Actieve onderwerpenActieve onderwerpen  Toon de lijst met forumledenLedenlijst  KalenderKalender  Doorzoek dit forumZoeken  HelpHelp
  RegistrerenRegistreren  InloggenInloggen
Korte Schrijfsels
 Het Harry Potter Forum : De Toren der Creatievelingen : De Bibliotheek : Korte Schrijfsels
Onderwerp: • Avana's one-shots Beantwoord bericht Plaats een nieuw onderwerp
<< Vorige Pagina  van 4 Volgende >>
Schrijver Bericht
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 21 december 2010 om 17:45
Korte inhoud/omschrijving: Een vechtpartij met een teamgenoot verpest de kerstvakantie voor de zestienjarige Albus Potter. Zelfs een Wemel-kerstfeest schijnt daar niets aan te kunnen veranderen.

A/N: 20 one-shots in een jaar. Dat is meer dan ik genoemd had bij de forumvoornemens xD Daarom een kerstverhaal voor alle Dreuzels die me het afgelopen jaar gemotiveerd hebben door te schrijven!
Dit verhaal schreef ik vorig jaar als Secret Santa voor Elijah (Jeremy). Het bevat dan ook alle ingrediënten waar hij van houdt, maar ik denk dat er wel meer Wemelfans zijn ;)


De Kerstboodschap

Albus zat naast het haardvuur en staarde somber naar de uitbundig versierde kerstboom. De talloze knutselwerkjes van de kinderen en kleinkinderen Wemel vormden een bonte verzameling, maar hij kwam er niet van in de kerststemming.
Er heerste een opgewonden sfeer in het Nest. Lucy, Lily en Roxanne dansten door de woonkamer op kerstmuziek uit de oude houten radio. Ze botsten bijna tegen oma Molly aan. Ze kon het blad met glaasjes advocaat en glazen pompoensap net recht houden en stuurde de meisjes naar de keuken om zich daar uit te leven op het schoonmaken van de spruitjes. Zachtjes mopperend verdwenen ze.
James, Louis en Dominique trokken gelijktijdig hun voeten in en stopten abrupt hun gegrinnik en gesmoes om niet de aandacht van hun oma te trekken.
Zijn moeder sprong op van de bank en begon de glazen uit te delen. Toen ze hem een glas wilde aanreiken, weigerde Albus koeltjes. Hij was nog steeds boos op haar.
Hij had vanmorgen niet eens kans gekregen om te bedanken voor de cadeautjes in zijn kerstsok voor ze alweer was begonnen over de brief die ze van het schoolhoofd had gehad. ‘Net of hij de eerste in de familie was die ooit straf op school had gekregen,’ mopperde hij inwendig. De vermaakte blikken van James hadden ook niet echt geholpen voor zijn humeur.
Hij zuchtte even, maar lachte geruststellend toen hij de bezorgde blik van zijn vader ontmoette. Zijn vader had weinig gezegd over de brief. Dat was ook niet echt nodig geweest want zijn moeder had voor twee gepreekt en bovendien wist de hele familie al jaren dat Harry Potter zelf ook de nodige regels had gebroken toen hij op Zweinstein zat.
Albus dacht terug aan vorige week toen hij voor de allereerste keer in zes jaar naar het schoolhoofd had gemoeten. Hij dacht echter niet aan de straf die hij had gekregen, maar aan die onverwachte ontmoeting.

‘Meneer Potter, wat een aangename verrassing om je hier te zien. Hoewel ik vermoed dat de reden minder plezierig is.’
Albus draaide zich met een ruk om en zijn blik viel op het schilderij net boven het bureau van het schoolhoofd. Hoewel de opmerking op vragende toon werd gesteld, lieten de twinkelende blauwe ogen Albus weten dat het een retorische vraag was. Niettemin knikte hij langzaam terwijl hij een paar passen bij het torenraam vandaan deed.
‘Kom zitten,’ zei het portret uitnodigend. ‘Het zal nog wel even duren voor professor Anderling die overstroming de baas is.’
Hij gniffelde en Albus had moeite om te geloven dat dit de grote Perkamentus was waarover iedereen het altijd had en naar wie hij vernoemd was. Zijn portret dan, herinnerde hij zichzelf.
Aarzelend liet hij zich in de stoel voor het bureau zakken. Zijn nieuwsgierigheid over die overstroming werd verdreven door zijn opspelende zenuwen. Hoewel hij nog steeds niet echt uitkeek naar de reactie van zijn familieleden, maakte hij zich nu meer zorgen om die van zijn medeleerlingen. Wat als iedereen die onzin van Chris geloofde? Hij hoefde niet te hopen dat het verhaal niet de ronde zou doen. Daar zou James wel voor zorgen als niemand anders het deed, dacht hij bitter. Hij had geen idee hoe Scorp zou reageren. Zou hij smakelijk lachen om zulke domme roddels of zou hij Chris geloven en niets meer met Albus te maken willen hebben.
De stem van Perkamentus doorbrak de stilte. Hij klonk wat melancholiek.
‘Het is tragisch dat men nog steeds niet openhartig over bepaalde zaken kan zijn. In mijn tijd …’
‘In jouw tijd was het veel te vermoeiend om die openhartige verhalen in talrijke stenen te beitelen,’ onderbrak een sarcastische stem Perkamentus’ verhaal.
Albus keek opzij en zag naast het schilderij van Perkamentus nog een tweede hangen. De tovenaar daarin keek geïrriteerd langs zijn grote, gebogen neus naar Perkamentus, waarbij zijn lange zwarte haren rond zijn gezicht slierden.
‘Kom, kom, Severus.’ De toon van de oude tovenaar klonk ergerlijk kalm.
Severus? De ogen van Albus vlogen plotseling wagenwijd open en hij staarde naar de zwartharige tovenaar.
‘U … u bent Severus Sneep?’ flapte hij er uit. Hij zag vanuit zijn ooghoeken dat Perkamentus’ ogen leken te schitteren, maar hij richtte al zijn aandacht op de man die hem nu van kop tot teen opnam.
‘En jij bent blijkbaar een Potter!’ zei hij smalend. ‘Het evenbeeld van je opa, behalve je ogen.’ Sneep zweeg.
‘Ik heb de ogen van mijn vader,’ reageerde Albus en stak zijn kin naar voren. ‘Maar u kunt hem niet zijn.’ Albus was zo verbouwereerd door de ontmoeting met de man waarover zijn vader altijd met respect sprak dat hij helemaal vergat waar hij was en waarom. ‘Mijn vader zegt altijd dat u de moedigste man bent die hij ooit heeft gekend.’
Perkamentus gniffelde, maar Sneep snoof ongelovig. ‘Griffoendors! Geef ze een herinnering en ze richten gelijk een vervloekt standbeeld voor je op. En als je in een woordenboek kijkt, meneer Potter, zul je ontdekken dat moedig geen synoniem is voor aardig.’
Bij het laatste woord keek hij alsof hij een vies Smekkie had doorgeslikt. Voordat hij erover nagedacht had, besloot Albus lik op stuk te geven.
‘Nou, eigenlijk was het geen standbeeld hoor. Alleen maar een borstbeeld.’
“WAT? Je bedoelt dat ze echt …’
De heftige reactie verbaasde Albus. Bezorgd vroeg hij zich af of een portret ook een toeval kon krijgen. Hij wendde zich tot Perkamentus, maar die knipoogde naar hem en gebaarde naar de deuropening waarin professor Anderling net verschenen was.


“Albus!’ klonk het geïrriteerd. Het was duidelijk niet de eerste keer dat zijn moeder hem riep. De woonkamer was opeens een stuk minder vol; blijkbaar was het tijd om aan tafel te gaan. Of moest hij zeggen tafels?
Toen hij opstond, legde zijn vader even een hand op zijn schouder. Hij zei niets, maar Albus was dankbaar voor het gebaar.
De keuken was nog overdadiger versierd dan de woonkamer. Of in ieder geval kleurrijker want hier hadden zijn nichtjes en zusje zich met dozen en dozen slingers en versieringen uitgeleefd, terwijl de jongens op het besneeuwde erf sneeuwforten hadden gebouwd.
Het duurde even voor iedereen zat. Albus probeerde een onopvallend plaatsje op een hoek te vinden, maar slaagde daar niet helemaal in. Hij belandde tussen oom George en Victoire in. Zijn moeder en tantes liepen druk heen en weer om de laatste schalen op tafel te zetten. Oom George vertelde Hugo en Fred aan zijn andere zijde over de keer dat hun oom Fred een tuinkabouter had verdoofd, hem goud had geschilderd en tenslotte met vleugeltjes en al boven in de kerstboom had gezet. De jongens grinnikten alsof ze het verhaal voor de eerste keer hoorden.
Albus at niet veel, maar zijn moeder en oma Molly zaten te ver weg om op hem te letten. James keek hem af en toe veelbetekenend aan, maar zei niets vanaf de andere kant van de tafel en ook Lily zat gelukkig niet in zijn buurt. Ze irriteerde hem al dagen met haar stroom van vragen. “Wat is er gebeurt, Al? Waarom heb je gevochten? Hoe boos was professor Anderling?’
Ze herinnerde hem aan Scorp. Zijn vriend was maar blijven vragen waarom hij met Chris gevochten had. Een teamgenoot nog wel. Zelfs Jessica, Scorps knipperlicht relatie en mede-Ravenklauw, had zich er tot Albus’ ergernis mee bemoeid.

Na de kerstmaaltijd verzamelde iedereen zich weer in de woonkamer, op de mannen na die de taak hadden om alles op te ruimen en af te wassen. Albus hoorde oom Ron en oom George zich beklagen. Zelfs na al die jaren klonken hun protesten nog even luid en verontwaardigd. Oma Molly en tante Fleur kibbelden goedmoedig over de muziek en tante Hermelien bracht een schaal met mandarijntjes binnen. Oom Percy stak zijn hoofd om de hoek om mee te delen dat Teddy en Victoire weer naar buiten waren geglipt, maar tante Fleur haalde elegant haar schouders op alsof ze wilde zeggen dat ze weinig zeggenschap meer had over het verloofde stel.
Fred en Hugo speelden Knalpoker en naast Albus hadden Rose en James het over professor Maxcové, de nieuwe leraar Toverdranken.
‘Hij wil dat we alles herhalen om te zien hoever iedereen is,’ mopperde James. Toen wierp hij een zijwaartse blik op Albus en zei overdreven luid: ‘Na de vakantie gaan we de liefdesdranken opnieuw behandelen. En hoe je de symptomen herkent en zo.’
Albus negeerde zijn grijnzende broer en vroeg zich af hoelang die zijn mond nog zou houden over wat hij gezien en gehoord had van Albus’ gevecht met Chris. Normaal gesproken zou James hem waarschijnlijk eerst proberen te chanteren, maar aangezien er genoeg andere getuigen waren, had dat weinig zin. De enige winst die er voor James in zat, was om als eerste Albus’ geheim te onthullen. Al kon James niet weten dat het echt een geheim was in plaats van een stomme roddel. Toch? Albus’ gedachten dwaalden weer af.

‘Potter, jij stomme sukkel! Hoe kon je die Snaai nu missen?’ Chris, de Drijver van het Griffoendorteam kwam met grote snelheid achter hem aanlopen. Albus, die net richting de kleedkamers wilde lopen, stopte abrupt en draaide zich met een ruk om.
‘Had je iets, Hamburger? ’zei hij uitdagend. De gehate bijnaam was olie op het vuur en de jongen vloog op de tengere Zoeker af. Hij gaf Albus een stomp in zijn maag en stootte tussen opeengeklemde kaken uit: ‘Noem. Me. Niet. Zo!’
Terwijl Albus dubbel klapte van de pijn, begon hij wild met zijn vuisten rond te zwaaien tot hij iets raakte. De Drijver vloekte luid en probeerde Albus af te weren.
‘Noem jij me dan geen sukkel!’ snauwde Albus. Chris deed een stap naar achteren om buiten het bereik van Albus’ vuisten te komen en tastte naar zijn toverstok.
‘Als jij je niet had laten afleiden, hadden we kunnen winnen, Potter,’ siste hij. Albus had binnen een paar seconden zijn eigen toverstaf gepakt en riep: ‘Wat zeur je nu, Kwakende Paddenstoel? Ik had hem bijna. Scorp was gewoon net even sneller deze keer.’ De twee Griffoendors die met uitgestoken toverstaf tegenover elkaar stonden, begonnen de aandacht te trekken van de menigte die de tribunes verliet.
Chris kneep zijn ogen tot nauwe spleetjes en zei op luide toon: ‘Scorp! Bah! Als jij je ogen eens een moment van Malfidus af had kunnen houden, had je de Snaai met gemak kunnen hebben.’ Zijn ogen schitterden gemeen toen ze heen en weer flitsten tussen Albus en de naderende groep leerlingen. ‘Maar nee hoor, meneer Potter had meer belangstelling voor de Zoeker dan voor de Snaai!’
Witheet van woede stormde Albus naar voren tot zijn toverstok tegen de borstkas van zijn teamgenoot drukte. ’S-Scorp en ik zijn gewoon vrienden! I-ik zou nooit een Zwerkbalwedstrijd verliezen om … Hoe d-durf je …!’ Hij stotterde van verontwaardiging. Vanuit zijn ooghoek zag hij tot zijn schrik dat er steeds meer geïnteresseerde leerlingen om hen heen kwamen staan.
‘Ha! Gewoon vrienden!’ reageerde de Drijver venijnig. Hij negeerde de toverstok tegen zijn borst, maar gaf Albus zo’n harde duw dat hij achterover viel en met zijn achterhoofd op de stenen sloeg. Albus negeerde de stekende pijn en krabbelde razendsnel overeind, zijn toverstok gelijk weer paraat.
‘Iedereen weet dat je tijdens elke maaltijd naar hem zit te staren alsof iemand een liefdesdrank in je pompoensap heeft gedaan,’ riep Chris spottend.
Albus had het gevoel alsof iemand plotseling ijswater over hem heen gooide. In de kring werd steeds drukker gefluisterd en tot overmaat van ramp zag hij in de verte het team van Ravenklauw aankomen met hun Zoeker zegevierend op de schouders. Hij keek zijn tegenstander fel aan.
‘Houd je stomme rotkop!’ Met een waas voor zijn ogen wees hij naar zijn tegenstander en riep: ‘Furniculus!’
De omstanders reageerden heftig, maar Chris kwam gelijk in actie. ‘Paralitus!’ brulde hij, woedend van de pijn.
‘Protego,’ pareerde Albus precies op tijd. In de mix van pijn, vernedering en adrenaline hoorde hij niet hoe iemand hem beval te stoppen. Albus kon alleen maar bedenken dat hij Chris de mond moest snoeren voor hij nog meer van die genante dingen zou zeggen. Voor Scorp op hoorafstand zou komen. Hij opende zijn mond, een “Silencio” op het puntje van zijn tong, toen er opeens een enorme gedaante tussen de twee Griffoendors verscheen die met iedere hand een Zwerkballer in de nek greep en een halve meter boven de grond tilde.
‘Albus Severus Potter! Hebbie helemaal je verstand verloren?’ bulderde een zware stem boven hem. Albus verstijfde en keek langzaam omhoog. De warrige baard van Hagrid boven hem bewoog woest mee met elk woord.
‘Dat kennie toch nie maken? Als je pa en ma dit horen!’ Tussen de menigte zag Albus plotseling James staan die hem grijnzend aankeek. ‘Ook dat nog,’ kreunde Albus inwendig.
Hagrid draaide zijn hoofd om naar Chris. ‘En jij! Je mot toch beter weten dan je eigenste teamgenoot aan te vallen?’
Plotseling week de kring uiteen. ‘Hagrid! Zet deze jongemannen op de grond alsjeblieft. Ze hebben voorlopig genoeg gevlogen,’ zei de Zwerkbalscheidsrechter.
‘Maar Olivier,’ protesteerde Hagrid. Een doordringende blik van de voormalige Wachter van Pullover United zorgde er echter voor dat hij beide jongens gelijk losliet.
‘Au!’ Albus voelde aan zijn achterhoofd dat opnieuw tegen de grond sloeg en ontdekte dat zijn vingers onder het bloed zaten. Chris lag jammerend op de grond en kermde dat zijn zweren zo’n pijn deden.
‘Meneer Potter! Meneer van Hasburger! Volg mij!’ gebood professor Plank.

‘Nog een stukje cake, lieverd?’
De stem van zijn oma deed hem opkijken en hij dwong zichzelf te glimlachen. De kamer was intussen weer volgestroomd. Vanuit de keuken hoorden ze opeens een hard, ritmisch getik tegen het raam. Oma Molly liep de woonkamer uit om even later met een lichtelijk verbaasde uitdrukking terug te komen. In plaats van de schaal cake hield ze een rolletje perkament vast met een groen lint eromheen.
‘Voor jou.’ Ze overhandigde het Albus en haalde haar schouders op bij de vragende blikken van de rest van het gezelschap. Toen Albus zijn naam zag staan in Scorps regelmatige handschrift sloeg zijn hart opeens tien keer zo snel. Zou Scorp het gehoord hebben? Ging hij nu vertellen dat hij niets meer met Albus te maken wilde hebben? Met trillende vingers opende hij het lint, zich pijnlijk bewust van de verschillende paren ogen die hem gadesloegen.
Tergend langzaam rolde hij het perkament uit. Met zijn handen schermde hij de brief af tegen de nieuwsgierige blik van zijn broer en las toen:

Albus,

Ik hoorde waarover je met Chris ruzie had.
Is het waar? Ik hoop het! Behalve dan van die liefdesdrank, dat hoop ik niet!
Fijne feestdagen en tot gauw.

Scorp

PS. Ik staar ook. En niet naar Jessica!

Albus’ hart sloeg nog sneller dan een paar minuten geleden, maar nu niet van angst.
Met ogen vol verwondering keek hij de kamer rond. Een glimlach trok voorzichtig aan zijn mondhoeken.
‘Goed nieuws, Al?’ vroeg zijn vader. Albus glimlachte nu voluit bij het zien van de verbaasde gezichten om hem heen. James keek hem argwanend aan en Albus knipoogde naar zijn broer voor hij antwoordde: ‘Geweldig nieuws, pap! Geweldig!’


Fijne feestdagen en een gezond en creatief 2011!

Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 30 maart 2011 om 19:04

A/N:
Door Wentelende Wereld zou ik haast vergeten dat ik ook nog af en toe een one-shot wilde posten. De vorige is alweer drie maanden geleden tenslotte xD
Ook dit keer weer een Wemelverhaal, maar da's toeval ;)



Een appel valt nooit ver


Een hoop gestamp en gegil bereidde Ron nog net op tijd voor op de komende invasie. Snel legde hij De Ochtendprofeet opzij, waar hij die donderdag nog niet aan toe was gekomen.
‘Papa, papa! Kijk eens wat we gevonden hebben!’ Hugo stormde de kamer in en sprong enthousiast naast zijn vader op de bank. Over de voorwerpen heen, die Hugo hem praktisch in zijn gezicht duwde, zag Ron zijn dochter de kamer betreden, in een beduidend rustiger tempo dan haar broer.
Terwijl ze naderde, keek ze bedachtzaam naar iets dat ze in haar hand hield.
‘Papa!’ klonk het ongeduldig naast hem. Ron draaide zijn hoofd opzij om met zijn gezicht in iets wolligs terecht te komen. Het rook erg muf en de wol was onregelmatig gebreid, grote lussen werden afgewisseld met samengetrokken draden. Geen Wemeltrui van zijn moeders hand dus, zoals hij in eerste instantie gedacht had. Terwijl Hugo hem vol verwachting aankeek en Roos dichterbij kwam, herkende Ron de schamele breikunsten van zijn vrouw.
Pas toen Roos al zes maanden oud was, had Hermelien ingezien dat haar vaardigheden met de beste wil van de wereld nooit aan die van Molly zouden kunnen tippen. Aangezien ze alle pogingen uit die tijd vernietigd had, moesten dit nog overblijfselen zijn van de …
‘Shit,’ klonk het opeens naast hem. Hugo staarde met grote ogen naar zijn zus. Roos had een beige-bruin misbaksel in haar handen waarop een badge gespeld zat, die met schreeuwerige letters S.H.I.T. verkondigde. Hugo’s opengesperde ogen keerden terug naar Ron en hij vroeg: ‘Dat is toch een heel lelijk woord, papa? Waarom staat dat op die muts?’
‘Wie heeft die muts gebreid, papa?’ vroeg Roos bijna gelijktijdig. Haar vingers gleden over het breisel en verdwenen af en toe in een gat.
‘Mama zeker! Want het is niet zo mooi gedaan hé, en oma Molly zegt altijd dat mama beter kan doen waar ze goed in is en …’
‘Inderdaad,’ viel Ron zijn dochter in de reden voor ze verder uit kon wijden. Hij hoopte dat Hermelien nog even bezig zou blijven in de bijkeuken. ‘Die mutsen zijn inderdaad door mama gemaakt. Maar ze was toen veertien jaar dus kon ze nog niet zo mooi breien als oma natuurlijk.’
Roos keek alsof ze wilde zeggen dat Hermeliens breikunsten er de afgelopen twintig jaar niet echt op vooruit waren gegaan, maar Rons blik stopte haar.
Hij keerde zich om naar Hugo en vervolgde: ‘En jij hebt ook gelijk; normaal is dat een lelijk woord. Maar zie je die puntjes tussen de letters?’
Ron begon uit te leggen wat de afkorting betekende. Nieuwsgierig kwam Roos dichterbij toen hij vertelde over de Stichting Huis-elf die hun moeder opgericht had in haar vierde jaar op Zweinstein. Het viel niet mee om de begrippen inburgering en tolerantie te verklaren, maar uiteindelijk waren de kinderen tevreden. Hugo trok een muts uit Roos’ handen, trok hem diep over zijn wenkbrauwen en rende de kamer uit, al zingend ’S-H-I-T-S-H-I-T-S-H-I-T’. Roos volgde hem met een peinzende uitdrukking.
Ron keek hen na terwijl zijn gedachten nog even bleven hangen bij de Hermelien van Zweinstein met haar goede doelen. Scheurbek en de huis-elfen waren alleen nog maar het begin geweest, dacht hij geamuseerd. Zelfs met een blinde draak had ze nog medelijden gehad. Vermaakt herinnerde hij zich de moeite die Harry en hij hadden gedaan om Hermelien te ontlopen als hun vriendin weer eens op een van haar kruistochten was.
Een geluid deed hem opkijken; in de deuropening zag hij zijn vrouw staan. De uitdrukking in haar ogen verraadde dat ze op zijn minst een deel van het gesprek had gehoord. Als het niet alles was. Terwijl ze elkaar glimlachend aankeken, bedacht Ron dat het indirect wel de huis-elfen waren geweest die hen uiteindelijk hadden samen gebracht. Dat was hem wel een kruistocht of twee waard.


o0O0o   o0O0o   o0O0o


De volgende middag verraste Ron zijn gezin door tussen de middag thuis te komen met de mededeling dat hij onverwachts een paar uur vrij had kunnen nemen. De kinderen zaten nog aan tafel en Hermelien spoorde hen net aan om mee te helpen de tafel af te ruimen. Ze waren dus erg blij toen hun vader tussen hen in aan tafel ging zitten en een tas tevoorschijn toverde waarop het logo prijkte van ‘Smekkies & Spekkies Snoepjeswinkel’.
‘Tadaa!’ zei hij vrolijk.
‘Ron, ze hebben net gegeten,’ zei Hermelien verwijtend, maar Roos en Hugo slaakten enthousiaste kreetjes.
‘Beter dan voor het eten,’ reageerde Ron opgewekt. Hij opende de tas en gooide zijn jongste een zakje Chocokikkers toe. Voor Roos had hij een droptoverstok meegenomen aangezien zijn dochter niet dol was op chocoladediertjes. Hermelien sloeg hoofdschuddend de zoetigheid af, maar zelf maakte Ron ook een zakje Chocokikkers open.
Hugo giechelde toen de pootjes van de kikker tegen zijn lip kietelden. Geïnspireerd door het gegiechel, haalde Ron de wikkel eraf, gooide de kaart naar Roos en stak de kikker in één keer achterstevoren in zijn mond.
‘Ron!’ riep Hermelien vermanend. Zodra de kinderen naar hem keken, duwde hij met zijn tong de chocolade iets naar buiten zodat de bolle, chocolade kikkerogen Roos en Hugo aanstaarden. Hugo moest zo hard lachen dat zijn eigen kikker ontsnapte en nog net door Hermelien gered kon worden.
‘Dat is walgelijk, papa!’ riep Roos echter verontwaardigd. ‘Kikkers hebben ook gevoel hoor!’ Haar stem sloeg over van emotie. Boos schoof ze haar stoel naar achteren en rende de keuken uit. Hermelien duwde de chocokikker terug in Hugo’s handen en volgde haar dochter. Ron slikte moeizaam de enorme brok chocolade door en haalde verbaasd zijn schouders op naar Hugo die het tafereel met grote ogen gadesloeg.


o0O0o   o0O0o   o0O0o


‘Soms ben je nog precies die onbehouwen jongen van vijftien of zestien die nauwelijks verder dacht dan zijn maag,’ begon Hermelien later die middag weer, toen ze samen wat zaten te drinken. ‘In plaats dat je het goede voorbeeld geeft aan Hugo en rekening houdt met de gevoelens van Roos.’
Een antwoord werd hem bespaard doordat Hugo binnen kwam slenteren, met een verveelde uitdrukking op zijn gezicht.
‘Mag ik visjes gaan vangen in de vijver, mama?’ vroeg hij hoopvol.
‘Nee, Hugo, niet alleen,’ reageerde Hermelien automatisch.
‘Wil jij mee, papa?’ Hij richtte zijn grote, bruine ogen smekend naar zijn vader.
‘Nu niet, jongen. Ik ben even wat met mama aan het drinken.’
‘Mag ik ook iets te drinken?’ Hugo klonk zeurderig, maar Hermelien legde geduldig uit dat ze zo wat drinken in zou schenken voor Hugo en Roos.
‘Ik verveel me zoooo!’
‘Kun je niet met Roos gaan spelen?’ vroeg Ron, wiens geduld minder groot was dan dat van Hermelien.
‘Roos is alleen maar aan het tekenen. Tekenen, tekenen, tekenen! Wel honderd tekeningen, allemaal hetzelfde,’ uitte Hugo zijn ongenoegen.
‘Dan ga je toch ook tekenen,’ zei Hermelien op haar no-nonsense toon. Verongelijkt droop Hugo tenslotte af.


o0O0o   o0O0o   o0O0o


‘Wakker worden! Papa, mama, wakker worden!’
Roos klonk opgewonden en tot Rons verbazing begon ze ook nog eens aan de dekens te trekken. Naast hem werd Hermelien zacht kreunend wakker van Hugo die op het bed begon te springen. Vrolijk riep hij: ‘Opstaan! Opstaan! Eruit!’
‘Jongens, het is zaterdag. Waarom zijn jullie zo vroeg?’ Rons stem klonk schor en hij voelde zich lichtelijk overrompeld. Terwijl hij wat rechtop ging zitten, keek hij Roos aan. Zijn dochter stond ongeduldig op haar tenen op en neer te wippen naast het bed. In haar handen had ze een stapeltje papieren. Ron herinnerde zich de opmerking van Hugo over de honderden tekeningen.
‘Ik heb posters gemaakt en die wil ik gaan uitdelen op de Wegisweg voordat er nog meer gemarteld worden!’ Roos’ blauwe ogen keken hem vastberaden aan.
‘Gemarteld? Waar heb je het over?’ Hij klonk vermoeid en zijn geduld raakte op.
‘Hierover natuurlijk. Kijk!’ beval Roos terwijl ze hem één van de papieren in handen drukte. Verbaasd staarde Ron naar een tekening van een misvormde bruine kikker met een rood kruis er door.
‘Kots?’ vroeg hij verbaasd.
Roos zuchtte hoorbaar. ‘Nee, pap! C.O.T.S. De Club tegen het Opeten van Tegenstribbelende Suikerwaren.’
Hugo begon deze nieuwe afkorting door de kamer te scanderen, maar Roos negeerde hem.
‘Weet je hoe gemeen het is als mensen één voor één de pootjes van een kikker afbijten? Hoe zou jij het vinden als iemand één voor één je armen en benen af zou rukken en …’
Naast hem ging Hermelien geïnteresseerd rechtop zitten, maar Ron rolde zijn ogen en ging met een zucht weer liggen. O nee, niet opnieuw hé?



Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 16 mei 2011 om 18:42



Addergebroed

‘Hoe intact is een mens wiens naam niemand kent?’ 
~ Canetti ~


De jongen met het gitzwarte haar liep langzaam tussen de andere leerlingen die de Grote Zaal verlieten, in de richting van de gigantische eiken deur.
Aan zijn lengte en zelfverzekerde houding was niet af te lezen dat hij een eerstejaars was. Hoewel verschillende klasgenoten hem begroetten, weerhield de afstandelijke blik in zijn blauwgrijze ogen hen van toenadering.
Een snelle stap zijwaarts bracht hem naast een groep vijfdejaars Huffelpufs en buiten het gezichtsveld van Miranda Wiggelaar. De Hoofdmonitor had hem drie dagen geleden gewaarschuwd dat ze hem niet opnieuw ’s avonds buiten wilde aantreffen.
Achter zich hoorde hij bekende stemmen naderen en hij glipte snel langs de eiken deur naar buiten; de leraar Gedaanteverwisseling was wel de laatste die hem mocht betrappen. In tegenstelling tot de andere professoren liet Perkamentus zich niet om de tuin leiden door zijn charme en ijver.
Voor de zoveelste keer in de afgelopen drie maanden vervloekte hij het feit dat hij bepaalde dingen had losgelaten tijdens die eerste ontmoeting in het weeshuis.

Marten liep langs het meer in de richting van het Verboden Bos. Zijn in zwart gehulde gestalte was nauwelijks waarneembaar tegen de achtergrond van donkere stammen. Alleen zijn bleke gezicht lichtte zichtbaar op in het maanlicht.
De avondlucht was rustgevend en bedwelmend tegelijk.
Geen geluiden, geen stemmen, geen maskers op hoeven.
Geen ‘dank u, professor’ of ‘kan ik nog iets doen, professor?’.
Geen respect hoeven tonen voor klassenoudsten, Hoofdmonitors en andere hogerejaars. En vooral niet het gezelschap van Modderbloedjes, dacht hij snerend.
Marten keerde zich om en begon terug te lopen langs de rand van het bos. Zijn hand gleed in de zak van zijn gewaad en zijn vingers vonden het gladde hout van zijn toverstok.
Taxushout. Zo toepasselijk, dacht hij met voldoening. De taxusboom met zijn giftige sap symboliseerde de dood. Hoewel hij jammer genoeg alleen kon oefenen op spinnen en andere kleine dieren hoopte hij snel de kans te krijgen om zijn spreuken op een Dreuzel uit te proberen.

Hij vermoedde dat er waarschijnlijk weinig klasgenoten waren die Een beknopte Beschrijving van Zweinstein hadden gelezen vóór ze de eerste keer in de Zweinsteinexpres stapten.
Maar Marten had de informatie zeer interessant gevonden. Vooral het gedeelte over Zalazar Zwadderich. Hij was dan ook verheugd, maar niet verbaasd toen de oude hoed in een oogwenk Zwadderich had geroepen.
Nadat Marten het boekje had uit gelezen, was hij de rest van de zomer zo vaak als hij de kans kreeg uit het weeshuis geglipt om meer informatie te zoeken in de boekwinkels op de Wegisweg. Al snel ontdekte hij ook de Verdonkeremaansteeg waar hij boeken met zeer nuttige spreuken en bezweringen vond.
Het gebrek aan geld was irritant maar niet onoverkoombaar; tenslotte had Perkamentus alleen gezegd dat hij niet op Zweinstein mocht stelen!

Misschien kon hij in de kerstvakantie wat Zwarte Kunsten uitproberen. In tegenstelling tot wat hij zijn afdelingshoofd verteld had, was hij niet van plan naar het weeshuis te gaan. Professor Slakhoorn had zich gelukkig gemakkelijk genoeg laten charmeren.
Hij had de afgelopen maanden genoeg Galjoenen bij elkaar gesprokkeld om zichzelf te kunnen redden in Londen. Hij was niet bang dat zijn slachtoffers hem in de problemen zouden brengen. Hét voordeel van chantage natuurlijk.
Zijn eerste prioriteit in Londen zou echter het vergaren van informatie zijn. Informatie over zijn ouders. Aangezien zijn moeder een Dreuzel moest zijn geweest – anders had ze hem niet alleen achtergelaten – zou hij gegevens gaan zoeken over het geslacht Vilijn in die boeken over grote tovenaarsfamilies.

‘Helemaal alleen in het donker? Stiekem weggeslopen? Dapper hoor,’ onderbrak een spottende stem.
Marten, die zich net weer wilde omdraaien, bleef abrupt staan.
‘Wie is daar?’ vroeg hij op bevelende toon.
Hij trok zijn toverstok uit zijn zak en keek onderzoekend om zich heen.
‘Tsk, stoer hoor. Heb je ook zo’n grote mond zonder dat stokje,’ klonk het laag bij de grond.
Hij deed een stap naar achteren en wees met zijn uitgestrekte arm naar de dichte begroeiing die de rand van het Verboden Bos omzoomde.
‘Als je niet onmiddellijk uit die struiken komt, zul je daar spijt van krijgen,’ zei hij kil.
‘Hm, zeker weten?’
Zijn tegenstander klonk niet erg onder de indruk en Marten verstevigde de grip op zijn toverstok.
Voor hij echter zijn dreigement tot uitvoer kon brengen, klonk er geritsel alsof iemand van tussen het groen uitkroop.
Martens ogen schoten naar de grond en verwijdden zich.
‘Oh, een slang!’
Hij probeerde de opluchting uit zijn stem te weren.
‘Oh, een slang?’ herhaalde het dier voor hem op verontwaardigde toon terwijl het zijn driehoekige kop oprichtte. ‘Ik ben niet zomaar een slang hoor. Ik ben een gifslang, dom mens!’
Er verscheen een opgetogen uitdrukking op het gelaat van de jonge Zwadderaar.
‘Wat voor soort slang,’ vroeg hij gretig, ‘en hoe sterk is je gif?’
Afwachtend keek Marten naar de slang die ongeveer twee keer zo lang was als zijn toverstok. De zwarte zigzagtekening die in de lengte over zijn rug liep, was amper te zien tegen de achtergrond van bruine schubben. Groene ogen staarden hem aan.
‘Je … je verstaat me,’ klonk het verbijsterd.
Marten rolde met zijn ogen.
‘Wel giftig, maar niet slim,’ zei hij sarcastisch, ‘je zou een prima huisdier voor een Zwadderaar zijn.’
De slang vernauwde zijn verticale pupillen even tot spleetjes, maar vroeg toen quasi beleefd: ‘Misschien zou jij jouw immense wijsheid kunnen delen en deze nederige slang vertellen hoe het mogelijk is dat je me verstaat? Ik heb nog nooit gehoord van iemand die onze taal verstaat. En ik ben trouwens een adder, een mannetje. Voor iemand die zelf de taal der slangen spréékt, weet je maar weinig van ons af.’

Marten gaf geen antwoord maar keek peinzend naar de grond.
Toen Perkamentus hem afgelopen zomer verteld had dat hij een tovenaar was, had hij gedacht dat het praten met slangen een gave was die elke tovenaar bezat. Tot hij in één van de boeken had gelezen dat het symbool van Zwadderich een slang was omdat Zalazar Zwadderich een zogenaamde Sisseltong was; iemand die met slangen kan praten.
Hij had zich afgevraagd of misschien enkel Zwadderaars Sisseltong konden spreken maar nu begon hij dat toch in twijfel te trekken.
Wat een geluk dat het onderwerp nog niet ter sprake was gekomen binnen zijn afdeling. Hoewel hij wist dat hij de loyaliteit van Arduin en van Detta had, vertrouwde hij niemand met zijn geheimen.
‘Nou?’ vroeg de adder ongeduldig.
‘Door die immense wijsheid natuurlijk,’ sneerde Marten, ‘daarom heb jij er nog nooit van gehoord.’
Informatie zoeken over Sisseltongen, voegde hij in gedachte toe aan zijn lijstje met dingen die hij in de kerstvakantie moest doen.
Hij durfde te zweren dat de slang naar hem grijnsde.
‘Een slimme jongen hé? Ik wed dat jij wel een manier weet om me veilig daar naar binnen te krijgen.’ Hij maakte een beweging opzij. Marten volgde zijn blik en zag het silhouet van Zweinstein tegen de blauwzwarte hemel afsteken.
‘Wat zeg je hiervan; jij neemt me mee en verbergt me. Als het nodig is kan ik jou beschermen. Ik heb gezelschap en in ruil daarvoor krijg jij af en toe wat van mijn gif.’
De adder bezag de begerige glans in Martens ogen met een sluw lachje.

Marten overwoog het verleidelijke aanbod. Hij vroeg zich af of hij het dier verborgen kon houden, maar haalde toen zijn schouders op. Hij kon hem bij ontdekking altijd introduceren als zijn huisdier. Een Zwadderaar had tenslotte geen pad of een kat.
En de beschikking hebben over addergif woog ruimschoots op tegen de problemen bij een eventuele ontdekking.
‘Hoe weet ik dat je mij niet zult vergiftigen als je eenmaal in het kasteel bent,’ vroeg hij plotseling.
‘Wat zou ik daar mee opschieten?’ reageerde de slang geringschattend. ‘Of zijn er daarbinnen nog meer die de taal der slangen beheersen?’
Marten grinnikte. Een slang met de eigenschappen van een Zwadderaar; ‘zolang je er zelf maar beter van werd’.
‘Oké,’ besloot hij, ‘ik neem je mee, maar je mag je onder geen beding laten zien of horen in het gezelschap van anderen. En ik wil niet alleen je gif maar ook je huid als je gaat vervellen.’
Toen de slang akkoord ging, bukte Marten zich en stak zijn hand uit, zodat het dier via zijn arm in zijn mouw omhoog kon kruipen. De slang nestelde zich over zijn schouder en Marten begon terug te lopen naar het kasteel.
‘Ik noem je Naga!’ deelde hij mee.
‘Naa-gaa.’ De adder leek de klanken op zijn gespleten tong te proeven en vroeg toen: ‘Waarom?’
Marten antwoordde: ‘Een Naga is een bovennatuurlijk wezen dat vaak de vorm van een slang of een draak aanneemt. Zijn gif is dodelijk, maar als je hem voor je wint, geeft hij je robijnen. Naga’s zouden een parel van kennis bezitten en als ze boos worden, kan hun adem en de blik van hun ogen ook dodelijk zijn.’
De adder verschoof wat tot hij een makkelijke houding had gevonden en mompelde goedkeurend.
Het bleef even stil voordat Naga vroeg: ‘Wat is jouw naam?’
Op arrogante toon antwoordde Marten Vilijn: ‘Jij mag me Meester noemen!’


Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 10 augustus 2011 om 22:45

Korte inhoud:
Een noodkreet van een onbekende Patronus stuurt Harry op een reddingsmissie.
A/N: AU vanwege Deathly Hallows. Het zou zich na OotP kunnen afspelen of na HBP. Dat maakt eigenlijk niet uit.
Waarschuwing: Er is sprake van foltering en mishandeling. Maar niet extreem, dacht ik zo.

 



Een Nieuwe Dag


Met één hand hield Harry de handdoek om zijn heupen vast en stak de haveloze gang over naar zijn kamer. Een enkele druppel ontsnapte aan zijn vochtige haar en rolde over zijn rug naar beneden.
Hij draaide aan de bekende knop met de slangenkop, opende de deur en liet prompt zijn handdoek vallen. Door het raam sprong net op dat moment een reusachtige leeuw vanuit het nachtelijke duister naar binnen.
Het feit dat de leeuw zilverwit was, stelde Harry niet echt gerust.
Voor zover hij wist, waren de leden van de Orde de enigen die van Perkamentus geleerd hadden via hun Patronus te communiceren. Maar hij had geen idee van wie deze geestelijke beschermer afkomstig was.
Voor alle zekerheid deed hij een paar stappen terug de gang in toen de leeuw op hem afstapte en zijn enorme muil opensperde.

‘Dooddoeners hebben me. In de kerker van Kasteel Alstyn.
Hij … V-Voldemort komt morgen. Help me.’


De noodkreet klonk schor en gebroken. De laatste woorden werden zo zacht uitgesproken dat het amper verstaanbaar was. Harry herkende de stem al net zo min als de Patronusvorm.
Op het moment dat de zilveren boodschapper in het niets oploste, hoorde Harry van beneden een zware stem zijn naam roepen.
Harry pakte haastig de handdoek van de vloer en had die net om zijn heupen heen geslagen toen er een donker, kaal hoofd bovenaan de trap verscheen.
‘Alles goed, Harry? Ik dacht dat ik iets hoorde?’
Harry gebaarde Romeo Wolkenveldt zijn kamer in en begon haastig in zijn hutkoffer naar schone kleren te zoeken. Ondertussen vertelde hij de Schouwer over de boodschap van de onbekende Patronus.
Hoewel Romeo ook geen idee had van de identiteit van de gevangene, besloot hij de leden van de Orde te verzamelen om een reddingsoperatie op touw te zetten. Toen hij wilde vertrekken, hield Harry hem echter met een handgebaar tegen.
‘Ik ga mee,’ klonk het beslist, ‘hij of zij heeft mij om hulp gevraagd!’
Romeo keek hem onderzoekend aan; zijn donkere ogen hielden die van Harry minutenlang vast. Toen knikte hij en zei: ‘Ik zie je zo in de keuken.’


o~0~O~0~o


Mijlen ver van het hoofdkwartier van de Orde van de Feniks in Londen, deed iemand een wanhopige poging om bij bewustzijn te blijven.
Het verlangen niets meer te voelen trok aan hem als de roep van een Sirene.
De pijn van kapot geschaafde polsen tegen het harde metaal dat hem aan de druipende stenen vastgeketend hield, was niets vergeleken bij de herinnering aan die Onvergeeflijke Vloek. Een uur later kon hij nog steeds zijn gegil horen echoën tegen de vochtige muren van de bedompte kerker.

Gegil dat overgegaan was in onmenselijk gekrijs toen zijn botten voor de zoveelste keer leken te branden. Tot minuten uren hadden geleken. Tot de ondraaglijke pijn enkel nog maar woordeloos via gebarsten, bloedende lippen zijn rauwe keel had verlaten.
Telkens als hij had gedacht te kunnen ontsnappen in het Niets, – daar waar geen pijn of herinnering hem kon kwellen – was de foltering gestopt en was hij snikkend blijven liggen op de vuile grond. Soms was hij nageschopt of bespuwd, meestal bespot; afhankelijk van de Dooddoener die op dat moment het pokerspel gewonnen had waarbij zijn vernedering de hoofdprijs was geweest.

Hij huiverde toen een koude druppel via zijn geketende pols langs zijn arm naar zijn schouder rolde, maar verwelkomde de kou.
De huivering verjoeg de herinnering voor een fractie van een seconde. En hij moest nadenken. Niet herinneren.
Want alles wat de Dooddoeners tot nu toe hadden gedaan, verbleekte bij datgene wat hun meester zou doen wanneer hij morgenvroeg arriveerde.
Hij had geen idee hoe laat het was. Tijd was als een exotisch begrip in deze ondergrondse cel waarin het enige licht afkomstig was van de zwak brandende kaarsen aan de muren. Ze verlichtten de dunne, donkere aderen die veroorzaakt werden door zwarte strengen schimmeldraden.
Sissend ontglipte zijn adem toen de druppel verder rolde en over de lange bloedende striemen op zijn rug gleed.
Concentreer je, beval hij zichzelf. Je geest is niet gebroken. Nog niet. Denk na! Als het nacht was, zou zijn lichaam een paar uur rust krijgen. Maar het wachten tot het moment dat de eerste Dooddoener de celdeur opende, was altijd een kwelling op zich.
Deze nacht hoefde hij echter niet te vrezen voor de komst van een gemaskerde gestalte. Voldemort zelf zou zijn opwachting maken. En dat zou het einde zijn. Hoeveel uur het ook gerekt zou worden, voor hem zouden er geen nieuwe dagen meer komen.
De wetenschap dat dit zijn laatste nacht was in deze gevangenis zou een opluchting zijn als de angst niet zou overheersen. De angst dat Voldemort hem zijn laatste geheimen zou ontnemen. De geheimen die anderen in gevaar zouden brengen.
Hij dacht aan zijn Mentor, zoals hij uit veiligheidsoverwegingen de man noemde die zijn leraar, pseudo-vader en vertrouweling was.
Hij had zichzelf nooit dapper gevonden, integendeel, maar omwille van zijn Mentor had hij de talloze vervloekingen en zweepslagen doorstaan. Het zou Voldemort weinig moeite kosten de betrokkenheid van de man te ontdekken. Het zou diens dood worden. Gruwelijker dan wat hij zich na alles wat hij al meegemaakt had, kon voorstellen. Hij huiverde opnieuw. Ditmaal kwam de kou van binnenuit, geboren uit wanhoop.
Als hij alleen hem maar kon redden dan zou alles niet voor niets zijn geweest.
Maar wat kon hij in godsnaam doen? Zonder toverstok, verzwakt en geketend aan de muur van een kerkercel.
Hij kon zichzelf nu wel wat doen dat hij niet harder gewerkt had op zijn stafloze spreuken. De enige spreuk die verbazingwekkend genoeg was gelukt, was …
Zijn adem stokte in zijn keel en het duurde een paar tellen voor hij de aders in zijn polsen weer tegen het metaal voelden kloppen.

De Patronusbezwering!
De gedachte kwam even onverwacht en even stralend als de zilverwitte Patronus zelf.
Hij voelde zijn lichaam tintelen; hoop schoot door iedere cel van zijn gehavende lichaam. En de ruimte leek plotseling veel minder kil.
Er waren maar weinig mensen op de hoogte van het feit dat hij een Patronus kon op roepen. En dat hij in staat was met zijn beschermer te communiceren wist, alleen degene die het hem geleerd had; zijn Mentor.
Hij vroeg zich af of het hem zou lukken een Patronus op te roepen nu hij geketend was. Gelukkig kon hij zijn handen nog enigszins bewegen.
De vraag was naar wie hij zijn boodschapper het beste kon sturen. Naar zijn Mentor was niet veilig.

Er gleed weer een druppel water langs zijn arm en hij klemde zijn kaken alvast stevig op elkaar in afwachting terwijl hij de namen probeerde te herinneren van de leden van de Orde die de Mentor hem genoemd had. Maar geen van hen leek in aanmerking te komen. Zijn brein leidde hem naar zijn klasgenoot. Hij was geen lid van de Orde. Nog niet. Maar hoe onlogisch het ook mocht lijken, zijn instinct vertelde hem dat hij de juiste keus was.
Harry Potter!
Naar verluid zou hij zich inmiddels in het hoofdkwartier van de Orde bevinden voor de rest van de zomer.
De druppel was ondertussen zijn ruggengraat gevolgd en viel op de stoffige stenen. Hij haalde opgelucht adem en probeerde een herinnering te verzinnen die goed genoeg was. Hij concentreerde zich op zijn Mentor terwijl hij probeerde de magie door zijn arm en via zijn vinders naar buiten te geleiden. Zijn stem brak toen hij 'Expecto Patronum' zei. Een dunne witte nevel omhulde zijn hand en hij probeerde het nog een keer. En nog eens. Maar de herinnering aan zijn Mentor bleek niet sterk genoeg te zijn.

Een nieuwe druppel gleed langs zijn open wonden en hij wenste dat … hij wenste …
Hij sloot zijn ogen dit keer om de kille omgeving uit te bannen en dacht aan zijn wens. Hij voelde zijn vingertoppen tintelen toen hij de magie naar buiten perste en zo hard zijn stem het toeliet, riep: ‘Expecto Patronum!’
Nog voor de laatste lettergreep zijn mond verliet, wist hij dat het gelukt was. Hij opende zijn ogen om zijn beschermer de boodschap te geven en sperde ze toen wijd open. In plaats van de vertrouwde vorm stond er een enorme leeuw voor hem die de hele kerkercel in een zilverwit licht hulde.
Hij knipperde met zijn ogen toen het dier langzaam op hem afliep en een grote kop met wilde manen tegen zijn verkleumde lijf drukte. De nabijheid van de Patronus deed hem wensen dat hij het dier niet weg hoefde te sturen.
Tenslotte keek hij hem in de ogen en gaf met een schorre stem zijn boodschap.


o~0~O~0~o


Met geheven toverstok liep Harry de brede trap af. Onder zijn Onzichtbaarheidsmantel; dat was Romeo’s voorwaarde om Harry mee te laten gaan. Terwijl de andere leden van de Orde het kasteel doorzochten op zoek naar Dooddoeners, was besloten dat Harry de kerker zou verkennen. Mocht er een Dooddoener op wacht staan, moest hij gelijk hulp inschakelen. Harry snoof zachtjes; alsof hij een enkele tovenaar niet kon uitschakelen vanonder zijn Onzichtbaarheidsmantel.
Naarmate hij dieper daalde, werd de koele, vochtige lucht steeds meer bedompt. Zijn ogen schoten waakzaam heen en weer, langs nissen en standbeelden. Vanuit de verte hoorde hij de geluiden van verschillende toverduels.
Onderaan de trap was een lange, rechte gang met twee deuren aan de linkerzijde. Er was niemand in de gang te zien en Harry liep voorzichtig naar de eerste deur en keek door het venstertje bovenin. De ruimte was verlaten hoewel de stank sprak van schimmels, en lange draden spinrag de tegenoverliggende hoek bevolkten.
Zodra hij door het venster van de volgende deur keek, begreep hij waarom de noodzaak van een bewaker ontbrak. Degene in de kerkercel was met gespreide armen en benen aan een muur geketend en zag er deerniswekkend uit. Harry herkende hem niet; het hoofd hing als gebroken naar beneden en slierten nat en vuil haar hingen voor het gezicht. Hij kon alleen zien dat het nog een jonge man was. Waarschijnlijk zelfs een schoolgenoot.
De geluiden van boven klonken nog even ver weg en Harry trok zijn mantel af en richtte zijn staf op het deurslot. Een paar tellen later opende hij de zware houten deur en stapte naar binnen. Op het moment dat zijn grillige schaduwbeeld over de gedaante heen viel, hief hij zijn gehavende gezicht en zei met nauwelijks herkenbare stem: ‘Potter, … ik wist … wel … dat je zou komen.’
Verbijsterd fluisterde Harry ‘Malfidus’ toen het hoofd weer slap naar voren zakte. Talloze vragen maalden rond in zijn hoofd terwijl hij begon de ketens om de voeten los te toveren. Zodra het metaal rond de polsen opensprong, moest hij snel naar voren stappen om te voorkomen dat Malfidus op de grond viel.
Hij trok zijn eigen mantel uit en wikkelde het voorzichtig om het broze lichaam van Malfidus heen. Hij propte zijn Onzichtbaarheidsmantel in zijn zak en met zijn toverstok in zijn hand, tilde hij Malfidus op.
‘Je moet weg … Voldemort komt … ik was spion … vraag Sneep,’ klonk het tegen zijn borstkas.
‘Ssst, niet praten,’ antwoordde Harry, verbaasd over het beschermende gevoel dat hij had voor zijn schoolrivaal. ‘Alles komt goed. Ik haal je hier uit.’
‘Altijd de held, hé? Zelfs voor Zwadderaars.’
Er kroop een glimlach om Harry’s mondhoek, maar hij antwoordde niet. Behoedzaam liep hij terug in de richting van de trap en begon langzaam de treden te beklimmen.
Halverwege de trap verstijfde hij toen iemand zijn naam riep.
‘Harry! Alles oké daar? Heb je iemand gevonden?’
Opgelucht herkende hij de stem van Romeo.
‘Ja, het is Malfidus. Draco,’ voegde hij er voor de duidelijkheid aan toe. Malfidus bewoog even in zijn armen.
‘Hij zegt een spion te zijn. Voor Sneep?’ Hij keek Romeo vragend aan en die keek zwijgend naar Malfidus voor hij langzaam knikte.
‘Ga naar Zweinstein, naar madame Plijster,’ zei de Schouwer, ‘ik zal laten weten dat jullie komen.’
Harry volgde Romeo naar buiten en hoorde ondertussen dat er een aantal Dooddoeners was ontsnapt, maar dat ze een groot deel overmeesterd hadden.
Zodra ze buiten waren, riep Romeo zijn Patronus op en stuurde de lynx naar Zweinstein. Hij klopte Harry even op de schouder en stapte daarna achteruit zodat Harry met Malfidus kon Verdwijnselen.

Harry haalde opgelucht adem toen hij in de verte het kasteel tegen de al lichter wordende hemel afgetekend zag. Hij haatte Verschijnselen en met z’n tweeën leek het nog erger dan alleen.
‘Potter? Is het morgen?’ klonk het verbaasd van onder zijn kin.
‘Bijna,’ antwoordde Harry.
‘Dus toch.’
‘Dus toch wat?’ vroeg Harry terwijl hij omzichtig zijn toverstok in zijn broek stak en Malfidus wat comfortabeler tegen zich aanlegde.
‘Een nieuwe dag.’
Het klonk zacht en vol verwondering. Harry keek naar het gezicht dat bleek afstak tegen zijn rode trui. Naar de paarse plekken rond de mond en de gebarsten lippen.
‘Ja, Malfidus, een nieuwe dag.’


o~0~EINDE~0~o



R&R




Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 01 september 2011 om 10:50
A/N: Geen icoontjes voor geweld dit keer, enkel een schattig verhaaltje over Teddy's eerste liefde xD



De Ballerina


‘Alsjeblieft, prinses!’
De halve buiging verborg zijn gezicht achter de lokken turkooizen haar die naar voren vielen, maar de plagerige klank in zijn stem was overduidelijk.
Hoofdschuddend pakte ze het tijdschrift aan dat hij haar met een wijds gebaar aanbood en sloeg ermee tegen zijn hand.
Met een brede grijns plofte hij naast haar op de bank neer.
De hardnekkigheid waarmee hij aan het koosnaampje vasthield, verbaasde haar soms, zeker omdat ze hem vaak genoeg gezegd had absoluut niet op een prinses te lijken. Ze mocht dan het lange blonde haar van haar moeder hebben geërfd, de natuurlijke gratie en koele elegantie ontbraken haar volkomen.

Teddy Lupos leunde tevreden naar achteren en sloeg een arm om de schouder van Victoire Wemel. Ze blikte even opzij en glimlachte voor ze Heks en Haard doorbladerde op zoek naar de foto’s van het huwelijk tussen Brianda Fox en Karan McKenzie.
Teddy beantwoordde haar glimlach met een knipoog. De stormachtige relatie tussen de Wachter van de Holyhead Harpies en de gitarist van de Witte Wieven bleef de roddelbladen maar bezighouden, dacht hij hoofdschuddend.
Vanuit de keuken klonk het gerinkel van aardewerk en de heldere lach van Fleur Wemel beantwoordde het gemompel van haar echtgenoot.
Teddy sloot zijn ogen terwijl zijn vingers met het lange blonde haar speelde. Het was goed om weer in De Schelp te zijn. Maar eigenlijk was het overal goed waar Victoire was, dacht hij en trok zachtjes aan haar schouder. Ze las rustig verder, maar nestelde zich behaaglijk tegen hem aan.
Hij had haar gemist de afgelopen maanden. Als zevendejaars had Victoire het enorm druk met haar PUIST-examens, en de dagen waarop hij vrij had van zijn stage bij Goudgrijp vielen meestal niet samen met de weekenden waarop Victoire naar Zweinsveld mocht.

Kerstmis in het Nest was zoals altijd een enorm chaotische en gezellige boel geweest, maar Teddy moest altijd even omschakelen na de rust en de stilte die in het huis van zijn oma heerste.
De Schelp had het beste van beiden. Het was een stuk minder druk zonder de inmiddels vijfentwintig man tellende Wemelclan. Maar het had de huiselijkheid van een gezin, die hij soms bij zijn oma miste.
Victoire trok haar benen onder zich op de bank en bladerde verder naar een volgend artikel. Haar zachte, blonde haren streken langs zijn wang en hij rook de frisse geur van haar favoriete shampoo, een combinatie van appel en kiwi.
Zijn prinses.
Hij glimlachte. Van jongs af aan, had hij haar al met een prinses vergeleken; met haar lange blonde haren, haar vloeiende handbewegingen en goedlachse, opruimde karakter.
Gelukkig had Victoire ook voldoende temperament en kon ze koppiger zijn dan de meeste andere meisjes die hij kende. Het samenzijn met haar was nooit saai.
Langzaam dwaalden zijn gedachten af. Van de blonde prinses naast hem naar een andere. En naar zijn eerste liefde.


~*~*~*~


Teddy was een jaar of zeven toen zijn oma hem op een avond een Dreuzelsprookje voorlas. Het was een sprookje dat hij nog niet eerder gehoord had en hij luisterde gefascineerd naar het verhaal van de verwende prinses die een vieze kikker moest zoenen om haar favoriete speelgoed terug te krijgen.
Teddy huiverde toen hij het hoorde, ook al was het helemaal niet koud in zijn slaapkamer. Oma stopte met lezen en lachte om het vieze gezicht dat hij trok. De oude schommelstoel, die al honderden verhaaltjes had begeleid, maakte een krakend geluid. Het leek net alsof hij het met Teddy eens was.
Oma keek hem over de rand van het boek aan en gaf hem een knipoog voor ze verderging met het verhaal.
Toen hij hoorde wat er daarna gebeurde, werden zijn ogen opeens heel groot. Die vieze kikker uit de vijver was een prins!
Een betoverde prins die door een slechte tovenaar in een kikker was veranderd.
Ademloos luisterde hij naar het eind van het verhaal en zuchtte diep bij het horen van de vertrouwde laatste woorden.
Na een korte stilte vroeg hij zachtjes, om de betovering niet te verbreken: ‘Heeft de hemel ook een ‘Lang en gelukkig’, oma?’
De stoel kraakte weer toen oma eindelijk opstond, alsof ze beiden op die vraag gewacht hadden.
Oma stopte de dekens rondom hem in, gaf hem een kus op zijn voorhoofd en antwoordde met dezelfde woorden als talloze keren eerder: ‘Ja, schat, de langste en gelukkigste die er zijn.’
Met een zwaai van haar toverstok doofden de kaarsen. Alleen de kleine maan naast zijn bed bleef zachtjes branden.
Zijn ogen volgden haar de kamer uit en toen ze de deur op een kier zette, zakten ze langzaam dicht. Hij luisterde naar ramen die gesloten werden, naar het heen en weer lopen, terwijl oma boven opruimde en tenslotte – na een zacht ‘Welterusten, Teddy’ – naar haar voetstappen op de trap.

Hij draaide zich om en pakte zijn knuffel vanonder zijn kussen. Het wolfje dat oom Harry voor hem op de Kermis had gewonnen toen Teddy vier jaar was, omdat het hem aan zijn vader had doen denken.
Hij draaide terug op zijn rug en keek met open ogen naar het plafond met de honderden sterren.
De langste en gelukkigste. Het was een wens en een vast vertrouwen in één.
Hij dacht weer aan het sprookje; de betoverde prins hield zijn gedachten gevangen.
Hij wist best dat dingen niet altijd waren wat ze leken (hij was tenslotte al zeven jaar) maar dit, dit was anders.
De prins kon niet bevrijd worden door een spreuk of een toverdrank of een andere vorm van magie. Enkel een kus kon de betovering verbreken.
Hij herinnerde zich een ander sprookje waarin dat gebeurde, maar die prinses was na de kus alleen maar wakker geworden en niet veranderd.

Zachtjes liet hij zich tussen zijn warme dekens uitglijden en trok een kartonnen doos vanonder zijn bed. Hij veegde gewoontegetrouw over het deksel hoewel er nauwelijks stof op lag, en opende de doos.
Bovenop een witte handdoek lag een zachte meisjespop met paars haar. Ze keek hem met een lieve glimlach aan en hij pakte haar voorzichtig op. Het paarse gaas van het rokje was een beetje gekreukt en hij probeerde het glad te strijken maar het stugge materiaal had een eigen wil.
De vloer was koud aan zijn voeten en hij schoof de doos terug en kroop met de pop weer in bed. De stof van de roze balletschoentjes glansden in het schijnsel van het nachtlampje.
‘Mijn ballerinapop’ had Dominique haar genoemd. Teddy voelde zoals altijd zijn gezicht prikken van schaamte als hij bedacht dat de pop eigenlijk van Dominique was. Maar zij had vorig jaar gelijk een nieuwe gekregen toen ze hem ‘kwijt’ was, dus het was niet zo heel erg, vertelde hij zichzelf iedere keer.
Hij had de pop Dora genoemd, de naam die oma altijd gebruikte voor zijn moeder, en haar onder zijn bed verstopt.

Peinzend keek hij naar het gezichtje van Dora terwijl zijn vingers over de wollige, paarse haren streken.
Ze was geen kikker en ook geen prinses – die hadden tenslotte altijd blond haar – maar hij vroeg zich af of ...
Er was genoeg magie die hij nog niet kende of waarvoor ze hem te klein vonden om over te vertellen.
Hij dacht aan de zolder van oom Harry waar hij in de kerstvakantie stiekem had rondgesnuffeld en een kist met oude schoolboeken had gevonden. Boemannen, Wisseldrank, Glamorgana’s … allemaal vormen van toverkunst waarbij dingen anders waren dan ze in eerste instantie leken.
Misschien had hij het boek over Magische Kussen gewoon gemist, dacht hij hoopvol.
Langzaam tilde hij Dora omhoog en drukte zijn lippen op de zachte stof. Hij zou natuurlijk nooit tegen iemand toegeven dat hij haar wel eens vaker kusjes had gegeven, maar nu was het anders.
Hij probeerde met deze kus zijn hart en zijn magie, zijn hoop en verlangen mee te geven.
Dora keek hem stilletjes glimlachend aan en hij probeerde het nog een keer. Nu op een andere plaats want was de kikkerprins niet op zijn hoofd gekust en de slapende prinses op haar mond?

Met een teleurgestelde zucht kroop hij uiteindelijk weer uit bed. Hij legde Dora voorzichtig terug in de doos.
Maar terwijl hij het deksel er weer op deed, besloot hij vastberaden dat hij het de volgende avond opnieuw zou proberen. En de avond daarna. En daarna …
Misschien hadden sommige betoveringen gewoon meer kussen nodig om verbroken te worden.



~*~*~*~


Victoire keek omhoog naar het gezicht van Teddy. Zijn gelaatstrekken waren zacht en ontspannen en zijn donkere wimpers lagen rustig op zijn wangen. Een tedere glimlach speelde om haar lippen.
Ze wist al een poos waar Teddy’s gedachten heen dwaalden, als hij zo met haar haren speelde.
De Transformagiër verraadde zichzelf meestal.
Wie kon ooit opboksen tegen de eerste liefde van een tovenaar.
Haar hand kroop omhoog over zijn T-shirt en gleed via zijn schouder naar zijn nek. Hij opende verrast zijn ogen toen ze met haar vingers door zijn nu paarse haar woelde en zachtjes aan de lila plukjes trok.
Ze trok zijn hoofd omlaag tot haar lippen die van hem ontmoetten.
Welke heks zou zo dom zijn dat te willen?


~E~i~n~d~e~



R&R


Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 16 oktober 2011 om 09:50
Korte inhoud: Vijf jaar na de val van Voldemort. Niets is vergeten. Niets vergeven?
A/N: Geschreven voor een challenge waarbij de eerste en de laatste drie woorden van het verhaal dezelfde moesten zijn.



Eén kans


Alles voor jou, mama, dacht ze toen ze net buiten het terrein van Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus Pocus Verschijnselde. Zelfs hier terugkeren!
Ze keek omhoog naar het vertrouwde kasteel. De vele torens en torentjes strekten zich naar de hemel en koesterden zich in het warme meizonnetje.
Vijf jaar, realiseerde ze zich. Het was al meer dan vijf jaar geleden dat ze hier voor het laatst was geweest.
Ze schok toen er naast zich een grote groep mensen snel achter elkaar arriveerde, als maïs in een pan hete olie. Plop, plop, plop …
De zon gaf hun haar een glanzende, koperen gloed. De Wemels.
‘Hallo!’
‘Goedemiddag.’
‘Sorry, we wilden je niet laten schrikken.’
De jonge man keek haar even onderzoekend aan. Ze knikte kortaf. Ron Wemel zou haar niet herkennen, stelde ze zichzelf gerust. Met lichtgebogen hoofd begon ze in de richting van het smeedijzeren hek te lopen. Het lange, donkere haar dat langs haar gezicht viel, herinnerde weinig aan de roodblonde krullen van weleer.
Terwijl de groep haar passeerde, luidruchtig pratend en lachend, gleden haar ogen over de afzonderlijke leden van de Wemel familie. Tussen al het koper, herkende ze het bruine, krullende haar van Hermelien Griffel. Inmiddels Wemel-Griffel, maar nog net zo’n vervelende betweter als vroeger. Onbewust streek ze met de knokkel van haar wijsvinger over haar voorhoofd. Ironisch dat zij nu op het Ministerie werkte, ook al was het maar om te strijden voor huiselven en andere magische wezens.
Vlak achter Hermelien liep een tengere vrouw met zilverachtig blond haar die haar vaag bekend voorkwam. De man naast haar – zijn lange rode haar vastgebonden met een leren veter – keek haar glimlachend aan. Tussen hen in huppelde een klein blond meisje.
Ze zag geen man met donker haar en ook de jongste Wemel leek te ontbreken. Die werden waarschijnlijk met een koets vervoerd, dacht ze schamper, alsof ze royalty waren.
Haar pas vertraagde iets en in gedachten liep ze tussen de hoge stenen pilaren met gevleugelde everzwijnen door en begon aan de lange, zacht glooiende oprit naar het kasteel.

De gedachte aan Harry Potter bracht haar ook nu nog automatisch naar die dag in juli, bijna vijf jaar geleden.
Naar die naargeestige kille ruimte in de kerkers van het Ministerie van Toverkunst waarin de leden van de nieuw gevormde Wikenweegschaar aan de lippen hadden gehangen van de Jongen Die Voldemort Versloeg.
Zijn getuigenis stond praktisch gelijk aan een vonnis.
Een vonnis dat de Wikenweegschaar later die morgen hadden uitgesproken over Dorothea Omber, Mariska Elsdonk en diverse andere Ministeriemedewerkers; respectievelijk tien, vijf en twee tot vier jaar Azkaban.
Ze zou nooit de voldane blik vergeten waarmee die bekende groene ogen de veroordeelden hadden nagekeken terwijl ze weggevoerd werden.
Naast alles wat hij haar had afgenomen – haar moeder, haar enige familie, haar thuis – had hij ook nog eens de laatste herinnering aan haar moeder bezoedeld. Ze had haar nooit meer gezien. Twee jaar later was Mariska Elsdonk in haar cel in Azkaban overleden.

Dit is geen wraak, dit is gerechtigheid, verzekerde Marina zichzelf terwijl ze de Grote Zaal binnenliep.
Ter gelegenheid van de vijfde herdenking waren de afdelingstafels weggehaald en was de ruimte gevuld met lange rijen stoelen. De zaal was smaakvol versierd in paarse, lila en roomwitte tinten die Marina om één of andere reden aan Perkamentus deden denken.
Ze volgde twee heksen en een tovenaar die kaartjes op hun gewaad droegen met daarop ‘De Ochtendprofeet’.
De tovenaar, een kleine kale man met een rossige snor, droeg een grote camera om zijn nek.
De jongste van de twee heksen had een hemelsblauw gewaad aan met gele runentekens erop. De oudere heks droeg een roze mantel waardoor Marina aan Dorothea Omber moest denken, en uit haar kapsel stak een lange roze veer.
De heksen waren moeilijk over het hoofd te zien, ook nu de Grote Zaal inmiddels vol liep met mensen en Marina liep op enige afstand achter hen aan. De aanwezigheid van de pers zou haar straks uitstekend van pas komen, besloot ze.
Overal om haar heen begroetten tovenaars en heksen elkaar enthousiast en bleven in kleine groepjes met elkaar staan praten. Anderen haastten zich – net als het gezelschap van De Ochtendprofeet – naar de voorste rijen om de beste plaats te kunnen bemachtigen.
Boven de zittingen van de stoelen op de eerste twee rijen zweefden echter paarse linten die de bezoekers beletten, om daar plaats te nemen. De namen van de eregasten staken in roomwitte letters af tegen het diepe paars.
Marina bezag het met minachting. Er was weinig veranderd in de tovenaarswereld; men kroop nog steeds voor Harry Potter.
Ze nam plaats in de vijfde rij; twee stoelen achter de in het roze geklede vrouw. Het drietal in dienst van De Ochtendprofeet werd genegeerd door het merendeel van de mensen in de Grote Zaal, die langzamerhand allemaal een plaatsje opzochten. Marina vond het prima. Ze wilde niet het risico lopen dat ze herkend werd door oud-klasgenoten.
Zelf zag ze verschillende bekende gezichten. Cho Chang kwam aan de arm van Joost Flets-Frimel binnenstappen en Loena was in het gezelschap van een man die bijna net zo vreemd gekleed was als zijzelf. Het geroezemoes in de Grote Zaal nam toe toen de groep Wemels binnenkwam en plaats nam op de eerste rij; de paarse linten konden blijkbaar door de juiste personen verwijderd worden. Tussen Hermelien en mevrouw Wemel bleven twee stoelen vrij, zag Marina.
Uiteindelijk werd het stil. De deur van de zijkamer werd geopend en achtereenvolgens kwamen Professor Anderling, Ginny Potter-Wemel, Harry Potter en Romeo Wolkenveldt – de Minister van Toverkunst – naar buiten.
De man met de rossige snor stond op en richtte zijn camera, ondanks de afkeurende blik van Minerva Anderling. Eén roze en één felgele veer waren al driftig aan het schrijven.
Harry en Ginny namen plaats tussen Hermelien en Molly Wemel terwijl Minister Wolkenveldt naar een stoel aan het eind van de rij liep. Professor Anderling liep naar het podium, sprak Sonorus en heette iedereen welkom.
Daarna gaf ze het woord aan de minister. Marina zuchtte even; ze hoopte dat er niet veel van die ellenlange toespraken zouden komen. Gek genoeg voelde ze zich niet zenuwachtig bij de gedachte aan wat ze zou gaan doen. Integendeel, ze voelde zich kalmer dan ooit. Maar dat wilde niet zeggen dat ze zin had om een uur lang te luisteren hoe iedereen Harry Potter, zijn vrienden en die Orde van Perkamentus ophemelde.
Ze bestudeerde de mensen om zich heen. Ze herkende veel voormalig Griffoendors en Huffelpufs, een behoorlijk aantal Ravenklauwen en een eind naar rechts op de achterste rij zag ze zelfs Malfidus, Bullemans en Zabini zitten.
Minister Wolkenveldt riep Harry Potter naar voren en Marina zag Molly Wemel liefdevol naar haar schoonzoon kijken. Haar hart trok krampachtig samen. Zo had haar moeder naar haar gekeken die laatste kerstmis die ze samen hadden gevierd! Marina had de laatste slingers in de boom gehangen, worstelend met de elfjes die steeds in haar haar wilden kruipen. Toen ze had opgekeken, had ze haar moeder in de deuropening zien staan met precies zo’n zelfde liefdevolle blik.
Ze knipperde verwoed met haar ogen en begon ter afleiding de gele runentekens op het gewaad voor haar te ontcijferen. Zouden mensen zich realiseren met welke onzin ze op hun kleding rondlopen, snoof ze even later. Tja, mode is mode, nietwaar?
Op het podium vertelde Harry Potter voor de zoveelste keer over zijn ouders en hoe zijn moeder zich voor hem had opgeofferd. Marina drukte haar nagels in haar handpalmen om het niet uit te gillen van onrechtvaardigheid.

Eindelijk was hij klaar met zijn praatje en mochten de verslaggevers een paar vragen stellen. En niet te geloven, wat een onnozele vragen die heksen stelden. Alsof niet de hele toverwereld inmiddels het levensverhaal van Harry Potter kende. Zelfs de lessen van Professor Kist waren niet meer zo saai sinds de uitgevers Geschiedenis van de Toverkunst hadden bijgewerkt tot aan ‘De Val van Voldemort’.
Terwijl de twee vrouwen voor haar om beurten een vraag op hem afvuurden, schoof Marina onopgemerkt haar toverstok in de mouw van haar gewaad.
Toen Harry – zoals zijn gewoonte was – opmerkte: ‘Hartelijk bedankt, dames. Nog één laatste vraag’, was Marina er klaar voor.
Ze stond op en voor iemand iets kon zeggen, vroeg ze: Harry, heb jij je ooit verantwoordelijk gevoeld voor al die mensen die door jouw getuigenis in Azkaban zijn beland?’
Er viel een stilte, waarna plotseling iedereen zich omdraaide om te zien wie die vraag gesteld had.
De Wemels leken geschokt, Ginny keek haar met toegeknepen ogen aan, maar Harry zelf schudde ontkennend zijn hoofd.
Bloed gonsde in haar oren bij dat gebaar en ze hoorde niet meer wat hij antwoordde.
Dat was je enige kans, Harry Potter, dacht ze terwijl ze haar toverstok ophief, richtte en de Onvergeeflijke Vloek uitsprak.
Het groene licht leek in slow motion over de hoofden van de geschokte aanwezigen heen naar het podium te bewegen.
Kalm liet ze haar stok zakken en wachtte.
Tot Harry Potter geraakt zou worden, tot de Schouwers haar zouden meenemen en vooral … op gerechtigheid.
Maar vlak voor het wachten eindelijk voorbij was, zag ze vol verbijstering Ginny Wemel overeind springen.
En net voor het groene licht de rode haren raakten, die over haar rug golfden, hoorde ze Ginny tegen Harry zeggen: ‘Alles voor jou!’



Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 04 december 2011 om 15:49
Korte inhoud: Een verhaal over Charlie's grote liefde
A/N: Nog even een wat ouder verhaaltje op het einde van het jaar. *streept weer een forumvoornemen door* xD


De Drakentemmer



Lange vuurpluimen laaiden op en tekenden de bomen langs de bosrand af tegen de zwarte hemel. Tientallen mannen renden schreeuwend om hem heen en hij keek waar hij het meest nodig was.
‘Allemaal tegelijk trekken. Op drie!’
IJzeren kettingen ratelden, maar het geluid werd onmiddellijk overstemd door een oorverdovend gebrul.
‘Charlie! Hierheen! We komen iemand te kort,’ schreeuwde een van de mannen.
Charlie Wemel rende langs de binnenkant van de houten omheining naar de plaats waar zes tovenaars probeerden een gigantische zwarte draak in bedwang te krijgen. Adrenaline stroomde als hete lava door zijn bloed toen hij probeerde één van de kettingen te pakken te krijgen die bevestigd waren aan de dikke leren riem om de nek van de Hongaarse Hoornstaart. Charlie trok uit alle macht terwijl de draak steigerde en woest met zijn kop heen en weer zwaaide. Diens ogen puilden uit van woede en hij krijste jammerend en schril.
‘Het lukt niet!’ schreeuwde Luke die naast hem aan een ketting trok. ‘Lamstralen! Ik tel tot drie!’
Charlie greep zijn toverstok en riep gelijk met de anderen: ‘Paralitis’. Op het moment dat hij achteruit sprong, wankelde de Hoornstaart en viel met een enorme dreun op de grond, onmiddellijk gevolgd door drie andere draken. Samen met zijn collega’s zorgde Charlie ervoor dat alle draken veilig vastgeketend werden aan de ijzeren pennen in de grond.
Hij maakte een praatje met Hagrid die achter de omheining stond met een vrouw in wie Charlie tot zijn verontwaardiging het schoolhoofd van Bauxbatons herkende.
Toen hij een half uur later naar het tentenkamp liep, dacht hij aan Harry Potter die in het Toverschool Toernooi de eer van Zweinstein en die van Griffoendor moest verdedigen. Hij verbleekte bij de gedachte aan zijn moeders reacties wanneer Harry op de ziekenzaal – of erger – terecht zou komen.
Als hij maar niet die Hoornstaart krijgt.
Bij zijn tent gekomen, trok hij zijn laarzen uit en liet zich kreunend van vermoeidheid op zijn matras vallen. Zijn gedachten gleden van Harry, via de zwarte draak naar de andere drie en bleven hangen bij zijn favoriet.

Vol jaloers ontzag keek Charlie toe hoe Bill de eigenaar werd van een toverstok - eenentwintig komma zes centimeter, Esdoorn met een kern van Eenhoornhaar.
Charlie was negen jaar – ‘bijna tien hoor,’ zei hij steeds want hij wilde niet bij de kleintjes horen – en was erg trots dat hij aan het eind van de zomervakantie als enige mee mocht naar Londen met zijn moeder en zijn oudste broer, die 1 september voor het eerst naar Zweinstein zou gaan.
Was hij maar alvast elf jaar, dacht hij toen ze de winkel verlieten. Twee jaar leek nog een eeuwigheid te duren. Een beetje somber liep hij achter moeder en Bill aan.
‘Kom je, Charlie?’ vroeg moeder. Ze hield de deur open van
Klieder & Vlek, een boekenwinkel en Charlie zuchtte terwijl hij haar passeerde. Ze woelde even door zijn haar: ‘Als we hier klaar zijn, gaan we naar Fanielje om een ijsje, oké?’
Hij glimlachte scheef en knikte. Terwijl moeder en Bill de schoolboeken bestelden, slenterde hij langs de schappen met boeken. Percy zou het hier geweldig vinden, maar hij interesseerde zich nauwelijks voor boeken. Hij speelde liever buiten in de tuin; stoeien met Bill, de kabouters achterna zitten, de kippen voeren of vanachter een stapel kratten steentjes tegen het raam van Percy gooien als die op zijn kamertje zit te lezen.
Aan het einde van een schap boeken met titels als
Magische kooktechnieken en Hoe laat je je naalden het beste tikken stond een tafeltje waarop een stapel boeken lag. Eén van de boeken stond rechtop tentoongesteld en iets in de afbeelding op de kaft lokte hem, ook al kon hij nog niet zien was het was. Hij liep er op af en bleef twee meter van het tafeltje gefascineerd staan kijken.
De kaft leek van rood leer en zag er zacht en soepel uit. Zijn vingers jeukten om het aan te raken. Midden in het ronde passe-partout op de voorkant zag Charlie het meest fantastische wezen dat hij ooit gezien had. Het had gladde, vuurrode schubben en rond de muil staken allemaal gouden stekels, die zelfs vanaf waar hij stond, leken te glanzen. Uitpuilende ogen keken Charlie doordringend en waakzaam aan terwijl het een felrood ei met gouden spikkels voor zich hield.
Een vrouwtje waarschijnlijk, dacht Charlie vol ontzag.
Ze keek van het ei naar Charlie terwijl er een kleine paddenstoelvormige vuurbal uit haar neusgaten spoot. De vlammen likten aan de goudkleurige letters boven haar kop, zonder ze te verbranden.
Mythen en Legenden over de Chinese Zenger door Xian Ta was er te lezen.
Charlie keek ademloos hoe de draak telkens opnieuw naar het ei in haar poot keek en dan een waarschuwende vuurbal uitspoot. Het herinnerde hem aan de keer dat moeder drie jongens van hun erf had gestuurd, die hem aan het schoppen waren.
Hij schrok op van een hand op zijn schouder. ‘We zijn klaar, Charlie. Ga je mee naar Fanielje?’ glimlachte moeder.
Toen ze zich omdraaide om terug te lopen, greep hij haar hand en trok haar dichter naar dat betoverende boek.
‘Mama, mag ik alsjeblieft dit boek hebben? Alsjeblieft?’ Hij keek haar smekend aan en zag dat ze op het punt stond haar hoofd te schudden.
‘Toe mama, dan hoef ik geen ijsje. En … en dan hoef ik ook geen verjaardagscadeautje! En geen kerstcadeaus! Alsjeblieft?’ vroeg hij dringend.
Haar blauwe ogen hielden zijn blik vast en hij hield zijn adem in terwijl hij nerveus zijn vingers met elkaar verstrengelde.
Oh alsjeblieft Merlijn, ik wil het zo graag, alsjeblieft, zorg dat ze ja zegt.
Hij wist niet wat ze in zijn ogen las, maar na een eeuwigheid verzachtte haar blik. Een klein pufje ontsnapte aan zijn lippen.
‘Geen ijsje hé?’ vroeg ze plagend, ‘dan moet je het wel heel graag willen.’
Heftig knikkend keek hij haar vol verwachting aan. En terwijl ze weer door zijn haren woelde, zuchtte ze: ‘Nou vooruit. Maar dan moeten we natuurlijk ook nog iets voor de anderen meenemen.’
Haar laatste woorden klonken gesmoord doordat twee armen zich om haar middel knelde en een klein stemmetje ‘Dank je mama’ in haar mantel fluisterde.

Een oorverdovend applaus klonk van de tribunes en wedijverde met de stem van Ludo Bazuyn.
‘Niet te geloven! Echt niet te geloven! Onze jongste kampioen heeft het snelst zijn ei te pakken!’
Opgelucht dat Harry het er zo goed vanaf gebracht had, rende Charlie achter zijn collega’s aan de drakenkooi in om de Hongaarse Hoornstaart te verlammen. Nu Harry het gouden ei had weggekaapt, was ze extra alert.
Charlie kon het haar niet kwalijk nemen. Zeker niet als je bedacht wat er met de eieren van de Chinese Zenger gebeurd was. Hij wist dat hij het Kruml niet kon verwijten dat hij een Bijziendheidsbezwering had gebruikt, maar hij verweet het wel de organisatie dat ze er blijkbaar geen probleem mee hadden om een aantal drakeneieren op te offeren voor een sportevenement.
Terwijl de tribunes langzaam begonnen leeg te stromen, kneep Charlie even zijn ogen dicht en zag weer de waakzame blik en de beschermende greep van een klauw om een goudgespikkeld felrood ei. De Chinese Zenger! Zijn eerste en grote liefde.
Vanaf het moment dat ze destijds waren thuisgekomen, had Charlie als gehypnotiseerd met zijn neus in het boek gezeten. Zelfs toen Bill hem plagend Percy had genoemd, had hij alleen maar zijn schouders opgehaald zonder Bill ook maar een blik waardig te gunnen.

Charlie wilde er heel wat om verwedden dat zijn moeder er in de loop der jaren vaak genoeg spijt van had gehad dat ze voor zijn smekende blik door de knieën was gegaan. Dat was iets dat ze, zonder het overigens te weten, gemeen had met Tops.
Hij zuchtte even terwijl hij automatisch de andere tovenaars hielp de Hoornstaart te ketenen en klaar te maken voor vervoer.

Nymphadora Tops, zijn tweede grote liefde. Al mocht hij haar natuurlijk alleen bij heel speciale gelegenheden bij haar voornaam noemen en die waren er niet zo erg veel geweest in de drie jaar dat ze samen waren, dacht hij.
Tops, die hem vorige week een ultimatum had gesteld dat er eigenlijk op neer kwam dat hij moest kiezen tussen haar of Roemenië. Aangezien ze zelf net door het Ministerie was aangesteld als Schouwer, vond ze het logisch dat hij werk ging zoeken in Engeland. Zijn hele familie woonde er tenslotte, redeneerde ze.
Maar Charlie wilde niet weg uit Roemenië. Hij hield van zijn werk in het drakenreservaat. Hij had erg geboft met zijn collega’s en had een zwak gekregen voor het land waar hij sinds een paar jaar woonde. Hij hield van de verscheidenheid van culturen en de mensen, maar het meest hield hij van de ongerepte natuur die zo afwisselend was. Nog steeds kon hij ’s morgens als hij naar buiten stapte vol ontzag opkijken naar de Karpaten; het bleef bijzonder om zo dicht bij een bergketen te wonen en werken.
De afstand was echter niet de werkelijke reden achter Tops’ ultimatum. Charlie wist dat het angst was. Ze had zijn passie voor draken nooit begrepen en was om onverklaarbare redenen veel banger voor één van de draken die hij verzorgde dan voor tien duistere tovenaars. Charlie snapte het niet en vond het ergens een beetje hypocriet; hij vroeg haar toch ook niet haar werk op te geven.
Wat betreft haar andere argument; gedachten aan later, aan een gezin en kinderen leken nog een eeuwigheid weg. Charlie wist niet eens of hij überhaupt wel kinderen wilde. Hij was nog hartstikke jong en vond het heerlijk om niet aan huis en haard gebonden te zijn, hoeveel hij ook om Tops gaf. Misschien was dat ergens ook wel de reden waarom hij het bleef uitstellen om haar aan zijn familie voor te stellen. Als zijn moeder zou weten dat hij een relatie had, zou ze hem net als Tops onder druk zetten om Roemenië te verlaten.

Toen alle ketenen bevestigd waren, legden de drakenoppassers de eieren op een deken. Charlie keek omhoog en zijn blik gleed over twee meisjes die op de tribune waren achtergebleven. Zesde- of zevendejaars Ravenklauwen, dacht hij. Eén blond, één met bruine krullen. De ondergaande zon kleurde het blonde haar roze en Charlie’s hart sloeg onwillekeurig een keer over.
Toen hij zich omdraaide om de anderen te volgen, zag hij Luke opgewonden terug komen lopen.
‘Charlie, kom mee, één van de Zenger-eieren is aan het uitkomen!’
Charlie’s hart begon harder te kloppen dan het ooit voor enig ander fabelachtig of menselijk wezen geklopt had, en op dat moment wist hij welke keuze hij moest maken. Zíj was zijn grote liefde, die magnifieke Chinese Zenger met haar prachtige Griffoendorkleuren, en als hij Tops niet vrij liet, deed hij haar onrecht aan. Dan onthield hij haar de kans om iemand te vinden die haar zíjn grote liefde vond.
Terwijl hij Luke volgde, besloot Charlie om Tops diezelfde avond antwoord te geven.


Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 21 februari 2012 om 22:40
A/N: Ik ontdekte vandaag tot mijn horror dat ik me zomaar een week vergist heb qua posten voor Wentelende Wereld. Zomaar een week kwijt, hoe is het mogelijk? :')
Als goedmakertje dus één van mijn favoriete one-shots hoewel waarschijnlijk niet elke WW lezer het een goede ruil vindt. In tegenstelling tot WW is dit namelijke een Harry/Draco verhaal (a)



Korte inhoud: Na het Sectumsempra incident in hun zesde jaar is Draco op zoek naar afzondering, maar Harry is op zoek naar Draco.




Waarschuwing:
Dit is Harry/Draco slash en de rating is er niet voor niets en hoewel er (nog) geen seksuele handelingen tussen de twee jongens plaatsvinden, wordt er een heleboel gesuggereerd.
Als dat niet je ding is of als je onder de leeftijd valt die de rating aangeeft, klik dan alsjeblieft deze pagina weg. Of laat mij tenminste in de waan dat je dat doet ;)




Vergeving


Draco schoof rusteloos heen en weer op het grote bed dat hij had getransformeerd van de kleine sofa die hij in dit verlaten lokaal had gevonden.
Hoewel het ‘Incident’, zoals hij het noemde, twee dagen geleden plaatsvond, en madame Plijster hem goed had opgelapt, had ze hem tot vanavond in de ziekenzaal gehouden en zijn lichaam was nog behoorlijk gevoelig.
Goddank, dat oom Sev de tegenspreuk had geweten en er op tijd bij was geweest om zijn wonden te sluiten. Dat zou helemaal het toppunt zijn geweest; dat hij met nog grotere littekens zou moeten rondlopen dan die vervloekte knul die hem geprobeerd had te vermoorden.
‘Vervloekte Potter! De verdomde Uitverkorene!’ dacht hij bitter. Maar als hij eerlijk was tegen zichzelf – iets dat hij normaal gesproken zoveel mogelijk vermeed – was hij nog steeds geschokt dat hij bijna een Onvergeeflijke Vloek gebruikt had.
Toen Potter hem echter ontdekt had, huilend en kwetsbaar en zwakker dan Potter hem ooit had gezien, waren al zijn frustraties over de hopeloze situatie waarin hij zich bevond naar boven geborreld en had hij uitgehaald.
In gedachten hoorde hij weer de hoge kille stem: ‘Als je faalt, zul je sterven en je moeder ook.’
En hij faalde. Na al die maanden was hij er nog steeds niet in geslaagd die stomme kast te maken. Om het over die andere opdracht maar niet te hebben. De druk nam steeds meer toe en hij wist bij Zalazar niet wat hij moest doen. Als het niet om zijn moeder was geweest, zou hij het hebben opgegeven, zich hebben overgegeven. Dan had hij Perkamentus gevraagd om bescherming in ruil voor informatie; de manier van Zwadderaars. De winnende kant kiezen. Of in ieder geval de kant kiezen die je niet gelijk vermoord.
Misschien zou zijn moeder hem proberen te bereiken, dacht hij hoopvol. Als oom Sev haar tenminste verteld had wat er gebeurd was. En dan … misschien kon hij haar dan op één of andere manier een boodschap doorgeven, om haar te waarschuwen naar het buitenland te vluchten.

Terwijl hij nadacht over manieren om zijn moeder in veiligheid te krijgen, viel hij eindelijk in slaap. Maar zijn slaap gaf hem al net zo weinig rust. Net als de voorgaande nachten bevond hij zich in die vervloekte badkamer met Jammerende Jenny, terwijl die verdomde Harry Potter binnenkwam net toen Draco zijn ziel uit zijn lijf jankte.
Maar deze keer verliep de droom anders; voordat ze elkaar konden gaan vervloeken, begon Potter tegen hem te praten en vroeg of Draco in orde was en of hij hem kon helpen. Erg verwarrend.
Hij werd wakker met zijn hart in zijn keel en zijn dekens nog maar gedeeltelijk over zich heen. Kou was echter niet de reden dat hij ontwaakt was en ook die vreemde droom niet.
Hij bleef roerloos liggen, probeerde zijn ademhaling zo gelijkmatig mogelijk te houden en tastte voorzichtig met zijn vingers onder zijn kussen op zoek naar zijn toverstok.
Ingespannen luisterde hij naar iets dat hem duidelijk maakte wat er aan de hand was. Hij dacht een ademhaling te horen, maar dat kon ook die van hem zijn. Zijn hart klopte nog steeds in zijn keel en hij was blij toen zijn vingers langzaam het gladde hout vonden. Hij voelde zich erg kwetsbaar zo op zijn rug met zijn gezicht naar de muur, maar durfde zich niet te bewegen.
Op het moment dat de spanning hem bijna teveel werd en hij besloot zich met uitgestoken toverstok om te draaien, hoorde hij aarzelende voetstappen en een bekende stem die gesmoord fluisterde: ‘Oh God Malfidus, het spijt me zo. Ik … ik wist … ik wist niet wat ik deed .. ik bedoelde niet …’
Draco staarde met wijd opengesperde ogen naar de muur terwijl hij probeerde te begrijpen wat er in Zalazars naam aan de hand was.
De Zwadderaar in hem schreeuwde om als eerste in de aanval te gaan, maar Draco herinnerde zich de droom waaruit hij net was ontwaakt en besloot af te wachten. Potter leek niet gekomen om opnieuw te vechten en wie weet welke informatie hij kreeg als hij zich slapende hield.
De voetstappen die even stil hadden gehouden, kwamen nu nog dichterbij en begaven zich blijkbaar om het bed heen. Draco had de grootste moeite om rustig te blijven ademhalen bij de gedachte dat Potter nu naast zijn bed stond en naar hem keek. De wetenschap dat de dekens half naast het bed hingen, maakte het er niet gemakkelijker op, hoewel hij er natuurlijk geweldig uit zag in zijn zwarte, zijde pyjama.
Toen voelde hij de matras voorzichtig een stukje inzakken en de hese stem van Potter fluisterde verder.
Dacht hij nu hees? Schor, bedoelde hij natuurlijk! Het gekwaak van Lubbermans kikker was er niets bij.
‘Ik wist niet wat die spreuk zou doen … madame Plijster zei dat je in orde was maar ik moest het zelf zien.’
Draco kon zich er met moeite van weerhouden een sarcastische opmerking te maken; het idee dat Potter met eigen ogen moest zien dat hij geen blijvende schade had aangericht, was zo typisch Griffoendork.
Hij probeerde net te bedenken hoe hij De Uitverkorene hier later mee kon vernederen toen hij heel voorzichtig twee vingertoppen over zijn wang voelde glijden. Verbijsterd vroeg Draco zich af of hij wel echt ontwaakt was, maar het idee dat hij dit zou dromen was al even bizar.
De vingers volgden aarzelend de route die Potters toverstaf twee dagen eerder had uitgezet; onder zijn oog, langs zijn neus en omhoog boven zijn wenkbrauw.
De vingers voelden verrassend zacht. Niet zo zacht als zijn eigen verzorgde huid natuurlijk, maar ook niet zo ruw als hij verwacht had.
Niet dat hij ooit aan Potters vingers dacht natuurlijk, hoogstens om ze te breken.
‘Ik ben blij dat Sneep je kon genezen. Madame Plijster zei dat deze binnen een paar dagen helemaal weggetrokken zijn.’
Draco wist dat Potter op de vage roze lijntjes doelde, die hij volgde. De vingers gleden over zijn voorhoofd en kregen gezelschap van twee net zulke zachte vingers. Ze streken aan beide kanten over de zachte plekjes van zijn slapen en de druk op zijn hoofd – waarvan hij niet eens wist dat hij die had – leek af te nemen.
Hoewel die druk zich leek te verplaatsen naar een lager gebied van zijn lichaam.
Oh God, wat gênant!
Hij voelde zijn wangen warm worden en hoopte bij alles wat hem heilig was dat Potter echt zo naïef was als elke Zwadderaar dacht.
Terwijl de vingertoppen nog steeds in kleine cirkeltjes over zijn slapen bewogen, voelde hij handpalmen op zijn verhitte wangen gelegd worden. Terwijl hij daar lag met zijn ogen dicht en zijn lichaam begon te reageren op die zachte aanrakingen, kostte het Draco steeds meer moeite om zich te herinneren dat dit die verdomde Potter was. De vervloekte Uitverkorene en al dat gezeur. Zelfs zijn stem was niet die van Potter, maar meer die van … meer Harry. Oh, Machtige Morgana.
De zachte kreun die hem tot zijn ontzetting ontglipte, ontging de Griffoendor die nog steeds verder fluisterde.
Draco had de laatste seconden niet echt geluisterd, maar werd zich nu gewaar wat Harr – Potter zei.
‘Het zou zonde zijn … je huid … god Malfidus …’
Draco had moeite zijn ademhaling gelijkmatig te houden en was bang dat zijn hartslag zelfs aan de andere kant van de kamer hoorbaar moest zijn. De handen bewogen zich opzij, vingertoppen volgden de rand van een oorschelp voor ze in Draco’s blonde haar gleden en het met verrukkelijk trage bewegingen kamden.
Potters gezicht was nu vlakbij; hij voelde warme adem over zijn lippen, neus en oogleden fladderen.
Even kwam Draco in de verleiding om zijn ogen open te doen en te kijken welke blik de Griffoendor in zijn ogen had, maar toen keerde zijn gezonde verstand terug.
Potter mocht nooit weten dat hij al die tijd wakker was! En vooral niet welk effect hij op Draco had. Hij realiseerde zich inmiddels dat hij dit nooit tegen Potter kon gebruiken zonder zichzelf te vernederen.
De handen die eerst nog met zijn haar hadden gespeeld, streelden nu zijn nek, zijn hals en bleven aarzelen bij het kuiltje onder zijn hals net boven het eerste knoopje van de zwarte pyjama.
De warme adem was de handen gevolgd en streelde zijn keel zodat Draco het aandurfde snel tussen zijn wimpers door naar Potters gezicht te kijken. Grote groene ogen staarden gefixeerd naar beneden alsof hij nog nooit knopen had gezien en witte tanden trokken een volle onderlip naar binnen.
Draco sloot wanhopig zijn ogen.
‘Ik zou niet … je zou me nog harder vervloeken als je al deed … maar ik wil … zo graag …’ Potter slikte hoorbaar.
‘Ik moet weten of je verder ook in orde bent.’ Het klonk opgelucht en opgewonden tegelijk en voor Draco begreep wat Potter bedoelde, voelde hij voorzichtige vingers aan het knoopje wriemelen.
Toen de Griffoendor, als een man met een missie, één voor één de kleine knoopjes door de knoopsgaten liet glippen, dacht Draco dat hij gek werd.
Hij moest dit stoppen, voor Potter besefte dat hij al de hele tijd wakker was. Voor hij merkte welk effect zijn strelingen op Draco hadden, want Draco wist dat het bewijs van zijn opwinding inmiddels al half zichtbaar was.
Maar toen duwden de handen de panden van zijn pyjamajasje opzij en in Draco’s verwarde brein was er nog maar één gedachte: O God, niet stoppen!
Heel licht raakten Potters vingers zijn naakte borst aan en die kleine aanraking was al genoeg om zijn tepels rechtop te laten komen. Hij kon niet voorkomen dat er een huivering door hem heen trok. Abrupt stopten de handen met bewegen. Toen Draco roerloos bleef liggen, liet Potter zijn adem ontsnappen en zijn vingers gleden zachtjes verder over zijn huid.
‘Sorry … het is hier natuurlijk koud …’ De hand verliet zijn huid en Draco wilde dolgraag protesteren. Het volgende moment hoorde hij iets mompelen en de temperatuur werd ineens een stuk aangenamer, hoewel het niets deed voor Draco’s tepels.
De hand was weer terug op zijn huid, duwde de pyjama verder opzij en opeens voelde hij zachte lippen die het roze spoor volgden van zijn sleutelbeen, onder zijn tepel door en verder naar beneden tot net boven zijn navel.
Draco kon niet meer nadenken. Hij liet zich meenemen door de sensationele gevoelens die Har – Pott – ach barst, Harry’s lippen opriepen.
Toen Harry’s tong een cirkeltje om zijn navel draaide, wilde Draco zijn rug krommen in een wanhopige poging tot meer contact, maar met ondraaglijke inspanning lukte het hem om stil te blijven liggen.
Dit was een marteling. De Griffoendor kwelde hem met zijn handen en tong terwijl Draco langzaam gek werd van verlangen.
Terwijl die tong korte stotende bewegingen maakte in zijn navel, voelde Draco Harry’s handen in de richting van zijn pyjamabroek gaan. Hij hield zich doodstil. Hij was niet bang meer dat Harry merkte dat hij al die tijd wakker was; niet bang dat Harry merkte welk effect hij op hem had, en niet bang voor de vernedering. Hij was alleen nog maar bang dat Harry’s vingers zouden stoppen met wat ze aan het doen waren en hij wilde zo wanhopig graag dat ze doorgingen. Maar Harry’s vingers stopten niet; de Griffoendor leek zelf ook te ver heen om nog te kunnen nadenken wat hij deed en vooral met wie.
Hij strekte zich langs Draco’s zij en Draco voelde Harry’s opwinding tegen zijn been drukken. De vingers streelden nu langs het randje van Draco’s pyjama en de duimen streelden de gevoelige huid eronder.
Toen boog hij zijn hoofd en trok een nat spoor omlaag, van Draco’s navel tot aan het elastiek. In Zalazars naam, doe het, dacht Draco terwijl begeerte zijn bloed verhitte.
Maar Harry’s hand gleed naar beneden en streelde nu de gevoelige binnenkant van Draco’s bovenbenen door de zwarte zijde, waarin zijn opwinding duidelijk zichtbaar was. Toen stopte hij en slikte hoorbaar.
‘O Gods Draco, jij bent adembenemend en ik wil … ik zou niets liever … maar dit kan ik niet maken.’
Oh, vervloekte Griffoendors met hun verdraaide eergevoel.
Voor hij besefte wat hij deed, riep Draco gefrustreerd: ‘En of je dat kan!’
Harry verstijfde, zijn hoofd schoot omhoog en grote groene ogen staarden verwilderd naar al even wijde, zilvergrijze ogen. Hij zag eruit alsof hij er ieder moment vandoor kon gaan. Draco besloot alle gedachten aan opdrachten, Duistere Heren en Griffoendors die hij zou moeten haten, voor morgen te bewaren. Hij duwde, steunend op zijn ellebogen, zijn bovenlichaam van het bed en keek met opgetrokken wenkbrauwen naar Harry.
‘Waag het niet om nu te stoppen!’ klonk het schor.
Harry’s ogen werden nog groter dan ze al waren en Draco zag zijn adamsappel op en neer bewegen.
‘Heb je … heb je me vergeven?’ vroeg de Griffoendor.
Draco sloot even zijn ogen voordat hij weer in die groene ogen keek, knikte kort en vroeg dan met duidelijke tegenzin: ‘En jij?’
Harry staarde hem doordringend aan en maakte toen ook een kleine beweging met zijn hoofd.
Toen glimlachte hij, haakte zijn vingers achter het elastiek van de zwarte zijde pyjamabroek en boog zijn hoofd.


IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 23 november 2012 om 23:47
A/N: ik heb allang geen nieuwe oneshot meer gepost. Ik kreeg echter zelf ook inspiratie van de prompt xD


Wilde ogen in de nacht


Loena’s lichtblauwe ogen keken hem beschuldigend aan. ‘Waarom voorkwam je niet dat ik gemarteld werd?’ leken ze te zeggen. ‘Waarom heb je niemand gewaarschuwd? Snapte je niet hoe ongerust mijn vader was?’
Draco’s hart klopte als een gevangen duif tegen de tralies van zijn ribben. Hij wilde smekend zijn hand uitsteken, maar de ijzeren kettingen verhinderden dat. Naast Loena zat de toverstokkenmaker, die zichtbaar verouderd was. Hoewel zijn lichaam gebroken was, bleek zijn geest nog even sterk. Zijn ogen straalden minachting uit. Waarom heb je enkel toegekeken? Hoeveel daden had je kunnen voorkomen?
Het was een vraag die Draco zichzelf al ontelbare malen had gesteld.
De pijn in Hermeliens ogen – aan de andere kant van Loena – bracht telkens weer haar ijzingwekkende kreten naar boven. Als een lafaard had hij achter het gordijn toe staan kijken, zijn gebalde vuist in zijn mond, bang dat een enkel geluid de aandacht van zijn krankzinnige tante zou trekken.
De leden van de Wikenweegschaar trokken zich terug om over zijn vonnis te beslissen. Het joeg hem geen angst aan, niet meer. Azkaban was momenteel te prefereren boven deze koude, kille ruimte, waar hij vastgebonden, als een dier in een val, bekeken werd door honderden mensen. Elke nacht leken er meer mensen te zijn. Elke nacht werd de minachting en de woede die uit hun ogen straalde intenser, werd de razernij zichtbaarder, hun honger naar wraak tastbaarder. Hij wist dat hij droomde. Hij wist het iedere nacht, maar telkens weer overspoelden de angst en schuldgevoelens hem in reusachtige golven, sleepten hem mee naar de vloedlijn van zijn bewustwording en gooiden hem terug in een zee van wilde ogen. Tevergeefs zocht hij naar een paar dat compassie uitstraalde, vergevingsgezindheid, misschien wat begrip, maar zelfs die beroemde groene ogen keken hem vol minachting aan, voor de tovenaar zich omdraaide en Draco overliet aan de woeste massa die nu steeds naderbij kwam, als een menigte Necroten.
Wild trok hij aan de kettingen, maar ontsnapping kwam in de vorm van een paar armen die nu geruststellend om hem heen geslagen werden. Een hand streek het vochtige haar van zijn voorhoofd en tedere lippen streelden zijn gespannen kaak.
‘Dezelfde nachtmerrie?’ vroeg een slaperige stem. Draco knikte, bang om te praten. Hij werd dicht tegen de ander aangetrokken, geruststellende woordjes drongen eindelijk tot hem door, en zijn hart begon wat langzamer te kloppen. Zijn spieren ontspanden en hij merkte dat hij weer kon slikken zonder obstakel.
Dankbaar draaide hij zich om. Er lag geen beschuldiging in deze ogen, niet de minachting die zijn nachtmerries steeds toonden. In plaats daarvan keken de groene ogen hem vol liefde aan. De diepte van Harry’s gevoelens was in de zeven jaar dat ze samen waren nog niets verminderd en Draco wist dat het ook nooit zou gebeuren.
Hij kuste het bliksemvormige litteken en viel langzaam weer in slaap, met beschermende armen om hem heen.


Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2920
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 07 maart 2013 om 14:39
Korte inhoud/omschrijving: Wie is in Merlijns naam die zwangere vrouw die de Wemelbruiloft komt verstoren?
A/N: Een verhaaltje uit de oude doos dat ik net tegenkwam xD Geschreven voor een wedstrijd - kort maar krachtig, waarbij de eerste drie zinnen gegeven werden.


Fase één



Ik had mijn haar rood geverfd. Helderrood, als het lichteffect van een mislukte Expelliarmusspreuk. Dat past beter bij mijn huid dan donkerrood en bovendien haat ik de deprimerende kleuren van de herfst. Met ‘mijn huid’ bedoelde ik natuurlijk deze huidige vorm. Er was geen sprake van dat ik mijn eigen haren zou blootstellen aan een dergelijke barbaarse methode, natuurlijke ingrediënten of niet. De verbeterde Wisseldrankversie belooft vier keer zo lang te werken; genoeg om de haren, die oorspronkelijk de kleur hadden van het stro rond Hagrids hut, te verven en mijn missie te volbrengen.
Rondkijkend, merkte ik dat mijn haren zich met de rest van het gezelschap mengde als een goed versneden wijn. Het soort wijn dat waarschijnlijk geopend zou worden als de smaakpupillen van de bruiloftsgasten na een paar glazen elfenwijn verdoofd zouden zijn. Alleen al om die reden moest ik slagen, dacht ik, gruwend bij het idee van zulke inferieure wijn.
Mijn neiging om een situatie van bijtend commentaar te voorzien, moest ik helaas in bedwang houden. Ik mocht pas de aandacht op me vestigen als de tijd rijp was. Een steelse blik op het bollende buikje dat de stof van mijn crèmekleurig gewaad strak trok, liet me weten dat de Schoneschijnbetovering nog steeds werkzaam was.
Het geluid in de witte tent zwol aan toen de familie van de bruidegom hun plaats innam op de eerste rij. Ik herkende de Drakentemmer, en de oudste Wemel die met de Glamorgana van Beauxbatons was getrouwd. De bruidegom negeerde ik omdat ik bang was dat zelfs mijn rode haar de aandacht niet zou afleiden van de gevoelens die ik dan zou uitstralen. De komst van de familie Potter, een dreumes tussen hen in, ging vergezeld van bewonderend gemompel. Ik moest moeite doen om mijn uitdrukking neutraal te houden.
Het witte tentdoek wapperde als gevolg van een mild lentebriesje en weerkaatste de muziek die zich plotseling van alle kanten aan me opdrong. Ik beet op de binnenkant van mijn onderlip. Nog even geduld, maande ik mezelf.
Bewonderende kreten kondigden de binnenkomst van de bruid aan. De lange, scherpe nagels van mijn geleende lichaam boorden zich in mijn handpalmen, maar ik voelde ze niet. In een stijlvol wit gewaad schreed Hermelien Griffel over de scharlakenrode loper en voegde zich bij haar zenuwachtig ogende bruidegom.
Na wat een eeuwigheid leek, kwam het moment waarop ik mijn lichaam en haren had voorbereid.
‘…die tegen dit huwelijk is, laat hen dan nu spreken of anders voor eeuwig zwijgen.’
De glimlach die rond de mond van de oude tovenaar speelde, stierf plotseling toen ik opstond en opzij stapte naar het midden van het gangpad. Ik zweeg een moment terwijl de één na de andere gast zich naar me omdraaide. Ik zwaaide mijn helderrode lokken over mijn schouder, kromde mijn rug om de crèmekleurige zwelling bij mijn buik te benadrukken en verhief mijn stem.
‘Ik ben tegen dit huwelijk!’ krijste ik en inwendig genoot ik van de hysterie in mijn stem en de geschokte gezichten om me heen. ‘Ronald Virus Wemel! Je had beloofd dat je bij haar weg zou gaan en dat je voor mij en ons kind zou zorgen!’
Het is lastiger een gezicht in de plooi te houden als je er niet echt bekend mee bent, maar ik slaagde er vrij goed in. Natuurlijk was ieders aandacht op het echtpaar gericht tegen de tijd dat de laatste woorden mijn helderrode lippen hadden verlaten. Tijdens de kakofonie die losbarstte, besloot ik te vertrekken, voor de Wisseldrank en de Schoneschijnbetovering zouden verdwijnen als Fanieljes ijs op een zomermiddag.
Het laatste wat ik zag toen ik Verdwijnselde, was de hand van Hermelien Griffel die de wang van Ron Wemel striemde.
Ik kende dat gevoel, maar had geen medelijden!

In de spiegel van mijn kledingkast zag ik hoe mijn lichaam langzaam maar zeker zijn eigen vorm weer aannam. Hoe het helderrode haar korter werd en zilverblond, en hoe het schijnbaar zwangere buikje verdween. Ik zuchtte opgelucht toen mijn mannelijke anatomie zich herstelde en ik in mijn eigen grijze ogen staarde. Fase één was voltooid.
Hermelien Griffel zou van mij zijn!



Wat houdt Draco's taakstraaf in? En welke ernstige gevolgen heeft Juvie's geklungel?
Lees het in WW ho 48: De Verspilling van Jean Excellente.
IP IP gelogd
Terug naar boven
<< Vorige Pagina  van 4 Volgende >>
Beantwoord bericht Plaats een nieuw onderwerp
Printbare versie Printbare versie

Spring naar forum
je kan niet nieuwe onderwerpen plaatsen in dit forum
je kan niet antwoorden plaatsen in dit forum
je kan niet berichten verwijderen in dit forum
je kan niet berichten bewerken in dit forum
je kan niet enquêtes creëren in dit forum
je kan niet stemmen in enquêtes in dit forum