daarvoor bewoog nu in zijn armen. Draco hield zijn adem in, maar Hermelien sliep rustig verder. Hij vroeg zich af waarom hij haar niet gewoon wakker maakte, of in ieder geval van onder de arm vandaan kroop die ze over zijn middel had gelegd. Haar handpalm streek over zijn rug en hij spande automatisch zijn spieren.
De waarheid was dat Draco het, tot zijn verbazing, niet vervelend vond om Hermelien Griffel in zijn armen te vinden. Een ontdekking die zijn wereld op zijn grondvesten deed schudden. De vorige avond had ze hem ook al verrast met haar anekdotes van hun schooljaren en haar begrip over zijn falende toverstok. Het plotselinge besef deed hem een onverhoedse beweging maken.
Hij voelde hoe ze wakker werd. Ze strekte haar benen die verstrengeld waren met de zijne en haar hand bewoog naar boven tot het zijn haren raakte. Haar hoofd schoot omhoog en haar grote, bruine ogen staarde hem aan. In de hoek van haar halfopen mond zat een druppeltje speeksel. Zijn glimlach kwam automatisch en haar ogen werden zo mogelijk nog groter, terwijl ze haar mond opendeed. Als ze maar niet ging gillen met die slapende reuzin op hoorafstand!
Zonder nadenken reageerde hij en snoerde haar de mond. Letterlijk. Hij slikte haar geschokte kreet in toen zijn lippen zich over die van haar sloten. Terwijl ze verstijfde in zijn armen, realiseerde hij dat hij Hermelien Griffel kuste! In een grot, met een reuzin voor de ingang. Oh!
Met moeite maakte hij zijn lippen los en fluisterde: ‘Niet gillen, Hermelien, de reuzin slaapt.’ Hij zag het besef in haar ogen dagen. Sprakeloos knikte ze. Een rode blos verscheen op haar wangen en verspreidde zich via haar hals omlaag. Zijn ogen vlogen omhoog. Gelijktijdig schoven ze uit elkaar en begonnen haastig hun kledingstukken bijeen te zoeken. Draco wierp een heimelijke blik opzij toen Hermelien haar trui over haar hoofd trok en zijn ogen bleven rusten op haar blote voeten. Geamuseerd ontdekte hij dat elke teennagel met een andere kleur nagellak was beschilderd; blauw, wit, groen, roze en paars. Alweer een onverwachte kant van Hermelien Griffel. Ze had hem betrapt, merkte hij toen hij opkeek. Blozend pakte ze haar sokken.

o~0~O~0~o

In absolute stilte kleedden ze zich aan, doofden het vuur en pakten hun spullen. Ze slopen op hun tenen langs de reuzin en Hermeliens hele gezicht lichtte op van blijdschap toen ze haar toverstok in ongeschonden staat ontdekte, naast de enorme arm.
Ze haastten zich om zoveel mogelijk afstand tussen zichzelf en de slapende gigant te creëren. Toen ze uit de gevarenzone waren, haalden ze opgelucht adem. Draco merkte dat Hermelien zijn blik vermeed. Hij besloot de ongemakkelijke stilte te verbreken en zei: ‘Weet je heel zeker dat er geen luizen zitten? Ik voel echt wat kriebelen op mijn hoofd.’
Eindelijk keek ze hem aan. Haar uitdrukking was ondoorgrondelijk toen ze hem adviseerde de magische toverspreuk te gebruiken.
‘Welke?’ vroeg hij, niet zeker wetend of ze hem voor de gek hield.
Hermelien strekte haar arm en wees met haar toverstok. Voor hij iets kon doen, riep ze: ‘Augimenti.’ De waterstraal belandde midden op zijn hoofd en hij gilde. Uiterst mannelijke natuurlijk.
‘Mijn haar!’ In de verte klonk het gegrom van de wakker wordende reuzin. ‘Dat zet ik je betaald, Griffel,’ dreigde hij, maar het venijn ontbrak.
Tot zijn verbazing glimlachte ze, stapte op hem af en sloeg een arm om zijn middel. Op het moment dat het gestamp van de reuzin gevaarlijk dichtbij kwam, versmalde zijn wereld toen Hermelien hen Verdwijnselde. Merlijn mocht weten naar waar. Hij wist alleen dat hij haar niet meer losliet.

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 31 juli 2010 om 00:03
Ter ere van Harry's 30e verjaardag een nieuwe one-shot!

Korte inhoud:
Wie is degene die Harry tijdens zijn jaren op Zweinstein geregeld gadeslaat?

Herinneringen van een geheimzinnige toeschouwer.


De toeschouwer

De eerste keer dat ik hem zag, moet hij ongeveer veertien jaar zijn geweest. Zijn gezicht stak bleek af tegen zijn donkere haar en hij leek te klein en te mager voor zijn leeftijd.
Ik had nog nooit iemand van die leeftijd ontmoet, al had ik wel eens van een afstand jonge tovenaars en heksen gadegeslagen.

Het was vrij eenzaam hoog in de toren van het oude kasteel, met alleen het gezelschap van de oude tovenaar en zijn mijmeringen.
Hoewel hij geregeld bezoek ontving, zorgde hij er meestal voor dat niemand mij zag.
In de grote zwarte kast kon ik enkel het gemompel horen van de diverse bezoekers.
Een enkele keer lukte het me om een glimp op te vangen van een nors kijkende man met kille, zwarte ogen of een streng uitziende heks met dunne, meestal samengeknepen, lippen.
Ik wist nooit wanneer de kast open zou gaan en of ik dan uit mijn bergplaats zou worden gehaald.
Het knarsende geluid van de koperen sleutel in het slot. Het kleine straaltje licht dat steeds breder werd. De deur die schril piepend geopend werd.
En dan de spanning of de oude man voor mij kwam of een of ander oninteressant uitziend voorwerp van de stoffige plank hoog bovenin de kast pakte.
Het gedrag van de tovenaar was grillig wat dat betreft; soms opende hij de kast verschillende dagen achter elkaar en haalde mij eruit.
Ik genoot dan van de warme zonnestralen die speciaal door het raam leken te kruipen om de kilte in mij te verdrijven.
Op andere dagen werd ik betoverd door het zicht van honderden sneeuwvlokjes die met hypnotiserende bewegingen langs het raam dwarrelden.
Het gemompel van de personen op de vele schilderijen, dat tegen de muren weerkaatste, bracht de toren plotseling tot leven. Evenals de bedrijvigheid van de verschillende vogels die de tovenaar een boodschap brachten.
Het kwam echter vaker voor dat ik dagenlang opgesloten werd. Alleen in die donkere kast met enkel herinneringen om me bezig te houden.
Soms was er zoveel te herinneren dat ik bijna overborrelde.

En toen – een jaar of vier geleden – werd ik ontdekt door hem.
Hij was al een paar keer eerder op bezoek geweest; ik herkende zijn naam. Wie kende die naam tenslotte niet!
De oude tovenaar had bezoek van een aantal mensen waarmee hij flink aan het argumenteren was, toen de jongen onverwachts voor zijn deur stond. Hij vertelde de jonge tovenaar dat hij zo terug zou komen en verliet zijn toverkamer met de anderen in touw.
Waarschijnlijk had hij in alle drukte de deur van mijn kast vergeten op slot te doen en de jongen moet iets gezien hebben door de kier van de kastdeur. Nieuwsgierig opende hij de kast en vond mij.

Ik nam hem mee naar het verleden. Dat is namelijk wat ik kan, waar ik voor gemaakt ben; het was tevens de voornaamste reden dat ik werd opgesloten in die kast.
De verbazing en fascinatie van de jonge tovenaar waren een welkome onderbreking van mijn dagelijkse sleur. Het was lang geleden dat ik iemand had meegenomen op zijn eerste reis naar het verleden.
Al snel kwam de oude tovenaar echter terug en ontdekte dat de jongen de inhoud van de zwarte kast ontdekt had. Hij haalde hem uit het verleden terug naar de toren en hoewel hij niet heel erg kwaad leek, werd ik weer opgesloten.

Het duurde ongeveer een jaar voor ik hem weer terugzag.
Het toeval wilde dat die tweede ontmoeting niet plaatsvond in de toren.
Ik weet niet of de oude tovenaar ziek was of op reis, maar in ieder geval had hij de zorg voor mijn welzijn toevertrouwd aan de nors kijkende tovenaar.
Waren de reisjes met de oude man al geen picknick, bij het verleden dat deze man met me deelde, was het ergste horrorverhaal een Doxy-eitje.
Maar laat de man nou juist op die dag een stukje verleden hebben gekozen dat ook tot het verleden van de jongen behoorde. Dit keer geen somberheid of gruwel. Ik kon hem opwinding en blijdschap laten beleven. Een bitterzoete ervaring.
Tot de man – zijn ogen killer dan ooit – zich bij ons voegde en de jongen met geweld terug naar het heden sleurde.
Ik dacht in de maanden die volgden vaak aan de jongen. Aan zijn opgetogen gezicht toen ik hem die beelden toonde. Ik vroeg me af of ik ooit de kans zou krijgen hem opnieuw zo opgetogen te zien. Of ik hem überhaupt ooit nog zou zien.

Weer ging er bijna een jaar voorbij. Ik was inmiddels weer terug in de torenkamer, terug in die zwarte kast.
Hoewel het verleden van die norse man veel onaangenamer was dan dat van de oude tovenaar, had hij me niet het grootste gedeelte van de tijd opgesloten.
Ik miste het gedempte licht, de vreemde mengeling van geuren en het geroezemoes dat het grootste gedeelte van de tijd uit een nabij gelegen ruimte kwam.
Toen kwam de dag dat ik hem weer zag. De oude tovenaar had me uit de kast gehaald en samen liet ik hen naar het verleden reizen.
Hoewel het gezicht van de tovenaar nu door zorgen getekend werd en de jongen geen enkele keer meer de blijdschap vertoonde van het jaar daarvoor, was ik gelukkig toen ik merkte dat hij nu regelmatig terugkwam om samen met de oude man op pad te gaan.
Zeven keer maakten ze samen een reis naar het verleden en toen … niets meer.
Ik stond in die donkere kast en wachtte.
Weken werden maanden en ik stond daar maar.
Een enkele keer werd de deur even geopend, maar nooit lang en nooit om mij mee te nemen uit die moedeloze duisternis.

De oude man kwam niet meer terug en ook de norse tovenaar zag ik niet meer.
In plaats daarvan zag ik af en toe een glimp van de heks met de samengeknepen lippen die tegenwoordig eerder vermoeid dan streng keek.
De enige vlokjes die ik nog zag, waren stoffig en grijs in plaats van dwarrelend wit.
Ik begon me erbij neer te leggen dat dit het einde was. Dat ik die kast nooit meer zou verlaten. En toen …

Ik herkende hem gelijk. Hij was nu bijna achttien jaar en geen jongen meer. De tijd had hem getekend en de wanhoop straalde van hem af.
Opnieuw nam ik hem mee. Verleden na verleden. Herinnering na herinnering. We zagen de oude tovenaar en keer op keer beelden van die norse man.
Toen de reis voorbij was, lag hij bevend op de grond. Ik zag dat hij zich probeerde te vermannen, maar zijn handen trilden.
De laatste herinneringen draaiden nog rond en lieten me behalve het verleden ook de toekomst zien. Dit is de laatste keer dat ik hem gezien heb, dacht ik, terwijl hij met langzame stappen de torenkamer uitliep, zijn lot tegemoet.


Zeven jaar later.

Nooit ben ik zo blij geweest dat ik het mis had. Mijn verbazing kende geen grenzen toen ik hem later die avond terugzag. En wat was ik blij toen hij me een maand later kwam halen en meenam naar zijn huis.
De eerste paar jaar kenmerkten zich nog door vele grimmige en verdrietige herinneringen, maar langzaamaan zie ik af en toe weer de opwinding en blijdschap terugkomen.
Vriendschap, liefde, een thuis en een gezin; het is er allemaal voor hem.
En ik mag er deel van uitmaken!

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 20 augustus 2010 om 23:26

Korte inhoud/omschrijving:
Als Harry op zoek gaat naar Draco, krijgt hij veel meer dan de antwoorden waar hij naar op zoek was.
Humor again! xD


Zoete wraak


De ovale, witte kiezels van de oprijlaan knarsten onder zijn schoenen. Harry bleef abrupt staan bij het zien van het huis in de verte. Nou ja, huis … geen wonder dat Malfidus altijd zo’n ik-sta-ver-boven-iedereen houding had gehad; opgegroeid in een huis als dit terwijl je vader de Minister in zijn broekzak had en in hoog aanzien stond bij de duisterste tovenaar van dat moment.
Bij de gedachten aan Lucius Malfidus balde Harry zijn vuisten. Zijn hart kneep nog altijd pijnlijk samen wanneer hij aan de gebeurtenissen in het Ministerie van Toverkunst dacht. Niet nu, dacht hij, niet hier. Nu moest hij zijn hoofd koel houden.
Hij probeerde te herinneren wat Sneep hem geleerd had om zijn hoofd leeg te maken, maar dat hielp niet echt. Automatisch werden zijn gedachten nu naar die nacht op de Astronomietoren getrokken; de hardvochtige blik van Sneep, het smekende gefluister van Perkamentus en de twee kille woorden.
Maar ook de afschuw in de ogen van Malfidus. Malfidus wiens hand had getrild toen hij zijn toverstok had laten zakken.
Nee! Niet aan denken! Er was geen tijd voor twijfel of – erger nog – medelijden. Denk aan Ron en Katie. Denk aan Bill, wiens littekens nog altijd niet zijn genezen.
Zijn mond verstrakte en toen hij met felle ogen om zich heen keek, ontdekte hij dat hij inmiddels al vlak voor het grote landhuis stond.

Hij stopte abrupt en bedacht hoe vreemd het was om volgens een plan te werk te gaan; om te zorgen dat alle details klopten, om niets aan het toeval over te laten. Voor zover mogelijk dan, want zodra hij aanbelde, zou hij afhankelijk zijn van een aantal onbekende factoren. Dan zou hij dapper en onbevreesd moeten reageren, als de Griffoendor die hij was.
De afgelopen weken hadden echter uit strategisch handelen bestaan; hoe hier te komen, hoe binnen te raken en vooral hoe weer veilig buiten te komen met de antwoorden die hij nodig had. Om dat allemaal te beramen, had hij zijn Zwadderich-kant nodig gehad. Hij keek even omlaag naar zijn kleding en snoof geamuseerd. Zijn Zwadderich-kant, inderdaad!
Hij verstevigde de grip op zijn toverstok, nam de laatste drie stappen en belde aan. Nog voor het diepe, galmende geluid was weggestorven, hoorde Harry voetstappen aan komen schuifelen. Hij veegde net de palm van zijn hand af aan de binnenkant van zijn mantel toen de deur openzwaaide.
Harry staarde in de grote, overwegend witte hal voor zich. Verward knipperde hij met zijn ogen bij het horen van een hoge stem, die uit het niets goedemiddag zei. Toen liet hij zijn blik zakken en zag een huiself staan, die hem beleefd toeknikte. Hij was helemaal kaal, op de witte haren na die uit zijn oren staken, en de even witte, borstelige wenkbrauwen, die bijna in zijn ogen hingen.
Harry nam tenminste aan dat het een mannelijke huiself was – ondanks de hoge stem – want het droeg enkel een groenwit geruit lapje stof (formaat poppendeken) om zijn heupen, als ware hij een trotse inwoner van de Schotse Hooglanden.
Een tweede stem vroeg gespannen: ‘Wie is daar, Honky?’ en klikklakkende hakken brachten Narcissa Malfidus in beeld.
Harry slikte moeizaam en dwong zijn mondhoeken langzaam omhoog.

Narcissa Malfidus keek hem verbaasd aan, maar haar schouders zakten iets omlaag en ze blies haar adem langzaam uit alsof ze die iets te lang had ingehouden.
Haar gezicht was zo bleek dat alleen de blonde haren het van de muur achter haar onderscheidden.
‘Patty … ik dacht dat jullie gisteren al op vakantie zouden gaan?’
Harry streek nerveus over het sluike, zwarte haar en deed een poging terug te glimlachen. Het nadeel van Wisseldrank was dat je niet goed wist hoe je je tegenover je vijanden moest gedragen als zij je als vrienden benaderden.
‘Ja, dat klopt,’ antwoordde hij, ‘mijn ouders zijn gisteren naar Italië vertrokken, maar ik wilde niet zolang weggaan zonder Draco en mocht bij mijn oom en tante logeren.’
Hoewel Harry dit al talloze keren had gerepeteerd, bleef het vreemd om Malfidus nu Draco te noemen.
Hij lette scherp op de reactie van Narcissa en hoopte van harte dat Patty’s ouders geen van beiden enig kind waren. Maar haar uitdrukking verzachtte en ze stapte naar voren. Voor Harry kon raden wat ze van plan was, omhelsde ze hem kort.
Verbijsterd staarde hij haar aan, niet in staat te reageren toen ze zacht zei: ‘Draco boft maar met zo’n goede vriendin en wij ook binnenkort met zo’n schoondochter.’
Schoondochter? O Merlijn, ik heb echt de jackpot gewonnen toen ik Patty bij Madame Mallekin naar binnen volgde.
Narcissa glimlachte naar hem en vervolgde: ‘Draco is op zijn kamer. Je weet de weg.’
Met een elegante beweging gebaarde ze naar de brede stenen trap aan Harry’s rechterkant. Hij aarzelde even, maar besefte dan dat het verdacht zou over komen als hij liet merken dat hij de weg niet wist.
Geknuffeld worden door een glimlachende Narcissa Malfidus was te bizar voor welke woorden dan ook, dus knikte Harry alleen instemmend en liep aarzelend naar de trap, huiverig om de blonde Dooddoener – ondanks haar gastvrije houding – de rug toe te keren.
Over zijn schouder zag hij haar in tegenovergestelde richting lopen en langzaam begon Harry de trap op te klimmen, zich afvragend hoe hij in Godericks naam de slaapkamer van Malfidus moest zien te vinden.
Eeww … er is iets zeer verontrustends aan die gedachte!
Hij wilde dat hij zijn Onzichtbaarheidsmantel had meegenomen, maar dat was onder deze omstandigheden geen optie. Nu was hij Patty Park, op weg naar de slaapkamer van haar vriend en – volgens Narcissa - bijna verloofde.
Merlijns baard, dat klinkt nog erger!
Harry stopte boven aan de trap en haalde eens diep adem. Of zo diep als die rottige bh hem veroorloofde.
‘Denk aan het plan, Harry! Concentreer je op de details,’ klonk een stem in zijn hoofd, die verdacht veel op die van Hermelien leek.
Dat was natuurlijk niet mogelijk want hij had het niet echt verstandig gevonden om Hermelien iets te vertellen. En dat had niet alleen voor Hermelien gegolden trouwens. Daarom had hij niemand iets verteld over zijn plan om Malfidus te gaan uithoren.
Nou ja, nadat hij die haren van Patty te pakken had gekregen, hadden Fred en George natuurlijk de Wisseldrank voor hem gekocht in één van die duistere zaakjes in de Verdonkeremaansteeg, maar zij hadden waarschijnlijk gedacht dat hij er een grap mee uit zou gaan halen.

Hij stond aan het begin van een lange gang met deuren links en rechts en voor de tweede keer die middag moest hij aan het Departement van Mystificatie denken.
Behoedzaam opende hij de eerste deur aan zijn rechterkant, vingers weer stevig om zijn toverstok. Eén blik maakte hem duidelijk dat het een badkamer was en geruisloos sloot hij de deur en liep naar de volgende.

Na weken onzichtbaar door de Wegisweg te hebben gedwaald op zoek naar antwoorden en oplossingen, was het erg frustrerend om nu nog steeds te moeten zoeken.
Het verdriet om de dood van Perkamentus werd overschaduwd door het verraad van Sneep en het verachtelijke gedrag van Malfidus. En terwijl zijn woede voor Sneep simpel was, verwarde de gedachte aan Malfidus hem telkens opnieuw.
Hij wilde hem haten. Hij haatte hem ook! Maar dan herinnerde hij zich weer de wanhoop van Malfidus in de wc bij Jammerende Jenny en hoe Perkamentus hem een uitweg had aangeboden, zelfs toen hij stervende was geweest.

Voor Harry de volgende kamerdeur opendeed, luisterde hij ingespannen of hij iemand hoorde. Deze kamer leek een logeerkamer; netjes en luxueus, maar zonder een persoonlijke toets.

Toen hij twee weken geleden onverwachts Patty Park de winkel van Madame Mallekin binnen had zien gaan, had hij geen moment geaarzeld en was achter haar aan naar binnen geglipt. In een flits was het plan duidelijk geworden; de haren sommeren van Patty, de Wisseldrank via de tweeling en het adres aan Tops vragen, die hem wel wat wantrouwig had aangekeken, maar toch verteld had waar de familie Malfidus woonde. Als hij niet achter Sneep aan kon, dat wilde hij in ieder geval informatie van Malfidus.

Toen hij voor de laatste deur aan de rechterkant stond, klopte zijn hart inmiddels wild in zijn borst en zodra hij de deur opende, werd zijn voorgevoel bevestigd. De kleurrijke draak die op de muur tegenover Harry was geschilderd, was tenslotte een weggevertje. De draak opende traag een oog, knipoogde en sliep toen weer verder, terwijl er af en toe een rookwolkje uit zijn neusgaten ontsnapte.
Snel liet Harry zijn blik door de kamer gaan. Een grote, openstaande kast onthulde een omvangrijke garderobe en Harry snoof zachtjes. Tegen de linkermuur onder het raam stond een groot bureau, dat vol lag met vellen papier en rollen perkament. De pot met inkt stond open, alsof iemand elk moment verder kon schrijven. Zijn blik gleed verder, tot hij landde bij het hemelbed dat tegen de rechtermuur geplaatst was. Gordijnen en dekens in verschillende tinten groen, een overdaad aan kussens tegen achterwand. Het bed bleek bezet en op één van die kussens was het blonde haar van Malfidus zichtbaar. Besluiteloos staarde Harry naar dat hoofd. En van het hoofd naar het bed en daarna weer terug.
Natuurlijk, dat heb ik weer. Waarom zit hij niet normaal aan zijn bureau te leren? Het is nog niet eens etenstijd!
Het liefst zou hij Malfidus wakker willen schreeuwen of, nog beter, schoppen, maar dit was niet echt het moment voor zijn innerlijke Griffoendor.
Behoedzaam liep hij naar het bed en staarde naar dat blonde hoofd. De pijn in zijn voeten herinnerde hem aan zijn ongemakkelijke kleding.
Hij haalde diep adem terwijl hij opnieuw de bh vervloekte en kroop voorzichtig op het bed. Zijn rok kroop op, maar Harry was bang dat Malfidus wakker werd voor hij wist hoe hij dit aan ging pakken en daarom bewoog hij niet.
Hoe ging hij dit eigenlijk aanpakken? Wat zou Patty hebben gedaan? Opeens kwam er een herinnering boven van Patty in de Zweinsteinexpress, die zelfvoldaan het haar van Malfidus streelde. Harry voelde zijn gezicht warm worden.
Merlijn, waar ben ik aan begonnen?
Hij moest hier weg. Dit was gekkenwerk. Hermelien had gelijk, nou ja … haar stem dan. Maar als door een magneet geleid, tilde Harry zijn hand op en raakte met zijn vingertoppen het blonde haar aan. Het was onverwacht zacht zonder de gel die er meestal in zat en Harry streelde het voorzichtig.
Patty. Patty streelt het haar!  Dit is enkel vanwege Het Plan!
Terwijl Harry probeerde te bedenken hoe het ook al weer zat met dat Plan, draaide Malfidus zich mompelend om en kroop tegen Harry aan.
Patty! Malfidus kruipt tegen Patty aan!
Voor Harry kon verzinnen dat het misschien wel een goed idee was om zachtjes naar achteren te schuiven, het bed uit, voelde hij een arm om zijn middel kruipen en gleden er twee lippen zoekend via zijn wang naar zijn mond.
Verstijfd alsof hij onder de invloed van Petrificus Totalus was, lag Harry daar. Zijn ogen stijf dichtgeknepen om de realiteit buiten te sluiten.
Hij ligt hier niet in het bed van Malfidus. Hij streelt niet het haar van Malfidus en hij wordt absoluut niet gekust door Malfidus. Patty! Het is gewoon Patty!
Op dat moment gebeurden er verschillende dingen gelijk.
Malfidus mompelde Potter tegen Harry’s lippen en Harry, een seconde bang dat de Wisseldrank was uitgewerkt, trok onwillekeurig aan het blonde haar tussen zijn vingers.
Met een grom opende Malfidus zijn ogen en schoot overeind.
‘Eeww Patty, wat doe jij hier?’
Hij sprong uit bed, boende met zijn hand over zijn mond en zei sputterend: ‘Ik had net een bijzonder aangename droom. We hoeven in mijn kamer de schijn niet op te houden, dat weet je toch. Jee, kom je bij Zabini niet meer aan je trekken?’
Met opgetrokken wenkbrauwen gooide hij een kussen naar Harry’s hoofd.
Geschokt staarde Harry met wijdopen ogen naar Malfidus en kon zich er nog net van weerhouden zijn tintelende lippen aan te raken.
‘Potter?’ wist hij uit te brengen.
‘Ha, heel grappig Patty,’ zei Malfidus hoofdschuddend, ‘net of je echt niet meer weet dat ik enkel Potter in mijn bed wil.’


Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 06 september 2010 om 15:04

Korte inhoud/omschrijving:

Wat gaat er in Marcel om als de Dooddoeners uit Azkaban ontsnapt zijn? Soms komt verandering heel geleidelijk.

A/N: Dit verhaal was het begin. Ik schreef deze allereerste fanfiction in juni 2007 voor een wedstrijd over de S.v.P. en ben sindsdien verslingerd xD
Het verhaal speelt zich af tijdens OotP en ik heb er bewust voor gekozen om het in de tegenwoordige tijd te schrijven. Just so you know ;)



De Gouden Munt

Marcel zit in één van de rode leunstoelen in de leerlingenkamer van Griffoendor. In de lichtblauwe ogen waarmee hij uit het raam staart, ligt een rusteloze blik. Zijn vingers spelen gedachteloos met een Galjoen.
Het is twee uur in de nacht en terwijl zijn klasgenoten allemaal diep in slaap zijn, zit Marcel in zijn pyjama naast het haardvuur. Onbewust leunt hij iets opzij in een poging wat van de warmte van het vuur op te vangen. Hij heeft zijn ochtendjas vergeten aan te trekken toen hij zo voorzichtig mogelijk de slaapzaal verliet, het bed waarin hij onrustig heeft liggen woelen, achter zich latend.
Maar ook de vreedzame stilte van de leerlingenkamer of het rustig voorbijdrijven van de wolken kunnen de beelden in zijn hoofd niet stoppen.

De foto van een donkerharige heks die hem arrogant aankijkt, een bijna spottende lach om haar lippen. Langzaam verandert het beeld. Haar donkere ogen veranderen in smaragd. Het lange onverzorgde haar lijkt korter te worden en toont een litteken wanneer het haar op het voorhoofd vanéén wijkt. Harry. In de Zweinsteinexpres, overdekt met donkergroene smurrie. In de Kamer van Hoge Nood, zelfverzekerd rondstappend.

De één na de andere herinnering tuimelt in zijn hoofd.

De vertrouwde, gebloemde gordijnen van een ziekenzaal. Het bleke, ingevallen gezicht van zijn moeder, met de lange, witte haren. De geschokte gezichten van Harry, Ron, Hermelien en Ginny. De spottende blik in de ogen van Malfidus terwijl hij met openhangende mond zijn ogen naar achteren laat rollen.

Maar terwijl zijn gedachten rondtollen, krimpt Marcel niet in elkaar. Zijn ogen schieten niet zenuwachtig heen en weer. En … de Galjoen valt niet van tussen zijn vingers.
In plaats daarvan gaat hij rechtop zitten, zijn vingers nog steeds behendig met de munt spelend. Het verraadt een heleboel oefening. Oefening geboren uit gewoonte.
Ergens in het vijfde jaar is er iets veranderd in Marcel. Wanneer weet hij niet precies. Is er iets specifieks gebeurd of is de verandering geleidelijk tot stand gekomen?
Het was er nog niet aan het begin van het jaar die verandering; Marcel herinnert zich nog het incident in de Zweinsteinexpres toen hij vol trots zijn Mimbulus mimbeltonia liet zien.

Bij de wanhopige blik in Harry’s ogen toen Cho Chang de deur van de coupé had opengedaan, voelde Marcel de teleurstelling van zijn klasgenoot zo diep van binnen alsof het die van zichzelf betrof. Hij kende de gevoelens van Harry voor de Zoeker van Ravenklauw.
Marcel is niet zo leergierig en sociaal betrokken als Hermelien of dapper en loyaal als Ron, maar hij kan goed observeren. Mensen schenken hem zelden meer aandacht dan geïrriteerde geamuseerdheid bij zijn onhandigheid of vergeetachtigheid.
En hoewel zijn motoriek en geheugen hem wel eens in de steek laten, is dat niet het geval met zijn observatievermogen.
Dus zag hij de gêne toen Cho de coupé binnenkeek op het moment dat Harry helemaal overdekt was met het pus van zijn cactus. Dat was het ergste; dat het Marcels cactus was die dat ongelukkige gevoel bij Harry veroorzaakt had.
Harry is zijn voorbeeld, al zou hij dat nooit hardop zeggen. Hij weet heel goed dat Harry een hekel heeft aan zijn ’fans’, die oppervlakkige meute die hem niet kent, maar hem aanbidt om zijn naam en zijn litteken.
Marcel kent hem wel. Hij is natuurlijk net als de meeste leerlingen opgegroeid met de verhalen over de Jongen Die Bleef Leven en soms heeft hij hem verfoeid, die jongen met wie zijn oma hem altijd vergeleek. Want hoe kon Marcel ooit opboksen tegen het beeld dat iedereen van Harry heeft.
Maar Marcel kent Harry inmiddels beter dan dat. Hij kent hem zelfs beter dan de meeste van hun zaalgenoten, denkt hij. Hij heeft hem niet voor niets de afgelopen vier jaar geobserveerd. En hij haatte het dat hij Harry in verlegenheid had gebracht.

Marcel huivert en trekt zijn voeten op in de stoel. Hij slaat zijn armen om zijn knieën, de Galjoen in zijn rechterhand geklemd. De goudgele munt voelt warm aan.

Later die eerste schoolavond was Harry onder vuur komen te liggen door Simon, wiens moeder de onzinnige verhalen in de Ochtendprofeet blijkbaar geloofde.
Marcel had al zijn moed verzameld en – zonder rood te worden of te stotteren –  verklaard dat hij en zijn oma Harry geloofden en de Ochtendprofeet hadden opgezegd. De dankbare blik die Harry hem schonk, was balsem voor zijn ziel; het deed de herinnering aan het ‘pusincident’ een beetje verbleken.

Begon het door die blik? Was dat het begin van de verandering? Was er een doorslaggevend moment? Of kwam het geleidelijk?
Die blik had in ieder geval iets bij hem los gemaakt. Als Harry hem dankbaar kon zijn, misschien zou zijn held dan ooit naar hem kijken met een blik van trots in zijn ogen.
Misschien begon de verandering toen Hermelien hem vroeg of hij interesse had voor een speciale verdedigingsgroep onder leiding van Harry.
Hij had zich gevleid gevoeld. Hij had zichzelf verteld dat ze hem alleen maar vroeg omdat hij erbij zat toen ze Ginny erover vertelde. Maar de waarheid was dat ze al een poosje met Ginny had zitten studeren voordat Marcel bij hen was komen zitten.

Zonder aarzelen had hij tijdens de eerste ontmoeting in de Zweinskop zijn naam op het perkament van Hermelien gezet. Maar toen de eerste bijéénkomst eenmaal voor de deur stond, had Marcel die deur het liefst dichtgelaten.
Hoe kon hij denken dat hij hiertoe in staat was? Wie wilde hij wat bewijzen? Zijn grootmoeder? Ze zou hem wat meewarig aankijken en trots vertellen dat dit echt iets voor zijn vader zou zijn geweest. Zijn oom zou schamper lachen. En Harry … wat kon hij Harry bewijzen? Hij zou alleen maar weer eens bevestigen wat een onhandige sufferd hij was.
Schoorvoetend liep Marcel die avond vlak voor acht uur achter Ginny, Belinda, Parvati en Daan aan naar de zevende verdieping.
Tegenover een groot wandtapijt met daarop afgebeeld de vergeefse poging van Barnabas de Onbenullige om trollen te leren balletdansen, was een glanzende deur met een koperen klink. Marcel keek naar die struikelende trollen en wenste dat hij op zijn slaapzaal was.
Hij volgde de andere Griffoendors, die inmiddels naar binnen gingen en zag nog net Fred, George en Leo Jordaan de gang in komen lopen.
Om acht uur deed Harry de deur op slot. Toen hij wilde beginnen, viel Hermelien hem in de rede omdat ze een leider wilde aanwijzen en een naam voor hun groep wilde bedenken. Ondanks zijn zenuwen moest Marcel even glimlachen.
Harry kondigde aan dat hij wilde beginnen met het oefenen van de Ontwapeningsspreuk. Ze moesten paren vormen en natuurlijk bleef Marcel over. Harry besloot met hem te oefenen. Marcel was doodsbang dat hij per ongeluk een verkeerde spreuk op Harry zou afvuren en was dan ook opgetogen toen het hem lukte om de toverstok uit Harry’s hand te sommeren.
Twee weken later lukte het hem om Hermelien te ontwapenen.

Het is inderdaad geleidelijk gegaan die verandering, peinst Marcel. Terwijl hij weer naar het raam kijkt, valt zijn blik op een rood met gele plaid die op de bank voor het raam ligt. Hij staat op om hem te pakken. Buiten vliegt één van de schooluilen langs het raam op zoek naar een middernachtelijke snack.
Gewikkeld in warme Griffoendorkleuren gaat hij weer bij de haard zitten, de Galjoen nog steeds in zijn hand. Hij opent zijn vingers en kijkt naar de munt.
Het is niet zomaar een munt. Geen gewone Galjoen. Het is iets dat Marcel meer waard is dan alle andere munten die hij bezit. Het is zijn talisman.

Hermelien had de Galjoenen tijdens de vierde bijeenkomst aan iedereen uitgedeeld en ze stonden in verbinding met die van Harry. Als Harry tijd had om te oefenen, dan kon hij hen oproepen. En als hij hen nodig had ook.
Dus had Marcel de munt bij zich gestoken en geen moment weggelegd. Zelfs als hij ging slapen, stopte hij hem in de zak van zijn pyjamabroek. Het herinnerde hem aan die dankbare blik. Het herinnerde hem aan de keer dat hij Harry had ontwapend. En Hermelien. Het herinnerde hem aan succes. Elke keer als Sneep een sarcastische opmerking maakte of Malfidus hem smalend uitlachte, stak hij zijn hand in zijn zak en raakte de munt even aan. En als de munt warm werd omdat Harry de tekst veranderde, dan leek het of dat warme gevoel zich door zijn hele lichaam verspreidde.

Het haardvuur dooft langzaam, maar Marcel voelt zich verwarmd door het gloeien van de Galjoen. Terwijl zijn blik door de leerlingenkamer glijdt, komen zijn gedachten langzaam tot stilstaan. Bij de poot van de stoel tegenover hem ligt nog een stukje verdwaalde glitter van een kerstslinger. Over de stoelleuning hangt een roodgele das. Naast de haard liggen zoals altijd Hermelien’s breisels.
Maar Marcel kan alleen staren naar de voorkant van de Ochtendprofeet die iemand op de grond heeft achtergelaten.
De personen op de tien foto’s op de voorkant staren hem aan en lijken hem te bespotten. Zijn blik zweeft over elke foto ….. voor hij blijft hangen bij die van een donkerharige heks. Bellatrix van Detta. Een bittere haat welt op in zijn binnenste en brandt als gal een weg naar boven.

Hij weet nu een beetje hoe het moet zijn voor Harry. De gruwelijke roem die op je afstraalt als je ouders iets verschrikkelijks is overkomen.
Sinds de Ochtendprofeet vanmorgen door verschillende uilen bezorgd was, ging het nieuws over de tien ontsnapte Dooddoeners als een lopend vuurtje door de school. Zelfs het zoveelste Decreet van die afschuwelijke Omber had dat niet tegen kunnen houden.
En leerlingen van wie de familieleden geleden hadden onder het schrikbewind van die Dooddoeners stonden opeens in het middelpunt van de belangstelling.
Dat is precies de reden dat hij nooit iets over zijn ouders heeft verteld. Hij heeft geen behoefte aan het medelijden en de afschuw dat hij vandaag al in verschillende ogen heeft gezien. Of klasgenoten die juist onbeholpen hun gezicht wegdraaien als hij langsloopt omdat ze niet weten wat ze moeten zeggen.
En vooral – hij durft het bijna niet toe te geven – maar vooral wil hij niet vergeleken worden met zijn ouders. Zijn ouders. Frank en Lies Lubbermans, toegewijde leden van de eerste Order van de Feniks. Eén van de velen doelwitten van de wraakzuchtige aanvallen van de Dooddoeners nadat Vol – Jeweetwel plotseling was verdwenen. Ze hadden hen tot waanzinnigheid gemarteld met de martelvloek die avond.

Zijn ogen prikken en hij slikt verwoed. Hij wil niet steeds herinnerd worden.
Maar terwijl Marcel in de vlammen staart, vastbesloten niet te huilen, lijkt het vuur met zijn geest te spelen en weerspiegelt het zijn ouders in betere tijden.
God, hij mist ze – hij mist wie ze zijn geweest.

Hij was nog klein geweest. Veel herinneringen heeft hij niet van Ervoor. De meeste beelden komen van oude foto’s en verhalen van zijn oom en grootmoeder.
Maar soms als hij in de kassen is en de geur van seringen hem bijna overweldigt, sluit hij zijn ogen en lijkt het even of zijn moeder naast hem staat. Of als de huis-elfen kaneelpudding hebben klaargemaakt, dan kan hij zich even … heel even in de keuken wanen waar ze vaak kaneelkoekjes bakte. Lange blonde haren. Zonlicht. Een schaterende lach.
En zijn vader …  Marcel kijkt naar buiten, zijn ogen glanzend van ingehouden tranen. Zijn grote, sterke vader zong altijd een liedje voor hem als hij hem in bed stopte. Een enkele keer herinnert hij zich flarden van de melodie en brokken van de tekst. Iets over sterren aan de hemel en wensen. Daarom doet Marcel elke keer als hij een ster ziet een wens, ook al weet hij niet zeker of het liedje zo gaat.

Het zwakke licht van het smeulende vuur schijnt op de munt. Hij ziet de schittering vanuit zijn ooghoek en even lijkt het alsof hij het twinkelen van een ster ziet.
Aarzelend neuriënd doet Marcel een wens. Een wens voor kracht. En een wens voor moed.

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 25 september 2010 om 13:42
A/N: Voor de wedstrijd 'Schrijf een liefdesbrief aan Hermelien'.


Een S.H.I.T.-liefdesbrief



Lieve Hermelien Griffel, juffrouw,

Al schrijft professor Banning deze brief voor Dobby, de woorden komen allemaal rechtstreeks uit Dobby’s hart. Zijn hoofd zit namelijk zo vol met gedachten over Hermelien Griffel, juffrouw, dat Dobby de Hersenpan van professor Perkamentus nodig had.
Professor Sneep was niet blij toen hij Dobby betrapte. Zijn blik was bijna net zo dodelijk als die van een Basilisk en als professor Omber niet binnen was gekomen, dan had hij Dobby vast gestraft.

Dus moest Dobby gaan strijken, terwijl hij dacht aan uw glimlach, die net als een Expelliarmus is, eenvoudig maar ontwapenend. En nu zitten Dobby’s handen in het verband. Maar dat geeft niet, alles voor Hermelien Griffel!
Zelfs toen ze Versteend was, straalde ze meer warmte uit dan de meeste heksen hier op school, juffrouw. Zo veel gevoel voor medetovenaars en –heksen, maar ook voor andere magische wezens.
S.H.I.T! Niet iedere huis-elf waardeert hoe u voor gelijke rechten vecht, maar voor Dobby is Hermelien Griffel een heldin! De mutsen en sokken, het resultaat van uw nobele arbeid, zal Dobby voor altijd koesteren.

Dobby wilde eerst dat professor Sneep hem Occlumentie kon leren, want Dobby kan u niet uit zijn gedachten krijgen, Hermelien Griffel, juffrouw. Maar het is waarschijnlijk niet wijs om hem dat nu te vragen en daarom heeft Dobby besloten eindelijk zijn gevoelens te openbaren aan de slimste, liefste, trouwste en nobelste heks die hij ooit ontmoet heeft.

Voor altijd uw trouwe huis-elf (ook al is Dobby een vrije huis-elf!),


Dobby

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 10 oktober 2010 om 13:01

Korte inhoud/omschrijving:
Waarom heeft Heer Hendrik van Malkontent tot Maling gekozen voor een bestaan als geest. Terwijl de beul de botte bijl hanteert, kijkt Haast Onthoofde Henk terug op zijn leven.

A/N: vanwege het komende Halloweenfeest, heb ik voor jullie een verhaal dat zich afspeelde op 31 okt. Het is geïnspireerd door een zelfgeschreven ballade die Henk in de eerste versie van De Geheime Kamer zong. De redacteur was geen liefhebber van het lied en daarom knipte J.K. Rowling het eruit.
Het is – in de woorden van Paul van Loon – een grumor verhaal; een gruwelijk verhaal met een redelijke dosis humor. Aangezien het wat bloederig is, heb ik gekozen voor de volgende leeswijzer:




Zijn laatste keuze

Hij legde zijn vermoeide hoofd neer. De ondergrond was hard en schuurde langs zijn rechteroor, maar hij had op dit moment andere dingen aan zijn hoofd.
Vanuit zijn ooghoek zag hij de priester; in zijn blik een combinatie van sympathie en hulpeloosheid.
Zelf voelde hij zich niet hulpeloos en niet eens bang. Daarvoor overheerste zijn woede teveel. Woede om de onrechtvaardigheid; het was niet dat hij dit verdiend had. Iedereen maakte immers wel eens een foutje. Het was niet dat hij iemand vermoord had of had lopen heulen met de vijand.
Hij had alleen de pech dat het zogenaamde ‘slachtoffer’ de vrouw was van een hooggeplaatste rechter. Als zij niet zo ijdel was geweest, zou dit vonnis hem nu niet boven het hoofd hangen. En zó schreef stonden haar tanden helemaal niet! Dat had hij, ondanks een gebrek aan slaap en een overmaat aan Oude Klare's Jonge Borrel, nog wel kunnen zien.
In Griffoendors naam, het gegil van de vrouw toen die slagtanden langs haar edele neus binnen haar gezichtsveld verschenen – hij was op slag nuchter geweest.

Naast hem zette de man met het masker de bijl tegen het hakblok. Door de twee gaten in het masker zag hij donkere ogen glinsteren.
‘Laf beroep,’ dacht Heer Hendrik van Malkontent tot Maling, ‘m’n kop eraf als dat geen Zwadderaar is!’
Nee, dan zijn beroep. Oké, het was misschien niet echt een beroep dat je bij een moedige Griffoendor verwachtte, maar hij was toch tien keer liever Heler dan Beul. Als mensen maar niet op elk moment van de dag een beroep op hem zouden doen.

Het was vroeg in de morgen, maar daardoor was het nog redelijk rustig op het kleine plein. Er waren niet al teveel sensatiebeluste mensen, constateerde Hendrik.
Hoe mensen voor hun vermaak naar executies konden gaan, ging hem zijn hoed te boven.

Hij was niet bang voor de dood. Of beter gezegd … hij was niet bang om dood te gaan. Het zou tenslotte in één klap voorbij zijn.
Hij liet weinig achter. Hij had geen vrouw en geen kinderen. Voor zover hij wist in elk geval. In zijn jonge jaren had hij graag in damesgezelschap vertoefd, maar vanaf het moment dat hij op een bal masqué in Ariannes helderblauwe ogen had gekeken, hadden andere vrouwen geen bekoring meer voor hem gehad.
Arianne. De liefde van zijn leven. Maar nooit helemaal van hem.
Zijn geliefde was net voor het einde van de Honderdjarige Oorlog gestorven. Het huis waar ze samen met haar echtgenoot en kinderen de zomer had doorbracht, was platgebrand door de Fransen.
Nu zou hij haar eindelijk weer zien. Een gevoel van verlangen overheerste heel even de angst die zich nu toch wel van hem meester begon te maken.

Hendrik zag de bijl omhoog zwaaien en op het hoogste punt stilstaan. Hij wachtte op het moment dat zijn leven aan hem voorbij zou trekken. Dat gebeurde toch vlak voor je dood ging; zo’n Viavia-achtige wervelwind van herinneringen?
Verzonken in die filosofische gedachte, merkte hij te laat dat de beul zijn armspieren liet opbollen en met één zwaai de bijl naar beneden zwiepte.
Een misselijkmakend gekraak klonk over het doodstille plein. Daarna het geluid alsof tientallen mensen hun ingehouden adem lieten ontsnappen. Een geluid? Toen schoot een onbeschrijflijke, felle pijn door zijn nek en realiseerde hij zich vol ontzetting dat hij nog leefde. Gal brandde een pad omhoog en vulde zijn mond, voor het langs zijn mondhoek wegsijpelde. Gelukkig had hij zijn galgenmaal gemist.
De beul gromde geërgerd en hief de bijl weer omhoog.

Het publiek werd onrustig. Hendrik wachtte gespannen op de tweede – en hopelijk – definitieve klap. Niet dat hij nu per se dood wilde, maar als het dan toch zo moest zijn, wel graag met één klap. De pijn in zijn nek was vele malen erger dan hij zich de zo gevreesde Martelspreuk voorstelde.
Weer spande de beul zijn spieren voor hij de bijl naar beneden liet vallen. Hendrik sloot zijn ogen en haalde nog een laatste keer diep adem.
Even dacht hij dat het voorbij was; de felle pijn veranderde in een bijna gevoelloze dofheid. Maar binnen seconden keerde de pijn drievoudig terug. Hij klauwde aan zijn nek en baande zich toen een weg naar zijn ingewanden.
De beul vloekte, de priester prevelde om genade en een vrouw in het publiek krijste zo schril dat ze niet anders dan familie van de slagtandendame kon zijn.
Hij herinnerde zich Ariannes zachte en een beetje hese stem en haar melodieuze lach. Hij probeerde de gedachte aan haar vast te houden; alles om maar niet bewust deze marteling te hoeven beleven. Hij had maar een paar jaar met Arianne gehad, maar het waren de mooiste jaren geweest sinds hij Zweinstein had verlaten.
De momenten die ze samen hadden kunnen zijn, waren sporadisch geweest. Toch had het nooit gehaast gevoeld. Ze hadden vaak gepraat alsof ze alle tijd van de wereld hadden.
Hij had nooit een vrouw ontmoet die zo intelligent was. Niet voor en niet na haar. Ze hadden het regelmatig over politiek gehad. Over de gruwelijke heksenjachten die overal plaats hadden gevonden.

Hendrik voelde zich op dit moment sterk verbonden met die vele onschuldige slachtoffers, al was zijn vonnis niet veroorzaakt door gebruik van magie, maar door het verkeerd gebruik ervan.
Hij dacht aan de negentienjarige Jeanne d’Arc. Al streed ze tegen zijn vaderland, Hendrik kon niet anders dan bewondering hebben voor haar moed en strijdlust. Was ze echt een heks geweest en Engelse, dan zou ze zeker in Griffoendor gesorteerd zijn geweest.

De volgende klap overviel hem, maar was een exacte herhaling van de vorige twee; het ruisen van de bijl, de tijdelijke gevoelloosheid en de scherpe pijn die gelijk daarop volgde.
Hendrik wilde vloeken en tieren en zelfs smeken of zijn beul een andere bijl nam, – waarom deed die sadist dat niet? – maar in plaats daarvan beet hij op zijn lippen tot hij de weeïge smaak van bloed proefde; eens een Griffoendor, altijd een Griffoendor!
Hij probeerde zich af te sluiten van de mensen om hem heen. De priester kon immers niets meer voor hem doen en de beul wilde het niet.

‘ - drie - ‘

Vaag hoorde hij hoe het publiek de klappen begon te tellen. Angst kronkelde zich door zijn lichaam en Hendrik vluchtte weer naar het verleden.
Arianne zou blij zijn geweest dat Paus Innocentius VIII afgelopen zomer gestorven was. De man die zo verbonden was geweest met de heksenjachten. Hopelijk zou de nieuwe Paus de situatie kunnen verbeteren.

‘ - vier - ‘

Het ruisen had hij dit keer niet gehoord. In plaats daarvan hoorde hij de beul opnieuw vloeken. Verder was het een herhaling van dofheid, verdreven door helse pijn. Zijn nek brandde … zijn ogen tranen …

Ze hadden het vaak over reizen gehad. Gedroomd over landen die ze zouden gaan bezoeken. Wat zou ze gevonden hebben van de plannen van die Columbus?
Dat was nog eens een moedige man, om via een westelijke route Indië te willen gaan zoeken. Koppig was hij ook. Nadat zijn voorstel eerder was afgewezen door het Spaanse, Engelse en Franse hof, had hij volgehouden tot hij eindelijk goedkeuring had gekregen van de Spaanse koning.

‘ - vijf - ‘


De folterende pijn overheerste opnieuw zijn gedachten. Zelfs een brandstapel kon niet zo erg zijn. Hij voelde zijn kraag tegen zijn natte huid plakken. Tussen zijn oogleden ving hij een glimp op van witte kant dat langzaam roze kleurde. Hij kneep zijn ogen weer dicht.
Zijn geliefde had veel van kunst gehouden en had ervan gedroomd dat ze samen ooit Het Laatste Avondmaal en de Geboorte van Venus konden zien. Hendrik probeerde wanhopig een beeld van Botticelli’s meesterwerk op te roepen, maar hij zag enkel het rood van Venus’ haren - gedrapeerd om haar blanke lichaam – vervloeien tot het roze van zijn kraag.

‘ - zes - zeven -  ‘


De bijl begon nu in een gestaag ritme toe te slaan en er was geen dofheid meer. Geen gevoelloosheid. Zijn bewustzijn vernauwde zich tot het ritme van de bijlslagen, het tellen van de omstanders en zijn eigen gedachten. Hendrik probeerde wanhopig aan betere tijden te denken.
Maar het waren niet meer de gelukkige herinneringen die hem overspoelden. Beelden van de ruzies; toen hij te koppig was geweest om in te zien dat ze onmogelijk voor hem had kunnen kiezen en haar gezin verlaten.

‘ - negen - tien - ‘

De keren dat ze elkaar niet hadden kunnen zien omdat één van haar kinderen ziek geweest was. De wanhoop toen hij vier weken niets van haar gehoord had, voor hij er bij toeval achter was gekomen dat ze ernstig ziek was en hij niet naar haar toe had gekund.

‘ - veertien - vijftien - ‘
scandeerden de mensen. Hij kon zich bijna voorstellen dat hij een Zwerkbalwedstrijd bijwoonde. Eén waarbij hij weliswaar net een Beuker tegen de zijkant van zijn nek had gekregen. Of twee!

‘ - zestien - zeventien -  ‘

De gedachte aan Zwerkbal leidde zijn gedachten gelukkig af naar zijn schooltijd op Zweinstein. De tijd waarin hij jong en idealistisch en bovenal heel gelukkig was geweest.
De Sorteerceremonie. Het trotse gevoel toen hij net als zijn vader en diens vader in Griffoendor gesorteerd werd.
Zijn beste vrienden; Gifford Ollerton, met zijn obsessie voor reuzen waarover hij uren had kunnen discussiëren, tot Alberta Toothill hem behekst had met een redelijk onschuldige versie van de Dreunspreuk, waarmee ze later beroemd was geworden.

‘ - zesentwintig - zevenentwintig - ‘

De avonden in de leerlingenkamer, de Zwerkbalwedstrijden, de zaterdagen die ze naar Zweinsveld hadden gemogen en misselijk van alle snoep terug waren gekomen. De sneeuwbalgevechten die altijd veel te dicht bij de kassen werden gehouden en de luie zomerse middagen bij het meer.

‘ - tweeëndertig - drieëndertig -  ‘


Op het moment dat Hendrik zich afvroeg wanneer de goden hem genadig zouden zijn, werd de wazige wereld achter zijn oogleden opeens een stuk helderder en hij zag twee wegen vanaf zijn gezichtspunt richting de horizon verdwijnen.
Aan het einde van de linker weg zag hij huizen, boerderijen en op de achtergrond het  kasteel uit zijn herinneringen. Voor het kasteel zag hij gedaanten zweven en even leek hij een monnik te zien. Hij vroeg zich af of hij begon te hallucineren.

‘ - negenendertig - veertig - ‘

De weg naar rechts slingerde zich door één van de mooiste landschappen die hij ooit had gezien. Kleurrijke vogels vlogen van boom tot boom, hun gezang in harmonie met het kabbelen van kleine watervallen. Ook hier zag hij allerlei gedaanten al leken ze niet echt te zweven. Mensen glimlachten en zwaaiden en met een schok herkende hij Arianne tussen de mensen. Zijn geliefde wenkte hem, glimlachte naar hem en Hendrik besefte plotseling dat dit het moment was om een keuze te maken tussen blijven of overgaan. Tussen de geesten of zijn geliefde. De keus leek belachelijk eenvoudig en hij wilde zich bewegen en de afstand overbruggen.
Toen zag hij achter haar een grote donkere gestalte naderen en opzij daarvan twee kleinere die achter haar rok verdwenen. Haar arm zakte en haar glimlacht vervaagde.

‘ - vijfenveertig - ‘


De pijn verdween.

Eeuwen later zou Haast Onthoofde Henk – zoals zijn bijnaam inmiddels was - leerlingen die wanhopig bij hem om advies kwamen vragen, vertellen dat hij bang was geweest voor de dood en dat hij soms twijfelde. En dat was waar, maar hij vertelde hen niet waarvoor hij precies bang was geweest. Dat hij bang was geweest dat zijn geliefde ook na de dood niet voor hem zou hebben gekozen; dat hij voor altijd eenzaam zou zijn geweest. Daarom had hij ervoor gekozen om als een bleke schim achter te blijven en naar Zweinstein te gaan, naar zijn geliefde Griffoendor. De enige plaats waar hij zich niet eenzaam had gevoeld. Waar hij vriendschap en loyaliteit had gekend.
Ja, soms twijfelde hij wel eens en vroeg zich af of ze toch niet voor hem zou hebben gekozen aan die andere zijde, waar ze vrij was geweest in haar keuze en de samenleving niet langer haar beslissingen had gedicteerd.
Maar op zulke momenten was er altijd wel een verlegen eerstejaars leerling, die hem dankbaar aankeek wanneer hij haar de weg wees. Of opgewonden geroep wanneer hij samen met de andere geesten de Grote Zaal binnen kwam zweven.
En als hij dan trots tussen de Griffoendors aan de afdelingstafel ging zitten, was er geen spoortje twijfel te vinden.

Al wilde hij dat hij nog eens één keer een pasteitje zou kunnen proeven.



Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 30 november 2010 om 22:27

Korte inhoud/omschrijving:
Patty probeert Draco ervan te weerhouden om met Potter te duelleren, maar of dat een goed idee is. Humor.

Het duel

‘Vanavond om negen uur, Potter! Kamer van Hoge Nood! Jij en ik! Dan zullen we zien wie de betere tovenaar is.’
Patty zuchtte geërgerd toen ze het lokaal van Toverdranken uitliep en Draco en Potter woest naar elkaar zag staren. Wemel en Griffel hielden Potter ieder bij een arm vast terwijl Potter spottend riep: ‘Zoals we gisteren zagen wie de betere Zoeker was, zeker?’
‘Durf je niet, Potter?’ sneerde Draco. ‘Bang dat je zonder Perkamentus en die zogenaamde Orde door de mand valt?’
Alleen het waarschuwende ‘Ron’ en de felle blik van Griffel leken Wemel ervan te weerhouden zich in het gevecht te mengen. Patty trok Draco tussen Korzel en Kwast vandaan en siste: ‘Kom op Draco, Sneep kan elk moment naar buiten komen.’
Potter werd door zijn aanhang meegetrokken in de andere richting. Over zijn schouder riep hij uitdagend: ‘Zorg dat je alleen komt, Malfidus! Als je iemand meeneemt, zal ik het weten.’

* ~ * ~ *

De hoge piepstem van Professor Banning klonk door het lokaal. De eerste helft van de les bestond net als anders uit de theoretische achtergrond van spreuken. Er waren niet veel zesdejaars Zwadderaars en Huffelpufs die aantekeningen maakten; de meeste leerlingen wachtten ongeduldig tot ze de Aguamenti-spreuk mochten gaan oefenen.
Patty keek naar Margriet, die naast haar op een stuk perkament zat te tekenen. In de rij voor hen zag ze tussen de hoofden van Korzel en Kwast door, het blonde haar van Draco. Patty merkte een nauwelijks bedwongen grijns op toen hij opzij keek naar Blaise. Hij leek bijzonder ingenomen met zichzelf!
Verdraaid Draco! Waar ben je in Zalazars naam mee bezig?
Patty was zich niet bewust van de bezorgde uitdrukking op haar gezicht. Een ongebruikelijk fenomeen voor de Klassenoudste van Zwadderich.
Sinds hij die brief van zijn tante had gekregen, gedroeg Draco zich nog geheimzinniger dan anders. Hij was razend geworden toen ze over zijn schouder geprobeerd had mee te lezen, maar helaas had ze niet meer gezien dan de laatste regel.

Hij rekent op je, Draco. Stel hem niet teleur!
Bellatrix


‘Wie rekent er op je, Draco? Wat moet je doen?’ had ze hem sindsdien herhaaldelijk gevraagd, maar hij had haar telkens geïrriteerd afgewimpeld.
‘M’n vader natuurlijk. Ik mag m’n schoolwerk niet laten versloffen nu hij geen invloed meer kan uitoefenen op het schoolbestuur.’
Patty was echter bang dat Lucius niet degene was op wie Bellatrix had gedoeld in haar brief. Zou de Heer van het Duister zijn aandacht op Draco hebben gericht nu Lucius in Azkaban zat?
Sinds de gebeurtenissen op het Ministerie vorig jaar had ze veel nagedacht. Haar ouders waren geen Dooddoeners dus ze werd minder onder druk gezet dan bijvoorbeeld Draco, Korzel en Kwast. Ze had gezien hoe zij en andere Zwadderaars blindelings het pad van hun ouders volgden. Patty vroeg zich af of de manipulaties van familie en de lokroep van macht sterker waren dan het besef van zelfbehoud dat Zwadderaars zo eigen was.
Zelf twijfelde ze inmiddels of het wel zo’n goed idee was om de Heer van het Duister te volgen. Of dat wel de winnende kant was. Zolang het niet nodig was, zou zij nog geen duidelijk standpunt innemen. Wat niet wilde zeggen dat het geen verstandig idee zou zijn om zich een beetje in te dekken bij de andere kant. Maar bij wie konden ze terecht?
Draco zat geanimeerd met Blaise te praten. Zou Blaise weten wat Draco moet doen en hoe gevaarlijk het is?
Patty twijfelde er niet aan dat hij één of andere opdracht gekregen had. De afwezige buien, de irritatie wanneer ze vragen stelde en al die keren dat hij urenlang spoorloos verdwenen was, zeiden genoeg. En niet te vergeten de Wisseldrank die ze toevallig in zijn hutkoffer had gevonden toen ze op zoek was naar een zakdoek. Daar had ze trouwens maar niets van gezegd. Draco ontplofte als iemand aan zijn spullen kwam.
De vraag was van wie die opdracht kwam.
Hoe kon ze voorkomen dat er straks geen weg terug was voor Draco? Kon ze maar achter zijn plannen komen. Ze durfde te wedden dat het iets met Potter te maken had. Maar daar hoefde je ook geen genie voor te zijn, gniffelde ze.
Opeens schoten haar gedachten terug en dan weer naar voren. Wisseldrank – Potter – duel. Als ze nou eens …

* ~ * ~ *

‘Doe het nou niet, Draco. Zijn je plannen om Potter de baas te zijn ooit goed uitgepakt?’ Patty verwachtte niet dat ze hem van gedachten kon laten veranderen, maar probeerde het toch.
Draco keek haar geïrriteerd aan. Of het was vanwege die opmerking of vanwege het feit dat haar uitgestrekte benen bijna de kleren raakten, die hij op het voeteneind van zijn bed klaar legde, wist ze niet. Voor de zekerheid propte ze een kussen tegen het hoofdeind en ging er in kleermakerszit tegenaan zitten.
‘Moet je er zelfs voor een middernachtelijk duel smetteloos uit zien?’ vroeg ze spottend en viste met twee roze gelakte nagels een witte bonbon met karamelvulling uit de doos naast haar.
‘Negen uur.’
‘Wat?’ vroeg ze met volle mond.
‘Negen uur. Dat geldt voor de meeste mensen als vroeg op de avond, Patty. Als middernachtelijk uur houden we over het algemeen twaalf uur aan. Tegen die tijd ben ik ongetwijfeld al lang terug en ligt Potter voor de zoveelste keer op de ziekenzaal.’
Hij schudde automatisch zijn hoofd toen Patty hem de doos chocolade voorhield.
‘Je snapt niet dat ze hem nog geen vaste kamer hebben gegeven,’ sneerde hij. ‘Ik wed dat het niet lang meer duurt voor St. Holisto een vleugel naar hem vernoemt.’
Patty grinnikte even en bewoog de doos verleidelijk voor hem heen en weer terwijl Draco een zilvergrijs overhemd op zijn zwarte broek legde.
‘Kom, neem er één. Volgens mij zit er nog één met een champagne-roomvulling in de onderste laag.’
Ze tilde het glanzende vloeipapier op en voegde er spottend aan toe: ‘Wie weet hoelang je na vanavond niet kan eten. Ik betwijfel of madame Plijster je iets anders dan een verantwoorde maaltijd zal voeren.’
‘Feeks,’ zei Draco, maar hij liet zich overhalen en pakte de bonbon van pure chocolade met zijn lievelingsvulling uit de doos.
Toen hij de lekkernij in zijn mond stopte en zich omdraaide om de rest van zijn kleding uit te zoeken, liet Patty zich van het bed glijden. Ze was net op tijd om Draco vast te pakken die plotseling op zijn benen stond te zwaaien. Zijn ogen hadden moeite om te focussen en hij bracht met moeite uit: ‘Wat …wat heb je gedaan?’
‘Sorry Draco, maar iemand moet je tegenhouden.’
Ze stuurde zijn lichaam een paar passen naar achteren en duwde hem met zachte drang op het bed.
‘Nee!’ Hij probeerde met alle macht te vechten tegen het verlammende gevoel in zijn lichaam, maar Patty wist dat de concentratie slaapdrank die ze in de bonbon had gedaan te groot was om te weerstaan.
Ze trok en schoof tot Draco – inmiddels diep in slaap – helemaal onder de dekens verdwenen was en er alleen een pluk witblond haar onder vandaan stak. Voorzichtig trok ze één haar uit.
Tot nu toe ging alles volgens plan, dacht ze tevreden. Op naar fase twee.
Voor de zekerheid sloot ze eerst de deur van de slaapzaal, hoewel ze wist dat Korzel en Kwast echt niet voor tien uur klaar zouden zijn met hun strafwerk voor Sneep. En Blaise en Theo waren helemaal opgegaan in een potje Knalpoker toen ze langs de leerlingenkamer was gelopen; die verwachtte ze hier voorlopig ook nog niet. Ze trok de gordijnen rond Draco’s bed dicht en ging toen op zoek naar dat flesje Wisseldrank.

* ~ * ~ *

Vijftien minuten later liep Patty gehaast de gang van de zevende verdieping op. Gelukkig was ze vorig jaar al eens in de Kamer van Hoge Nood geweest. Het grijze overhemd voelde erg ongemakkelijk en ze wriemelde haar vinger achter het boordje.
Als ik in Zalazars naam het komende uur maar niet naar het toilet moet. Er zijn grenzen aan de dingen die ik voor Draco wil doen.
Halverwege de gang stond een deur op een kier. Toen Patty hem voorzichtig openduwde en naar binnenstapte, werd ze een moment afgeleid.
Deze Kamer was niet voor een gevecht ingericht. Integendeel! Haar ogen gleden over de comfortabele bank voor de knapperende open haard, de brandende kaarsen in de kandelaars langs de muren en het tafeltje met glazen en flessen drank. Het deed gezellig aan. Bijna romantisch, dacht ze verbijsterd.
Ze schrok zich halfdood toen de deur met een klap dichtviel en ze tegelijkertijd twee armen om haar middel voelde, en een paar lippen dicht bij haar oor fluisterde: ‘Eindelijk! Je bent laat.’
‘Potter,’ krijste ze en sprong een meter naar voren.
Hij grinnikte duivels, gebaarde naar de bank en vroeg: ‘Eerst wat drinken, Draco?’
Patty’s gedachten raasden wild door haar hoofd. Draco? Draco en Potter? Nee, dat kan niet. Ze knipperde verwoed met haar ogen. Misschien is dit een nachtmerrie, dacht ze hoopvol.
‘Boterbier?’ glimlachte Potter, ‘of liever iets sterkers vanavond?’
Vanavond? Hoe vaak hebben ze hier in Zalazars naam al afgesproken?
Toen Potter haar het gevraagde flesje Boterbier aanreikte, gleden zijn vingers even langs die van haar terwijl zijn ogen haar vanachter die belachelijke bril doordringend aankeken. Ze huiverde.
Oh Merlijn, waar ben ik aan begonnen. Tijd om lichtelijk in paniek te raken. Wat wil Potter van haar … uhm … van Draco.
Ze overwoog even wat de beste strategie was, maar besloot toen om zich niet in de kaart te laten kijken en haar mond te houden. Zolang ze niets zei, kon ze tenslotte ook niets verraden.
Potter ging op de bank tegenover haar zitten, nam een slok van zijn Oude Klare en draaide de heldere vloeistof nadenkend rond in zijn glas. Toen keek hij op en zei: ‘Had ik niet duidelijk gemaakt dat ik het zou weten als je anderen meenam?’
Patty staarde hem verbluft aan.
‘Maar ik ben alleen gekomen, …’ Ze durfde hem niet bij zijn naam te noemen omdat ze er inmiddels ernstig aan twijfelde of Draco hem hier nog wel Potter noemde.’
Met dezelfde doordringende blik vervolgde hij: ‘Maar waarom ben je gekomen, Park? En waar is Malfidus?’
Wat in Zalazars naam … Patty verslikte zich in haar Boterbier. Toen ze uitgehoest was, zag ze Potter observerend naar haar kijken. Hij leek haar niet te willen vervloeken. Zijn uitdrukking was eerder nieuwsgierig. Ze twijfelde opnieuw tussen ontkennen en opbiechten. Hoe kan hij het weten? Dit kan geen bluf zijn.
Opeens bedacht ze dat dit misschien wel de uitgelezen gelegenheid was om af te tasten hoe het er met haar mogelijkheden aan de zijde van het Licht voorstond.
‘Jemig, Potter,’ zei ze tenslotte spottend, ‘je tegenstanders in hun drankje laten stikken, is ook een manier om van ze af te komen. Al betwijfel ik of dat bij de Heer van het Duister zal werken.
Potter snoof geamuseerd en Patty aarzelde even. Toen legde ze haar kaarten op tafel. ‘Draco ligt in zijn bed. Te slapen.’
Smaragdgroene ogen hielden die van haar even vast en ze vroeg zich opeens af of hij soms een Legilimens was. Hij knikte alsof hij de waarheid in haar ogen las en ze ontspande. Opgelucht klaagde ze: ‘Wat on-Griffoendorachtig, Potter. Ik weet niet of ik meer geschokt ben dat je me door hebt of dat je me liet geloven dat jij en Draco elkaar hier ontmoeten. Merlijn! Harry Potter en Draco Malfidus, een stiekem rendez-vous. Het idee.’
Hij trok een wenkbrauw op in een exacte kopie van Draco en ze grijnsde.
‘Maar nu ik hier toch ben en jij de neiging hebt bedwongen om je staf te pakken …’ Dit keer was het Potters beurt om zich te verslikken.
Terwijl ze grinnikend achterover leunde tegen de kussens en de zaak van de Zwadderaars begon te bepleiten, miste ze de tevreden grijns op het gezicht van Harry Potter.

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
<< Vorige Pagina  van 4 Volgende >>
Beantwoord bericht Plaats een nieuw onderwerp
Printbare versie Printbare versie

Spring naar forum
je kan niet nieuwe onderwerpen plaatsen in dit forum
je kan niet antwoorden plaatsen in dit forum
je kan niet berichten verwijderen in dit forum
je kan niet berichten bewerken in dit forum
je kan niet enquêtes creëren in dit forum
je kan niet stemmen in enquêtes in dit forum