Actieve onderwerpenActieve onderwerpen  Toon de lijst met forumledenLedenlijst  KalenderKalender  Doorzoek dit forumZoeken  HelpHelp
  RegistrerenRegistreren  InloggenInloggen
Lange Schrijfsels
 Het Harry Potter Forum : De Toren der Creatievelingen : De Bibliotheek : Lange Schrijfsels
Onderwerp: • Wentelende Wereld Beantwoord bericht Plaats een nieuw onderwerp
<< Vorige Pagina  van 5
Schrijver Bericht
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2878
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 17 februari 2015 om 11:56



Hoofdstuk 39 Een Tweeledig Weerzien



Leo was net vertrokken toen het belletje bij de winkeldeur rinkelde.
‘Kun je me nu al niet meer missen?’ riep George gekscherend vanuit het magazijn. Het verwachte commentaar bleef uit en hij fronste zijn wenkbrauwen, terwijl hij afwachtend luisterde.
In plaats van de zware stap van Leo’s laarzen, klonk het getik van dameshakjes op de stenen winkelvloer. George stond op en probeerde snel het stof van maanden van zijn broek te kloppen. Wie is dat in Merlijns naam?
‘Ik vind eigenlijk dat ik je al veel te lang hebt moeten missen,’ klonk de stem van Angelique een paar seconden voor ze tussen de gordijnen door stapte.
Dit keer was er geen ontkomen aan, realiseerde hij zich. Geen Leo die haar met een smoesje weg kon sturen, geen Nicole die stellig beweerde dat ze hem die middag nog niet in de winkel gezien had. Automatisch trok hij zijn bescherming op.
‘Je bedoelt dat je Fred mist,’ zei hij op verdedigende toon. Haar gezicht werd uitdrukkingsloos en hij haatte zichzelf voor de pijn die hij haar aandeed. In de paar seconden stilte die volgde, leek ze zich echter te herpakken. Haast op dezelfde manier als ze altijd na een peptalk van Olivier voor een wedstrijd tegen Zwadderich had gedaan.
Ze hief haar kin koppig omhoog alsof ze begreep wat zijn bedoeling was, maar niet van plan was om dit keer op te geven en zei: ‘Dat staat buiten kijf. Dat gemis kan niemand verhelpen, maar de afwezigheid van vrienden die er nog zijn, is een ander verhaal. Ik mis jou ook, vriend.’
George wist niet wat hij moest zeggen. Het zou onzin zijn om Angelique te vertellen over zijn angst mensen constant aan Fred te herinneren. Als er iemand was die hen uit elkaar had kunnen houden, was zij het wel, en ook voor haar zouden er weinig momenten op de dag zijn dat ze niet aan zijn broer dacht. Met een zucht gaf hij toe.
‘Ik heb jou ook gemist, Angie,’ zei hij, met een scheef lachje om de door haar verfoeide bijnaam. Ze gaf hem plagend een stomp tegen zijn arm voor ze hem plotseling omhelsde alsof er geen morgen meer was. Hij sloeg zijn armen om haar heen en merkte dat gezamenlijk verdriet ook gezamenlijke troost bood.
Ook later toen hij haar op haar verzoek de winkel rondleidde en vertelde wat Leo, Nicole en hij al gedaan hadden, en wat er allemaal nog moest gebeuren ontdekte hij dat hij zich in haar gezelschap meer kon ontspannen dan bij zijn familie. Het was nog te moeilijk voor hen om over Fred te praten, maar Angelique leek het juist fijn te vinden om Fred in hun gesprek te betrekken. Het was bijna net als vanouds wanneer zijn broer even een boodschap was gaan doen en zij samen praatten over Zwerkbal, Zweinstein of over de perikelen die ze soms met haar grapjassende vriend had.
Ze keek hem verontschuldigend aan toen ze twee keer achter elkaar moest niesen. ‘Het is het stof,’ legde ze uit, ‘daar kan ik slecht tegen.’
‘Ja, Nicole heeft daar ook al over geklaagd, maar elke keer als we de ruimte een beetje stofvrij hebben, moeten er weer dozen uitgepakt worden en beginnen we opnieuw.’ Hij keek hoe laat het was en vroeg: ‘Heb je tijd om je keel te spoelen in De Lekke Ketel? Misschien kunnen we gelijk even een broodje eten?'
Ze accepteerde zijn uitnodiging en even later liepen ze in de richting van het café. Het gesprek ging over de andere winkels op de Wegisweg en over degenen die waarschijnlijk niet meer terug zouden keren.
‘Is er al iets bekend over Fanielje?’ vroeg Angelique toen ze de ijssalon passeerden.
George schudde zijn hoofd. ‘Ik hoorde van pa dat hij nog op de lijst met vermiste personen staat. De kans dat men die tovenaars en heksen nog levend terug vindt, lijkt praktisch nihil.’
Ze liepen zwijgend verder, ieder in gedachte bij iemand die ze van die lijst kenden.
‘Hallo Tom,’ zei George bij binnenkomst tegen de gebogen man achter de bar. De barman knikte zo diep dat George vreesde dat hij niet meer overeind zou komen. ‘Kunnen we hier al een broodje eten?’
Tom gebaarde met een groezelige glazendoek naar een tafeltje in de hoek en slofte weg. Het tweetal keek elkaar even aan en grinnikte.
‘Dat zullen we maar als een bevestiging beschouwen,’ zei George. Het leek hier niet minder stoffig dan in de winkel, maar in ieder geval was het even een welkome afwisseling van omgeving. Angelique nieste alsof ze het met hem eens was. ‘Gezondheid.’
Ze grimaste, pakte haar staf en sprak: ‘Sanitato.’
‘Als je nu ook nog even zegt dat ‘diet toch keen plaats voor een dame ies’, dan is de gelijkenis met Fleur helemaal treffend,’ plaagde hij, waarop zij haar tong uitstak alsof ze weer derdejaars waren.
De barman schuifelde met een bord broodjes en twee glazen Pompoensap naar hun tafeltje, en Angelique keek snel een andere kant op.
‘Dankjewel, Tom’ zei George met een lach in zijn stem. Angelique keek hem aan en schudde haar hoofd.
‘Door jou gedraag ik me als een negenjarige in plaats van als een negentienjarige,’ klaagde ze.
‘Waar je mee omgaat, word je mee besmet,’ zei George. ‘Ik heb altijd het verwijt gekregen dat ik me ouder moest gedragen. Dat was vooral tante Marga’s lievelingsonderwerp.’ Tante Marga was altijd zowel een bron van irritatie, als van lachwekkende verhalen, dus binnen de kortste keer zaten ze beiden zo hard te lachen dat Tom zijn hoofd even om de hoek van de keuken stak.
‘… en ze bleef maar trompetteren,’ herinnerde Angelique. ‘Had ze zich nu maar gewoon gedeisd gehouden, dan zouden veel minder mensen haar slurf herinneren.’
George grijnsde. ‘Dat was echt een meesterlijke grap,’ erkende hij, met een vleugje weemoed in zijn stem. ‘Plus een hele goede marketingstunt. Er zijn al tientallen bestellingen binnengekomen voor die Elfensnufferds. Ze zijn enorm populair. Dat wordt een leuk jaar op Zweinstein.’
‘Die verkoopformulieren vorig jaar waren een goed idee,’ vond Angelique. ‘Daar heb je nu waarschijnlijk nog profijt van tijdens de heropbouw in de Wegisweg. Wanneer verwacht je dat de winkels hier weer opengaan? Zou iedereen op tijd zijn voor de leerlingen hun brieven krijgen?’
Ze negeerden beiden de mogelijkheid dat Zweinstein op 1 september nog niet klaar zou zijn om de honderden leerlingen die verwacht werden op te vangen.
‘Er is sprake van een gezamenlijke, feestelijke heropening van de Wegisweg,’ vertelde George. ‘Er moet echt wel met man en macht gewerkt worden, maar de voorlopige planning is om begin augustus klaar te zijn. 1 Augustus valt op een zaterdag, dus dat zou een mooie dag zijn voor de opening.’
Angelique knikte en keek hem bedachtzaam aan. ‘Kan Nicole misschien nog wat hulp gebruiken bij de schoonmaak, het verwerken van verkoopformulieren of de verzending van pakketten?’
Slimme zet, dacht hij ondanks alles bewonderend. Ze wist heel goed dat hij zou weigeren als ze hem haar hulp aanbood, maar Nicole, die sinds kort voor haar zieke moeder zorgde, kon inderdaad wel wat hulp gebruiken.
Omdat hij er niet van hield om schaakmat gezet te worden, antwoordde hij een beetje kortaf dat het prima was en dat ze dat verder maar met Nicole moest regelen. Ze knikte enkel en hield wijselijk haar mond terwijl ze het laatste beetje Pompoensap opdronk.


o~0~O~0~o


Het appartementencomplex zag er koud en kil uit. Het was alsof iemand een grijze, betonnen rechthoek in het landschap had laten vallen. Ze zag nergens iets waar je vrolijk van kon worden, hoe ze ook zocht; geen gekleurde gordijnen, geen kamerplanten op de vensterbanken of bloembakken aan de grijze, ijzeren spijlen van de kleine balkonnetjes. De paar bomen in het plantsoentje voor het complex leken uit armoede hun bladeren te hebben laten vallen, ondanks dat het half mei was.
Hermelien staarde er vol afschuw naar terwijl ze wel kon huilen bij de herinnering aan haar ouderlijk huis in Engeland. Zelfs haar vader keek een tweede keer op het briefje in zijn hand om te controleren dat dit het juiste adres was.
‘Appartement 6B,’ las hij op.
‘Nummers 1 - 10,’ wees Ron met iets meer enthousiasme dan Hermelien momenteel verdragen kon.
Traag liepen ze op de portiek af. De manier waarop Ron bijna over zijn eigen voeten struikelde om zich aan hun tempo aan te passen, zou vast grappig zijn voor een buitenstaander, maar ze kon nu nergens de humor van inzien.
Het uitstapje naar de Harbour Bridge was een goede afleiding geweest, en een heel bijzondere ervaring, maar ze had niet meer uitstapjes willen maken voor haar moeder terug was. Beide mannen hadden al snel ingezien dat ze haar toch niet konden overhalen, en waren een paar keer samen op stap geweest. Een keer had haar vader Ron mee uit vissen genomen, en hoewel ze achteraf goud zou geven om die herinnering in een Hersenpan te kunnen zien, was ze rusteloos in het huis achtergebleven. Wachtend op ... wat? Dat wist ze zelf nauwelijks. Wachtend tot alles is zoals vroeger, zou ze graag zeggen, maar het zou nooit meer hetzelfde zijn, zelfs niet als ook haar moeder haar geheugen terugkreeg, haar ouders zich zouden verzoenen en ze allemaal weer in Engeland zouden wonen. Ze wist het heel goed, en toch had ze haar hersens gepijnigd met die onmogelijke ‘wat als – theorieën’, terwijl ze gewacht had op wat gisteravond uiteindelijk gebeurde. Een gemeenschappelijke vriendin van haar ouders belde op om te zeggen dat haar moeder terug was van haar minitrip in de wildernis.
Appartement 6B was op de eerste verdieping. Ze namen de trap, langzaam, tot Ron zijn laatste restje geduld leek te verliezen. ‘Kom op, Hermelien, ben jij niet degene die altijd zegt dat het het minste pijn doet als je een pleister snel lostrekt?’ Hij torende 1.75 meter en vier traptreden boven haar uit, maar haar blik was dodelijker. Ze voelde de hand van haar vader op haar rug en liep zwijgend verder.
6B was het eerste appartement aan de linkerkant en voordat ze Ron kon vragen even te wachten, had hij al op de bel gedrukt. Ze wisselde een nerveuze blik met haar vader die een stap naar voren deed, zodat hij haar moeder als eerste kon aanspreken, in plaats van de twee jonge mensen die ze niet kende.
Op het eerste gezicht leek Monica Wanders weinig te verschillen van Jeanine Griffel. Haar haren waren iets langer, haar huid zongebruind, maar dat was alles. Zodra ze echter haar man zag, merkte Hermelien hoeveel groter de verandering bij haar moeder was vergeleken met haar vader. Wilbert Wanders had haar weliswaar niet herkend, maar had verder precies de man geleken die zij achttien jaar als vader had gekend. Monica Wanders leek echter een totaal andere persoonlijkheid te hebben gekregen.
‘Wat kom je hier doen?’ zei ze vrij vinnig tegen haar echtgenoot. ‘Ik dacht dat we elkaar enkel nog maar bij de advocaat zouden zien.’ Rimpels verschenen op haar gebruinde gezicht en maakte haar een stuk ouder dan de zevenenveertig jaar die ze was.
‘Dat was jouw wens,’ zei haar vader kalm, maar zijn stem droeg een rafelig randje verdriet. ‘Ik heb daar nooit mee ingestemd.’ Voor ze haar mond open kon doen, ging hij verder. ‘Ik kom alleen met twee mensen die je graag even willen spreken.’
Pas op dat moment leek ze in de gaten te hebben dat haar man niet alleen was. Ze klapte haar mond dicht en keek hen afwachtend aan. Haar houding was alles behalve gastvrij, en Hermelien voelde hoe ze begon te trillen. Ron deed een stap dichter naar haar toe alsof hij haar zwijgend wilde steunen.
‘Je had beter even van te voren kunnen bellen,’ zei de moeder, van wie ze vroeger altijd ongevraagd vrienden mee had kunnen nemen uit school. ‘Ik ben net thuis en moet mijn tassen nog uitpakken, dus jullie komen niet echt gelegen. Sorry.’ Dat laatste werd vergezeld door een korte knik in haar richting.
Hermelien wilde iets zeggen, maar de woorden weigerden haar lippen te verlaten, misschien omdat ze nog geen idee hadden in welke volgorde ze dat moesten doen.
‘Monica,’ zei haar vader met nadruk toen ze de deur wilde gaan sluiten. ‘Dit zijn Hermelien en Ron, je kende hen in Engeland en ze zijn gekomen om je iets te vertellen.’
Bij het noemen van haar thuisland vertrok haar gezicht een seconde; blijkbaar was dit niet het beste argument dat haar vader had kunnen kiezen. Haar uitdrukking verharde.
‘Ik ken geen Hermelien of Ron,’ zei ze, ‘Ik herken hen ook niet en heb momenteel geen behoefte aan visite, waar dan ook vandaan.’ Met die woorden sloot ze de deur.
De anderen stonden daar, sprakeloos. Haar vader keek machteloos, Ron verontwaardigd, maar Hermelien had het gevoel alsof ze langzaam doodbloedde na de messteek van haar eigen moeder. ‘Ik ken geen Hermelien.’
Het waren niet eens de woorden - rationeel wist ze dat het logische woorden waren - het was de toon, die definitieve klank waarmee ze leek te zeggen dat ze ook geen behoefte had een Hermelien te leren kennen.
Haar knieën knikten ze konden haar lichaam niet langer dragen, en de deur werd een wazige vlek.
‘Hermelien,’ klonk haar vader vanaf een grote afstand.
‘Laat mij even, meneer Griffel.’
Hun woorden drongen niet door de mantel van pijn heen. Armen ondersteunden haar, maar ze had geen idee van wie ze waren.
‘Enervatio,’ hoorde ze zachtjes zeggen, en het volgende moment werd haar omgeving weer helder. Het was haar vader wiens armen haar vasthielden, terwijl Ron boven haar uittorende met een ongeruste uitdrukking op zijn gezicht en zijn toverstok in zijn uitgestrekte rechterhand. Zijn toverstok. In een Dreuzel appartementencomplex!
‘Ron,’ zei ze geschokt. ‘Het Statuut van Geheimhouding.’
Hij schokschouderde en borg zijn toverstok weg. ‘Er is niemand in de buurt behalve wij drieën, en voor je vader is het geen geheim meer.’ Hij richtte zich tot de andere man en vroeg: ‘Wat doen we nu?’
Haar vader hielp haar weer rechtop voor hij antwoordde: ‘Ik vrees dat een volgend bezoek niet veel beter zal verlopen.’ Hij klonk een beetje verslagen en ze realiseerde zich opeens hoe pijnlijk dit ook voor hem moest zijn. Mocht hij hoop op verzoening hebben gehad, dan leek de kans nu een stuk kleiner te zijn geworden.
Ron bracht naar voren: ‘Dan moeten we haar onverwachts overvallen zodat Hermelien de spreuk kan opheffen. Uitleg moet duidelijk wachten totdat ze haar geheugen weer terug heeft.’
Hij leek er niet aan te twijfelen dat het zou gebeuren. Dit keer hoopte Hermelien niet alleen voor zichzelf, maar nog meer voor haar vader dat het haar zou lukken.
‘We kunnen haar niet zomaar op straat overvallen,’ sprak ze tegen. ‘Er is teveel kans dat omstanders iets merken, en als ze er plotseling vandoor gaat, weet ik niet wat het effect van de spreuk is.’ Er viel een stilte waarin ze alle drie nadachten.
‘Kan je ongemerkt de deur openen?’ vroeg haar vader tenslotte. Ron en Hermelien keken elkaar aan. ‘Geen probleem,’ zei Ron.
‘Dan openen jullie de deur. Ik ga als eerste naar binnen en jullie volgen me. Ze zal ongetwijfeld tegen mij tekeer gaan en afgeleid zijn en dan kan Hermelien hopelijk ongezien haar toverkunsten tonen. Mocht ze weg willen lopen dan kan Ron haar misschien met een spreukje op haar plaats houden?’ Hij keek hen vragend aan. Zijn voorstel was zowel naïef als logisch, en klonk stiekem wel grappig uit de mond van haar vader. Het was echter niet het moment om grapjes te maken en ze keek opnieuw naar Ron, om te kijken wat hij van het voorstel vond.
‘Ik denk dat dat plan de meeste kans van slagen heeft,’ gaf hij toe. Ze had zelf ook geen beter alternatief paraat, dus pakte ze net als Ron haar toverstok en wachtte tot haar vader ook zover was, voor ze ‘Alohomora’ fluisterde.





‘Jij kunt een dame al neerslachtig maken als je naar haar glimlacht en doorloopt, Charlie Wemel. Je bent een charmeur van de eerste orde.’
WW ho 46
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2878
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 21 juni 2015 om 08:40



Hoofdstuk 40 Vergeving, Verwijten en Vriendschap



Met de souplesse van een goed geolied Schouwersteam voerden ze het plan van haar vader uit. Hermelien opende de deur met een gefluisterd 'Alohomora' waarna ze gedrieën door de gang slopen in de richting van wat de huiskamer leek.
Zodra haar moeder hen in de deuropening zag verschijnen, sprong ze scheldend op van de bank.
'Hoe zijn jullie binnengekomen?' eiste ze uitleg. Haar ogen vernauwden toen ze zich focusten op haar echtgenoot. 'Dit is huisvredebreuk, Wilb–'
De blauwgroene lichtstraal trof haar voor ze haar zin kon beëindigen. De impact deed haar wankelen, maar Gerard Griffel was bij haar voor ze kon vallen.
Zodra Hermelien de beschutting van zijn rug kwijt was, deed ze een stap opzij. Ron schonk haar een korte zijdelingse blik voor hij zijn ogen weer waakzaam op het stel richtte dat inmiddels samen op de bank zat.
Hij gaat een goede Schouwer worden, dacht ze met trots.
'Hermelien?' klonk het aarzelend. De vinnige klank leek te zijn verdwijnen samen met de sluier die Jeanines geheugen maandenlang bedekt had.
Hermelien verstijfde een moment en zocht toen met een achterwaartse stap steun tegen Rons solide vorm. Langzaam hief ze haar hoofd en keek haar moeder aan. Verwarring, herkenning en pijn ontmoetten berouw, schuld en een flintertje hoop.
Een ogenblik dwaalde de blik van de oudere vrouw naar Ron om vervolgens naar de toverstokken te staren die ze beiden nog steeds stevig vasthielden. Een toenemende druk op haar borst liet Hermelien weten dat haar longen het in hoge mate zouden waarderen als ze eindelijk weer zuurstofrijke lucht zou inademen. Ze beantwoordde die smeekbede toen haar moeder zich zijwaarts draaide.
'Jij wist het?' Hoewel het eerder verdwaasd dan beschuldigend klonk, zag Hermelien haar vader in elkaar krimpen. Hij keek zijn vrouw echter manhaftig aan en schudde ontkennend zijn hoofd.
'Niet voordat ze tien dagen geleden de praktijk binnenstapten en mijn geheugen herstelden.'
'Mama?' Haar stem brak en ze had het gevoel alsof ze zelf ook elk moment kon instorten. Ron verstevigde zijn greep op haar schouder, maar haar focus was niet bij hem. Als vanzelf begonnen haar voeten te bewegen in de richting van de bank, versnellend tot ze struikelde en met haar knieën over het sleetse tapijt schuurde. Ze negeerde de pijn terwijl ze verder schuifelde naar de bank.
'Vergeef me, mama,' smeekte ze. Om de blik van haar moeder te ontwijken, liet ze haar hoofd in haar moeders schoot vallen zoals ze als kind gedaan had, die enkele keer dat ze haar moeder had boos gemaakt of teleurgesteld.
Net als in het verleden voelde ze hoe er een slanke hand op haar hoofd gelegd werd. Het gebaar opende de deur naar al die gevoelens die ze zo hard had geprobeerd weg te stoppen. Warm, vloeibaar berouw druppelde op de tweedstof onder haar wang, terwijl haar moeder in een geruststellend ritme haar haren streelde.
Vaag was ze zich ervan bewust dat Ron op een van de stoelen was gaan zitten en zachtjes met haar ouders praatte, maar Hermelien was nog niet toe aan de boze, beschuldigende woorden die mogelijk op haar uitleg zouden volgen.
In de vertrouwde houding uit haar jeugd leek alles goed te komen. Het gesprek boven haar hoofd werd naar de achtergrond verdrongen door de vertrouwde geur van haar moeder en de hand die vergeving leek aan te duiden. Bijna ongemerkt verliet de spanning haar lichaam. Haar ademhaling vertraagde.
Alles zou goed komen.


o~0~O~0~o


‘Margriet Bullemans? Anneke Oorlof?’ vroeg Draco verontwaardigd toen hij de kamer binnenkwam. ‘Waarom heeft vader niet gelijk gekeken of minister Wolkenveldt ergens een nichtje in de huwbare leeftijd heeft? Zijn ambities zijn er blijkbaar groot genoeg voor,’ voegde hij er verbitterd aan toe.
Zijn moeder had de Ochtendprofeet laten zakken en keek hem nu met een licht afkeurende blik aan.
‘Sorry,’ mompelde hij automatisch. ‘Goedemorgen, moeder.’
‘Goedemorgen,’ antwoordde ze minzaam. Zijn binnenkomst verder negerend, riep ze Juvie en vroeg het ontbijt te serveren.
De huis-elf brak enkel de botervloot en liet de gerookte ham vallen, maar verdere ongelukken bleven uit en dus begonnen ze omzichtig de toast te smeren en de thee in te schenken.
Pas toen ze een eerste voorzichtige slok had genomen - Draco wachtte tegenwoordig om te zien hoe Juvies brouwsel was uitgevallen - reageerde ze op zijn vragen.
‘Ik begrijp uit je woorden dat je mijn post hebt ingezien?’ vroeg ze op effen toon. ‘De post die door mijn advocaat aan mij persoonlijk geadresseerd was?’
Oh, de afkeuring betreft niet enkel mijn gebrek aan begroeting?
Hij zou zich waarschijnlijk moeten verontschuldigen, maar het noemen van de post was genoeg om zijn woede weer op te laten laaien.
‘Ik zou het niet 'ingezien' willen noemen, aangezien de brief open en bloot op een salontafel lag, en mijn naam zo’n beetje om de regel schreeuwde om gelezen te worden,’ reageerde hij, nog steeds gekwetst over de inhoud. ‘Wanneer had je me deel willen maken van de toekomstplannen die je van vader voor mij moet regelen? Als de huwelijkskandidaten op het bordes staan? Als het contract getekend moet worden? Bij Zalazar, moeder! Ik ben volwassen, dus hoelang wil vader nog aan de touwtjes blijven trekken? Vanuit Azkaban nota bene! Ik dacht dat we inmiddels alle drie wel door hadden dat hij niet altijd de juiste touwtjes gekozen heeft.’ Zijn toon was bitterder dan Juvie’s thee en hij beet op zijn lip. Het was niet de bedoeling dat laatste eruit te flappen. Zijn moeder had het moeilijk genoeg zonder dat hij nog af ging geven op zijn vader.
Ze keek hem aan, met verdriet en begrip in haar ogen, maar haar stem klonk verwijtend toen ze zei: ‘Aangezien ik niet van plan was om iets te regelen, leek het me voorlopig niet nodig om je deelgenoot te maken. Misschien had je die mogelijkheid kunnen overwegen voor je me aanviel.’
Hij wilde protesteren, maar ze was nog niet uitgesproken, ook al was ze blijkbaar wel klaar met het onderwerp.
‘Andromeda heeft je uitgenodigd om aanstaande dinsdag kennis te komen maken met je achterneefje. Ik heb gezegd dat je er zult zijn.’
Wat? Met grote ogen keek hij haar aan. Ze is beledigd als ik onterecht denk dat ze toekomstplannen voor me maakt, maar ondertussen regelt ze wel even mijn sociale contacten? Ongelooflijk!
Ze trok een fijn geëpileerde wenkbrauw op en keek hem afwachtend aan. Hij zuchtte. Je moet weten wanneer je een strijd moest voeren en vooral wanneer niet. Ironisch genoeg was dat een uitspraak van zijn vader.
‘Prima, dinsdag. Maar ik ga die kleine welp niet vasthouden!’
Zijn moeder lachte fijntjes, vanwege haar kleine overwinning of vanwege zijn laatste opmerking, maar hij negeerde het. Hij riep Juvie voor een nieuw kopje thee en trok een stuk van de krant naar zich toe.
In plaats van het artikel over het onderzoek naar het Kragge-incident tijdens de Hoorzitting, zag hij echter de Heer van het Duister voor zich, die met schelle stem vroeg: ‘En jij, Draco? Verheug jij je erop om op het wolvengebroed te passen?’


o~0~O~0~o


Ik haat het tegenwoordig om als laatste te arriveren, dacht hij toen hij met Simon de zitkamer binnenstapte. Zijn rechterhand tintelde alsof hij in de doorzichtige, bubbelende toverdrank van Heler Kwieksel gedompeld werd. Ginny en Loena waren er opnieuw en verrassend genoeg zag hij Parvati zitten.
‘Hoi Daan, hé Simon,’ werd er in allerlei toonaarden geroepen. ‘Ga zitten, joh!’ Ginny en Loena waren er opnieuw en verrassend genoeg zag hij Parvati zitten.
Harry was nog beter voorbereid op de visite dan vorige week, zag Daan. Of misschien hadden de meisjes hem geholpen. De bank waar Marcel, Parvati en Ginny op zaten, had er de zaterdag tevoren niet gestaan, en tegen de muur stond een eettafel zonder stoelen. De tafel stond vol met flesjes Boterbier, kannen sap en allerlei schalen met hapjes.
‘Je hebt flink uitgepakt, Harry,’ zei Simon naast hem, toen ze de lekkernijen bekeken.
Harry wuifde de opmerking weg. ‘Daar heeft Knijster voor gezorgd,’ zei hij een beetje ongemakkelijk.
‘Bang voor ruzie met Hermelien als ze terugkomt, Harry?’ grinnikte Daan. Simon schonk een glas Pompoensap voor hen in voordat ze in de kring gingen zitten. Daan glimlachte naar Parvati en hief zijn glas in een proostend gebaar naar Marcel.
‘Zo, Man met de Hoed,’ groette hij op plagende toon. Marcel zuchtte en schudde zijn hoofd. ‘Niet opnieuw, hé?’ klaagde hij.
‘Tja, je bent een echte Griffoendor of niet,’ zei Simon spottend.
‘Ik ben blij dat ik niet meer de enige ben met een afschuwelijke bijnaam,’ bracht Harry in.
‘Een goede naam is beter dan Eenhoornhaar,’ klonk het dromerig. Er viel even een stilte waarin iedereen onbegrijpend naar Loena keken.
‘Oh,’ zei Harry opeens, ‘Dat vergeet ik bijna.’ Hij haalde een kaart uit zijn zak, streek hem tevergeefs plat en gaf hem aan Daan. 'Van Ron en Hermelien.'
Op de ansichtkaart stond een enorme grote brug, met bogen die tot boven de wolkenkrabbers op de achtergrond reikten. Het water op de voorgrond en de lucht erachter waren zo blauw dat het bijna pijn aan je ogen deed. “Groeten uit Sydney” was er in sierlijke letters opgedrukt. Hij draaide hem om en las wat Hermelien er in de priegelige letters op geschreven had. Ze zijn bovenop die bogen geweest? Wauw, dat zou ik niet gedaan hebben.
Hij gaf de kaart aan Simon door en maakte een opmerking tegen Harry over wie de grootste waaghals in Australië was. Harry knikte een beetje weemoedig. Hij moest zijn vrienden wel missen, na zolang alles met zijn drieën te hebben gedaan.
Ginny gaf de kaart ondertussen door aan Parvati, terwijl ze opmerkte dat hij bijna identiek was aan degene die bij Het Nest gearriveerd was. Loena haalde wat flesjes Boterbier en schonk voor zichzelf nog wat sap in. Nadat Marcel de kaart weer aan Harry had gegeven, hief hij zijn flesje en zei: ‘Op vriendschap, ver weg en dichtbij.’
‘Op vriendschap,’ klonk het van alle kanten.
‘Weten jullie al wanneer ze terugkomen uit Australië?’ vroeg Parvati. Ginny en Harry schudden hun hoofd.
‘Binnen een paar weken, hoop ik,’ zei Ginny. ‘Ze missen van alles.’ Haar gezicht begon te stralen toen ze vertelde dat ze tante ging worden en dat Charlie niet terug naar Roemenië zou gaan. Daan herinnerde zich weemoedig vroegere momenten, toen ze zo stralend naar hem gekeken had.
Opnieuw werd er getoost. Harry had de haard aangestoken. Niet voor de warmte, maar voor de gezelligheid en Daan kon zich bijna voorstellen dat ze weer op Zweinstein waren. Hij leunde achterover en luisterde naar de gesprekken om hem heen.
‘Wat gaat je broer hier doen?’ vroeg Simon nieuwsgierig aan Ginny.
Ze legde uit dat hij in de Topfopshop wilde helpen en ook hier in Grimboudplein 12, maar vooral aan de slag wilde op Zweinstein. Parvati en Marcel vertelden hoe het ging met de opbouw, en vooral hoeveel werk er nog te doen was voor het kasteel weer in gebruik zou kunnen worden genomen. Harry zei dat hij ook wilde komen helpen, en Ginny en Loena bleken dezelfde plannen te hebben.
‘Aan mij hebben ze weinig,’ zei Daan verbitterd en hij betreurde zijn opmerking gelijk toen iedereen hem meelevende blikken toewierp en Marcel vroeg of de therapie al wat effect had.
‘Weten ze al wie het gedaan heeft?’ vroeg Parvati aarzelend.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Ze weten niet eens welke spreuk verantwoordelijk is, dus dat maakt dat volledig herstel uitgesloten is.’
‘Dat weet je niet. Ze kunnen de dader vinden, of misschien ontdekt iemand een tegenspreuk bij toeval,’ bracht Simon er met kracht tegenin. ‘Je mag de hoop niet opgeven.’
Hij gaf zijn beste vriend een glimlach. Hij wist niet wat hij zonder hem zou moeten momenteel. ‘Simon heeft weinig tijd voor Zweinstein,’ zei hij met een vleugje ironie. ‘Hij is al vrijwilliger bij mij en is mijn steun en toeverlaat. Hij brengt me ook naar de therapie.’ Simon was zichtbaar blij met die woorden.
‘Hij is dus jouw held,’ zei Loena dromerig. ‘Hij heeft ook een bijnaam nodig.’ Daan barstte samen met de rest in lachen uit, en de meest absurde bijnamen werden bedacht.
Toen ze uitgelachen waren, vroeg Ginny naar Belinda en daarna werd Marcel ondervraagd. Hij kleurde diep toen Daan een opmerking maakte over leuk ziekenhuispersoneel, en biechtte tenslotte aan zijn beste vrienden op dat er wel iemand was die hij erg leuk vond.
‘Maar het is hopeloos,’ zei hij somber. ‘Ze is ouder en vlotter en heeft een heleboel vrienden, dus wat zou ze met mij moeten?’
Ginny en Parvati verzekerden hem met nadruk dat dat onzin was, en Simon gooide de nieuwe status die Marcel volgens de Ochtendprofeet had in het midden, maar dat leek Marcel juist minder te overtuigen.
‘Elke keer als ik haar zie, wordt het erger dus nu probeer ik langs te gaan als ik weet dat ze er niet is, of ik ga gelijk met mijn grootmoeder.’
De anderen kreunden; als er iemand een ontluikende vriendschap of romance in de weg kon staan, was het mevrouw Lubbermans wel. Daan had datzelfde gevoel over de oudere heks, maar was het niet eens met Marcels idee over de uitzichtloosheid van zijn gevoelens. Hij besloot op een later tijdstip nog eens met hem te praten en hem ervan proberen te overtuigen om haar een keer een kopje thee aan te bieden, in de kantine van St. Holisto’s desnoods.
Er werd meer Boterbier gedronken, en er werden meer hapjes gebracht door de oude huis-elf, tot laat in de avond, toen de kaarsen sputterend doofden.
Zelfs Simon stelde niet meer voor dat er de volgende keer geen meisjes zouden komen.


o~0~O~0~o


Hoewel veel vrijwilligers ervoor kozen om de zondag met hun gezin door te brengen, leek het Harry juist een geschikte dag om op Zweinstein te beginnen. Samen met Loena werd hij ingedeeld bij de ploeg die aan de Klaslokalen werkte. Ginny mocht met Parvati in de leerlingenkamer van Huffelpuf aan de slag. Het was even ongemakkelijk voor Harry toen Loena en hij zich meldden. Heksen en tovenaars werden in tweetallen ingedeeld. Sommige vrijwilligers leken niet te kunnen wachten tot ze met de beroemde Harry Potter konden werken, anderen begonnen zenuwachtig naar achteren te schuifelen bij datzelfde vooruitzicht. De coördinerend tovenaar was gelukkig niet gespeend van een gezonde dosis mensenkennis en gaf Loena en Harry samen de opdracht om aan de slag te gaan in het klaslokaal voor Bezweringen op de derde verdieping.
Scherven van de geïmplodeerde ramen lagen vermengd met de kristallen van de neergestorte kroonluchter op de grond. Harry en Loena stonden in de deuropening van het lokaal van professor Banning en namen de schade op.
‘Hallo, juffrouw Leeflang,’ klonk het piepend achter hen. ‘En meneer Potter.’ Harry verdraaide bijna zijn nek om te ontdekken dat professor Banning achter hen stond.
‘Hallo, professor Banning,’ klonk de heldere stem van Loena. ‘Komt u kijken waar de Boeman gebleven is?’ Ze knikte naar de hoge kast waarvan de deuren scheef in de scharnieren hingen.
Een Boeman? Verschrikt keek Harry naar de kleine professor. Een Boeman die ronddwaalde in Zweinstein zou een ramp zijn. Hij wilde niet weten hoe vaak Marten Vilijn dan zou opduiken.
Tot zijn opluchting schudde professor Banning glimlachend zijn hoofd. ‘De verhalen dat er een Boeman in die kast rondwaarde waren niet meer dan geruchten, juffrouw Leeflang.’ Hij keek een beetje verdrietig om zich heen. Zijn blik bleef even hangen op de restanten van zijn bureau voor hij zich tot het tweetal richtte. ‘Het lokaal is al gecontroleerd op Zwarte magie, dus jullie kunnen beginnen met opruimen, schoonmaken en repareren. Voor de scheuren en gaten in de muren komt later een ander team. Als je ook maar iets merkt van een effect dat er niet hoort te zijn, verlaat je onmiddellijk het lokaal en zoek je de coördinator.’
Harry knikte. Die instructies had de tovenaar ook al gegeven voor hij hen op pad stuurde.
De Bezweringenprofessor vertrok naar een volgend lokaal en Loena en hij gingen aan de slag. Harry begon het puin van de vloer op te ruimen, terwijl Loena probeerde om te kroonluchter te repareren. Met dezelfde spreuk als waarmee de hal van Grimboudplein 12 was opgeruimd, begon hij nu alles naar één hoek te ‘blazen’. Snippers perkament dwarrelden omhoog, evenals de donzen veertjes uit de kapotte kussens. Toen hij nieste, keek Loena zijn kant op.
‘Wat feestelijk,’ zei ze vrolijk. ‘Het lijkt wel confetti.’
Hoofdschuddend ging hij verder. Na een uurtje doorwerken was de ergste rommel opgeruimd en was het Loena gelukt om de kristallen allemaal weer heelhuids aan de kroonluchter terug te toveren. Het stof en de warmte maakten hen dorstig, dus sloten ze zich aan bij een groepje dat naar buiten ging. Parvati en Ginny zaten wat te drinken met een groepje dat voor een deel bestond uit Huffelpufs en voor een deel uit volwassenen die Harry niet kende.
‘Ik loop even naar Marcel,’ zei hij tegen Loena. ‘Ik zie je zo weer.’ Hij had deze dagen weinig zin om zich aan te sluiten bij vreemden. Snel liep hij langs de andere tafels en banken. Hij zag Charlie die met Hagrid zat te praten, en knipoogde toen hij langs liep.
Merlijn, die roodharige pestkop gaat me het niet laten vergeten, vrees ik.
Na een kort gesprek met Marcel en een blik in de verwoeste kassen, meldde hij zich met Loena weer bij de coördinerend tovenaar. Ze vertelden hem wat ze gedaan hadden, wat er nog moest gebeuren en hij noteerde alles op het schoolbord in het lokaal van waaruit hij zijn verschillende teams leidde. Sommige vrijwilligers werden voor een nieuwe taak aan een ander gekoppeld, afhankelijk van de taak en hun magische capaciteiten, maar Loena en hij bleven de hele middag samenwerken.
Hoewel hij altijd gewend was geweest om samen te werken met Ron of Hermelien, merkte Harry dat hij en Loena vrij snel goed op elkaar ingesteld raakten. Als vanzelfsprekend verdeelden ze de werkzaamheden, vaak zonder overleg. Ze liepen elkaar niet in de weg, maar toen er vanuit het niets een balk naar beneden kwam suizen die bovenop hem dreigde te vallen, was Loena er om de snelheid van de balk te vertragen zodat hij op tijd opzij kon rollen.
Aan het eind van de middag kregen ze dan ook een compliment voor hun teamwerk, en stelde de tovenaar voor om hen ook de volgende keer weer samen in te delen.
‘Gezellig,’ zei Loena.
Harry keek haar na toen ze weg huppelde zodat haar blonde haar op haar rug heen en weer danste, en glimlachte. Gezellig was misschien niet het woord dat hij gebruikt zou hebben, maar het klopte wel.




IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2878
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 20 juli 2015 om 15:08



Hoofdstuk 41 Kennismaking met een KMM-genoot



Met tegenzin stak hij zijn hand door het glas. Hij was zo gespannen dat hij bang was de pilaar waarop de vierkante kubus stond, om te stoten.
Heler Kwieksel keek hem bemoedigend aan voor ze haar aandacht op zijn hand vestigde. Daan vertelde zichzelf dat drie weken te weinig waren om echt een verbetering te tonen, mocht die er al komen. Die laatste sombere gedachte stemde niet overeen met wat Heler Rompsen hem afgelopen vrijdag na een nieuwe Neurologische Bezwering verzekerd had, namelijk dat er wel degelijk een minieme vooruitgang waarneembaar was. Daan was echter blijven steken bij het woord miniem en koesterde weinig hoop op meer paars.
Net als de eerste keer verschenen er lichte lila vlekjes aan de buitenkant van zijn hand. Ze werden langzaam een tint donkerder van kleur voordat hij ook op de knokkel van zijn ringvinger en de topjes van twee vingers die lila vlekjes zag komen. Een verrast kreetje ontsnapte hem en hij keek de Heler aan. Ze glimlachte en zei: ‘We beloven geen wonderen, meneer Tomas, maar met babystapjes kunnen we een eind komen.’
In gedachten liep hij even later naar de kantine waar hij op Simon zou wachten. Met een kop koffie in zijn linkerhand keek hij rond waar hij zou gaan zitten. Aan een tafeltje in de hoek naast een grote, palmachtige plant zag hij de tiener van de bewegende trap. Ze staarde wat verloren voor zich uit, met haar handen om een beker gevouwen. Impulsief liep hij in haar richting en zei: ‘Hé, is het goed als ik bij je aanschuif, medeslachtoffer van KMM?’ Hij wachtte tot ze opkeek.
‘Oh, ik ken jou, van de therapieruimte, nietwaar?’ zei ze. Ze klonk ouder dan hij haar had geschat, maar dat kwam misschien door het vleugje accent. Frans, meende hij.
‘Wat is KMM?’ vroeg ze nieuwsgierig, terwijl ze haar benen introk om aan te geven dat hij kon gaan zitten.
Steels keek hij over zijn schouder, met een frons op zijn gezicht alsof hij bang was dat iemand hen zou afluisteren. Hij ging zitten, boog zich iets naar voren en fluisterde geheimzinnig: ‘Kwieksels Magische Martelwerktuigen.’ Tevreden zag hij hoe ze in lachen uitbarstte.
‘Komisch,’ zei ze. ‘Zijn die oefeningen van jou ook zo vreselijk? Wat moet je precies met die bal doen?’
Ontspannen leunde Daan naar achteren en nam eerst een slok van zijn koffie voor hij de werking van de stressbal uitlegde.
‘Wat is er dan met je hand gebeurd? Een ongeluk of een vervloeking?’ Haar nuchtere toon maakte het makkelijker om zijn verhaal te doen.
'Ik ben tijdens de Slag om Zweinstein door een spreuk geraakt die de zenuwen in mijn rechterarm en – hand beschadigd hebben. Ze weten niet welke spreuk het geweest moet zijn, dus geen gemakkelijke oplossing, maar die martelwerktuigen. Als ze de dader te pakken zouden krijgen, was er nog hoop dat er een tegenspreuk bestaat, maar ik weet niet eens wie het gedaan heeft. Voor hetzelfde geld is die rotzak gesneuveld tijdens de Slag.' 
Het feit dat ze enkel zei: ‘Dat is balen, man,’ was een welkome afwisseling van de medelijdende blikken die hij normaal gesproken kreeg.
‘Ik ben trouwens Daan Tomas,’ stelde hij zich voor.
‘Oh, ik ben Ma-,’ ze haperde even, ‘Mattie Arkes.’
Hij keek haar doordringend aan. ‘Ben je incognito?’ Zijn toon was plagend, maar zijn ogen keken serieus. Ze kleurde licht.
‘Verdorie,’ mopperde ze. ‘De eerste keer en ik val gelijk door de mand.’
Afwachtend keek hij haar aan en ze zuchtte. ‘Eigenlijk heet ik Mathilde, maar ik haat die naam. Vier jaar ben ik dagelijks juffrouw Mathilde genoemd op school en nu mag ik naar een andere school. Ik had net bedacht dat ik dan gelijk mijn naam kon veranderen.’
Daan keek haar aan en kon een glimlach niet onderdrukken. Ze zag er inderdaad niet echt uit als een Mathilde. Ze had lang blond haar dat nonchalant met een elastiekje in een paardenstaart was vastgezet. Op de stoel naast haar lag een groen petje met een klep waarop een goudkleurige klauw met twee gekruiste bezems zichtbaar waren; het logo van de Holyhead Harpies. Haar zwarte T-shirt had lange mouwen en een afbeelding van de Witte Wieven, en het constante bewegen van haar kaken verraadde dat ze ook fan was van Slobbers Beste Bubbelgum.
‘Oké,’ zei hij. Ze keek verrast alsof ze al vaak discussies over haar naam had gehad en niet gewend was dat iemand haar serieus nam.
‘En, Mattie, na vier jaar van school veranderen … dan vermoed ik dat je vijftien bent, of de komende weken wordt? Aangezien ze op Zweinstein juffrouw Arkes in plaats van juffrouw Mathilde zouden hebben gezegd, denk ik ook dat je naar een buitenlandse school bent geweest. Beauxbatons?’ vroeg hij belangstellend.
‘Wauw,’ riep ze. ‘Ben jij een Schouwer of een Spreukenschieter of zo?’
‘Welnee, ik zit nog op school, hoor,’ reageerde hij lachend, hoewel hij zelf niet wist of dat eigenlijk wel klopte.
‘Oh, ik dacht dat je ouder was. Ik mocht niet naar Zweinstein van mijn moeder toen ik elf werd. Hoewel iedereen haar toen voor gek verklaarde, geloofde ze destijds Perkamentus en Harry Potter al dat Jeweetwel weer terug was. Dus moest ik naar Frankrijk.’ Ze rolde overdreven dramatisch met haar ogen. ‘Echt, zo tuttig als ze daar zijn. Maar nu Jeweetwel verslagen is en de oorlog over, is er geen reden meer dat ik niet naar Zweinstein zou kunnen, dus heb ik mijn ouders al weken bewerkt om naar Schotland te mogen gaan,’ ratelde ze door. ‘Nou ja, vooral mijn moeder dan, want vader vindt alles wel goed.’
Daan schudde geamuseerd zijn hoofd bij die waterval aan informatie. ‘Is je moeder inmiddels overstag, aangezien je al aan je nieuwe naam probeert te wennen?’
Voor het eerst versomberde ze een moment. ‘Vanmorgen zei ze dat ik mocht gaan als Zweinstein in september open gaat, maar dat ik daar niet te veel op moet rekenen.’ Ze zuchtte gelaten. ‘Dat zal je net zien natuurlijk, de oorlog voorbij, mijn moeder overstag en dan zou Zweinstein nog niet klaar zijn. Wat denk jij? Volgens mijn vader zijn er vreselijk veel Galjoenen nodig om de school op te knappen.’
Hoewel hij zelf ook zijn twijfels had door de verhalen van zijn vrienden, kon hij het niet over zijn hart verkrijgen om haar hoop de grond in te boren. ‘Ik heb gehoord van vrienden dat er heel hard gewerkt wordt en er komen elke dag meer vrijwilligers helpen. De Ochtendprofeet doet ook steeds oproepen voor hulp en binnenkort komen er acties om geld in te zamelen.’
‘Ja, een loterij en een bal en een veiling, hé?’ reageerde ze en trok even haar neus op. 'Dat klinkt niet echt spannend, maar als ze veel geld inzamelen, is het natuurlijk wel oké.’
‘Zeg, juffrouw Mathilde,’ zei hij plagend waarop ze hem even boos aankeek. ‘Ik kan je verzekeren dat het echt wel ‘oké’ wordt!’ Toen ze hem sceptisch bleef aankijken, zei hij: ‘Toevallig worden er schilderijen van mij geveild.’
Hij voelde zich net zo verrast door zijn woorden als zij. Hij had nog helemaal geen beslissing genomen over die veiling, wist nog steeds niet wat hij moest doen, en nu flapte hij dit er uit?
‘Wauw, je schildert? Hoe cool is dat!’ Toen bedacht ze opeens: ‘Kun je nu nog wel schilderen dan?’
Hij schudde zijn hoofd en zei enkel: ‘Ik heb nog veel schilderijen liggen die ik eerder gemaakt hebt.’
Ze keek hem peinzend aan. ‘Als jouw schilderijen meedoen, ga ik naar die veiling. Afgesproken?’
Het is alsof ze mijn twijfel aanvoelt, dacht hij verwonderd. Voor hij kon reageren, arriveerde Simon. Daan stak zijn hand op om te laten weten dat hij er aankwam en zei tegen Mattie: ‘Ik moet gaan, maar het was gezellig om even met een KMM-genoot te praten, Mattie Arkes.’
Ze lachte en zei: ‘Tot bij KMM.’
Toen hij halverwege de kantine was, draaide hij zich nog even om en riep: ‘Oh, en Mattie ...?’ Ze keek vragend op. ‘Dat is afgesproken!’


o~0~O~0~o


Ze zette net een stap over de drempel toen er een luide knal klonk alsof er iets explodeerde. Dat was niet ongebruikelijk in de winkel van haar broers, maar de scheldkanonnade had geen vertrouwde klank. Langs het gordijn dat de winkel van de ruimtes erachter scheidde, kringelden flarden rook, dus greep Ginny vastberaden haar toverstok en marcheerde naar de plaats des onheils. Ze was bijna bij het gordijn en stak haar linkerhand al uit om het open te trekken toen er een tweede explosie klonk. Vanuit de andere ruimte vloog iemand met volle kracht tegen het gordijn aan. Met een scheurend geluid kwam het naar beneden, boven op Ginny, die tevens de val van de onbekende tovenaar of heks brak.
Alle lucht werd uit haar longen gedrukt en met wanhopige gebaren probeerde ze  duidelijk te maken dat ze geplet werd.
‘Merlijns baard! Het spijt me. Ben je in orde?’ Ze herkende nu de stem van Leo, die zijn gewicht verplaatste zodat ze dankbaar haar longen vulde met zuurstof. Terwijl ze de zware gordijnstof van haar gezicht wegtrok, bracht ze moeizaam uit: ‘Is het je gewoonte om op nietsvermoedende heksen te vallen?’
Op zijn gezicht streden opluchting en humor met elkaar. ‘Ginny, lieve help, is alles in orde?’ herhaalde hij, om er met een ondeugende glimlach aan toe te voegen: ‘Enkel op roodharige.’
Hij stond op, stak zijn hand uit en hielp haar overeind.
‘Wat een geluk dat het dan niet mijn moeder is die even langskomt,' merkte ze op, om de aandacht van haar gevoelige ribben af te leiden.
Leo verbleekte niet echt, maar zijn ogen vlogen wijd open bij het idee. Een pijnlijke steek wiste de vermaakte uitdrukking van haar gezicht.
‘Ben je gewond?’ vroeg Leo, die het niet ontgaan was.
‘Welnee, een beetje beurs, dat is alles,’ deed Ginny zich stoerder voor dan ze zich voelde. 'Waar is George trouwens? Ik dacht dat hij wel op het kabaal af zou komen. Wat was je eigenlijk aan het doen?’
Zelfs in haar eigen oren klonk het een beetje te enthousiast. Leo liep plotseling terug de winkel in, naar een van de kasten. ‘George is even wat inkopen doen. We waren met een experiment bezig.’
Voor ze zelf een stap had gezet, kwam hij weer teruglopen met een pot in zijn hand.
‘En je vond het verstandig om in je eentje verder te experimenteren?’ vroeg ze ongelovig, omdat ze wist dat Leo meer de bedenker van grappen was dan de uitvinder.
Hij mompelde iets onverstaanbaars, tenzij ze de woorden ‘eigenwijze heks’ goed verstond, en vervolgde: ‘Smeer deze zalf eerst even op je blauwe plekken en je ribben, dan ben je er in een uur van af.’
Hij overhandigde haar het bekende potje met de tekst ‘Builenverwijderaar’ en pakte zijn toverstok zodat het gordijn binnen een mum van tijd weer als afscheiding diende. Ginny verdween erachter, opgelucht dat haar broers af en toe ook iets nuttigs uitvonden. Moeizaam trok ze haar T-shirt over haar hoofd en beet op haar lip om geen ‘au’ te roepen. Voorzichtig begon ze de dikke, gele pasta aan te brengen. Ze was net begonnen met de laatste blauwe plek, die onhandig genoeg aan de binnenkant van haar rechterbovenarm zat, toen het belletje bij de voordeur klonk. Zware voetstappen kwamen haar kant op en ze wilde net een waarschuwende gil geven, toen Leo haar voor was. Hij gilde weliswaar niet, maar riep in plaats daarvan: ‘Wacht, George! Ginny is daar.’
Dat had niet echt het beoogde effect en Ginny zag dan ook de hand van haar broer het gordijn pakken terwijl ze gilde: ‘Wacht even, ik moet me nog aankleden.’
De hand verstijfde en liet toen het gordijn los. Terwijl Ginny zo snel mogelijk haar shirt weer probeerde aan te doen, hoorde ze George verontwaardigd vragen: ‘Aankleden? Waarom is mijn zusje zich aan het aankleden?’

‘s Middags in de leerlingenkamer van Huffelpuf moest ze af en toe nog even bij zichzelf grinniken om die maffe situatie. Parvati keek haar vragend aan, maar ze schudde alleen even haar hoofd.
Typisch, die beschermdrift van oudere broers. Ondanks dat ze het allemaal anders uitten, reageerden ze stuk voor stuk op dezelfde manier als het om haar ging. Alsof ze haar mannetje niet stond. Alsof er snel misbruik van haar gemaakt zou kunnen worden. Kortom; alsof ze een puur, onschuldig meisje was, terwijl ze toch konden begrijpen dat ze wel meer had gedaan dan enkel kusjes uitwisselen met haar vriendjes. Terwijl ze de een na de andere reparatiespreuk afvuurde op de overwegend gele wandtapijten, kon ze het niet helpen dat haar gedachten afdwaalden naar de meer-dan-kusjes-momenten die ze met Harry gedeeld had. Soms miste ze de spanning van het begin. De nerveus fladderende vlinders in haar buik als hij haar aanraakte, hoe onschuldig ook, gewoon omdat het toen allemaal zo nieuw was, en hij zo lang de tovenaar van haar dromen was geweest.
Ze wist dat dat niet meer terug zou komen, zo werkte dat niet in relaties. Die heftige verliefdheid ging op den duur over in de vertrouwdheid van houden van, met - als je geluk had - af en toe nog hartstochtelijke momenten.
Alleen is dat niet wat er bij ons aan het veranderen is, mijmerde ze. Oh, de vertrouwdheid misschien wel, maar de zekerheid dat hij die ‘ene’ was, wankelde soms op de meest onverwachte momenten.
Ze had het eerst Harry verweten, maar nu vroeg ze zich af of het niet meer kwam omdat ze zelf veranderde, ouder werd, volwassen. Een tovenaar die haar op handen droeg en haar tegen alles en iedereen zou beschermen, was leuk in dagdromen, maar de realiteit had wel getoond dat niemand je voor alles kon beschermen. Zelfs de grootste held heeft tenslotte niet kunnen voorkomen dat ik pijn moest lijden. Ze zou die gedachte nooit hardop uitspreken, en ze wist dat het niet eerlijk was om het zelfs maar te denken.
Juist door de houding van haar broers was het voor haar belangrijk dat ze niet per se een beschermer had, maar iemand die haar respecteerde en vertrouwen had dat ze zichzelf wel kon redden als het nodig was.
Daarom werd ze de laatste tijd soms geplaagd door twijfel. Harry was Harry, en het zou niet eerlijk zijn om hem te willen veranderen.
De vraag was of ze voldoende van hem hield om genoegen te nemen met minder dan ze dacht waard te zijn.



‘Jij kunt een dame al neerslachtig maken als je naar haar glimlacht en doorloopt, Charlie Wemel. Je bent een charmeur van de eerste orde.’
WW ho 46
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2878
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 11 februari 2016 om 08:57



Hoofdstuk 42 Buiteling in een Konijnenhol



‘Hé, Lubbermans, ga je nog even mee naar Zweinsveld? We gaan met een paar man nog een afzakkertje nemen bij De Drie Bezemstelen.’
Marcel keek op van de bakken waarin talloze jonge Krijskruidzaailingen heen en weer kronkelden. De uitnodiging kwam van Ewout Doedijns die in Kas 1 aan het werk was.
Hij dacht even na. Grootmoeder begrijpt het wel als ik wat later terugkom. ‘Ja, dat is goed,’ antwoordde hij.
‘Oké, we verzamelen zo bij de ingang,’ zei Doedijns, en liep terug naar de andere kas. Marcel keek de gebogen gestalte van de lange, magere man na. De man had een maand geleden zijn vrouw en dochtertje verloren toen ze tijdens een boodschap op de Wegisweg waren aangevallen door Dooddoeners. Nu werkte hij hele dagen op Zweinstein, erop gebeten om te zorgen dat zijn zoon evenals alle andere leerlingen op 1 september weer in de Zweinsteinexpress kon stappen. Walter, een Ravenklauw die aan zijn vijfde jaar moest beginnen, werd momenteel opgevangen door Ewouts zuster en haar gezin.
Soms voelde Marcel zich schuldig als hij zich realiseerde dat in tegenstelling tot zoveel anderen zijn leven zich ten goede gekeerd had. Hij had geen naasten verloren. Het gemis aan ouders in zijn leven zou altijd pijnlijk blijven, maar dat was niet iets van de laatste tijd. Hij en grootmoeder waren nog gezond, en hij had meer vrienden dan hij ooit had kunnen dromen toen hij als elfjarig jongetje op Zweinstein begon. En dan was daar het assistentschap waar hij enorm naar uitkeek.
Maar geen liefdesleven, plaagde een stemmetje en en tegelijkertijd verscheen er een plaatje van Abby op zijn netvlies. Hij zuchtte en begon zijn spullen bij elkaar te zoeken. Een paar spreuken later voelde hij zich zo schoon als maar mogelijk was zonder de douche waaraan hij de voorkeur zou hebben gegeven. Hopelijk hing de geur van Drakenmest enkel in zijn neus, en niet meer in zijn kleding.

Het waren voornamelijk tovenaars die een half uurtje later De Drie Bezemstelen binnenstapten. Dat was voor madame Rosmerta geen bezwaar. Ze lachte en flirtte, zorgde dat niemand lang zonder een drankje zat en trok meerdere ogen naar zich toe wanneer ze zich bukte om iets achter de bar te pakken.
De vrijwilligers zaten in groepen aan de ronde tafels. Marcel was aangeschoven naast Charlie Wemel. De man aan zijn rechterkant stelde zich voor als Hendrik Vendelier. Daarnaast zat een kleine tovenaar met een wezelachtig gezicht die Roel genoemd werd. Verder herkende Marcel Severijn Zonderland, een lid van de befaamde Orde van de Feniks, Terry Bootsman en Michel Kriek. De sfeer was luidruchtig; plaagstootjes en dubbelzinnige opmerkingen vlogen door de ruimte.
Het gevolg van een overdosis testosteron, dacht Marcel en nam ontspannen nog een slok van zijn drankje.
‘Nog spannende avonturen beleefd de laatste tijd, meneer de Slangenslachter?’ sprak Charlie hem met een knipoog aan. Hoewel Marcel die bijnamen nog steeds irritant en belachelijk vond, ontbrak het hem niet aan zelfspot.
‘Niet noemenswaardig voor een befaamde Drakentemmer,’ kaatste hij terug.
‘Touché,’ reageerde de roodharige man met een grijns, ‘alleen ben ik inmiddels Drakentemmer in ruste.’
Marcel knikte. ‘Ginny vertelde het zaterdag.’
Ze raakten in gesprek toen Marcel de ander naar zijn nabije plannen vroeg. Een opmerking van Charlie over zijn oudste broer en schoonzus herinnerde Marcel aan Belinda. Hij dempte zijn stem en vertelde Charlie over zijn jaargenote. Charlie luisterde aandachtig, stelde af en toe een vraag en knikte regelmatig. Tenslotte stelde hij voor om Bill te vragen of hij suggesties had, aangezien zijn broer beter dan een ander wist wat ze doormaakte.
‘Hé, knapperd,’ klonk het opeens zwoel boven zijn hoofd, ‘nog iets te drinken?’
Van schrik stootte Marcel zijn flesje om. Binnen een paar seconden voelde hij de stof van zijn broek nat en klam tegen zijn huid plakken. De vlammen sloegen hem helemaal uit toen madame Rosmerta haar toverstok pakte en daarmee naar de plek des onheils wees.
‘Oh, gossie, liet ik je schrikken?’ Haar stem klonk echter meer geamuseerd dan spijtig. ‘Zit stil, dan droog ik het.’
Voor er een protesterende geluid aan zijn lippen kon ontsnappen, voelde hij het tintelen van magie op zijn huid en was zijn broek weer even droog als voorheen. Blijkbaar was de barvrouw erg bedreven in het oplossen van dit soort ongelukjes. Hij opende zijn mond, maar wist eigenlijk niet wat hij moest zeggen. Bedankt? Hij werd gered door Charlie die de aandacht van hem afleidde.
‘Delicia, schat, heb je voor mij nog een Oude Klare?’
Madame Rosmerta draaide zich tot Marcels opluchting om en reageerde op flirtende toon: ‘Voor jou altijd, Charlie. Wil een van de andere heren nog iets bestellen?’ Ze keek vragend het kringetje rond tot haar blik weer bij Marcel belandde waarbij ze naar hem knipoogde.
Het rondje werd gevolgd door een tweede, en een derde. Sommigen vrijwilligers vertrokken en maakten plaats voor anderen aan hun tafel. Er werd niet enkel gegrapt en gegrold; het was onvermijdelijk dat er af en toe ook serieuzere onderwerpen langskwamen. Het kwam de stemming enkel ten goede, er ontstond een sfeer van kameraadschap.
‘Zijn er nog meer mensen die met de Collectebus meewillen?’ riep een stevige tovenaar met een volle, donkere baard vanuit de deuropening. ‘Goof is er.’
Marcel schrok toen hij ontdekte dat het al veel later was dan hij naar huis had willen gaan. Verschijnselen was waarschijnlijk niet meer zo verstandig dus besloot hij voor de verandering eens gebruik te maken van de paarse bus. Uit de kreten om hem heen bleek dat hij niet de enige was. Tegen de achterblijvers werd gedag gezegd met plagerijtjes over en weer voordat een groepje van acht tovenaars uiteindelijk naar buiten schuifelde waar Sjaak ongeduldig stond te wachten.
Marcel had weinig ervaring met de Collectebus en wist niet hoelang het zou duren voor hij afgezet zou worden, dus hij strekte zich uit op het bed en sloot zijn ogen.
Grootmoeder zal niet blij zijn, was zijn laatste gedachte.


o~0~O~0~o


Harry kwam dinsdagmorgen net de keuken binnen toen hij de haard hoorde en Charlies gezicht verscheen.
‘Hallo, Harry, nog hulp nodig vandaag?’
Aangezien hij vanmorgen nog even verder wilde werken aan de woonkamer, vond hij dat nog niet zo’n gek idee. Enkel het leeghalen van de vitrinekasten was al een dagtaak gebleken.
‘Ja, fijn,’ antwoordde hij. ‘Ik wilde net gaan ontbijten. Eet je mee of heb je al ontbeten?’
‘Ik zal even vragen of Fleur op me rekent,’ zei Charlie waarna zijn hoofd verdween. Harry pakte alvast een kan met Pompoensap. Toen de vlammen weer oplaaiden, was hij verrast toen Charlies hele lichaam uit de haard verscheen.
‘Ik dacht, ik kom maar gelijk,’ verklaarde hij brutaalweg. ‘Bill en Fleur hadden al vroeg ontbeten.’ Harry pakte een tweede beker, riep Knijster en vroeg of de huis-elf voor het ontbijt kon zorgen. De mannen gingen zitten, terwijl Knijster aan de slag ging. Harry grimaste even toen hij hen begon te bedienen en zei: ‘Ik word steeds gemakzuchtiger. Als Hermelien me zou zien, kreeg ik de wind van voren.’
Charlie gniffelde bij dat beeld, maar zei toen serieus: ‘Ik geloof niet dat jij ook maar een gemakzuchtig bot in je lichaam hebt, Harry. Volgens mij is Knijster meer tevreden dan hij in jaren geweest is, dus laat Hermelien maar praten en haar S.H.I.T.-ideeën bewaren voor elfen als Dob-’ Hij kapte zijn zin abrupt af en keek Harry verontschuldigend aan. Harry glimlachte weemoedig.
Terwijl ze begonnen te eten, vertelde Harry anekdotes over Dobby. De taart van tante Petunia, de dol geworden Beuker en hoe hij Harry had verdedigd tegen Lucius Malfidus. Charlie schaterde het meest om het verhaal van de steeds groter wordende verzameling gebreide mutsen van Hermelien die hij over elkaar had gedragen.
Toen ze beide genoeg gegeten hadden en Knijster alles liet verdwijnen, vroeg Charlie waar Harry aan de slag wilde. Hij vertelde dat hij de vorige dag begonnen was met de woonkamer en Charlie grijnsde toen hij vertelde over zijn strubbelingen om enkel nog maar de kasten leeg te krijgen. Ze gingen goedgezind aan de slag en werkten een uur door tot ze allebei flink bezweet waren. De zomer was duidelijk in aantocht en door de open ramen kwam af en toe de geur van bloesems, versgemaaid gras en wapperend wasgoed binnen.
‘Wat drinken?’ vroeg Harry, terwijl hij zijn voorhoofd afveegde met zijn hand. Charlie gebruikte de onderkant van zijn shirt om hetzelfde te doen.
‘Lekker,’ klonk het gedempt. Hij ving Harry’s blik toen hij weer zichtbaar was en knipoogde voor hij de kamer uitliep op weg naar de keuken.
Dat viel te verwachten, dacht Harry toen er een uil via het keukenraam arriveerde met een brief van het Schouwers Hoofdkwartier. Rinkelbom wordt ongeduldig, en op zich is dat ook niet vreemd want ik laat hem al vrij lang in het onzekere, maar ik heb nu eenmaal nog geen antwoord voor de man.
Hij sommeerde een potje inkt en zijn veer van boven om te laten weten dat hij het aanbod nog aan het overwegen was. Omdat hij geen zin had in meerdere brieven per week, voegde hij er aan toe dat hij er alle begrip voor had dat de man zijn aanbod introk als hij niet snel genoeg antwoord kreeg. Niet dat hij verwachtte dat de man dat zou overwegen; het zou tenslotte een hele eer zijn voor hem en de Schouwersdivisie als “Harry Potter” zich bij hen zou voegen. Harry lachte schamper.  Charlie keek hem nieuwsgierig aan, maar toen hij geen reactie kreeg, verdiepte hij zich in het stapeltje fanmail dat die morgen bezorgd was.
Harry rolde het perkament op en bond het aan de poot van Ric, die hem eigenwijs aankeek. ‘Bezorg het maar gewoon, Ric, anders stuurt hij morgen opnieuw een smeekbede.’
De uil verdween door het geopende raam en Harry leunde achterover. Vreemd genoeg had Charlie nog geen plagende opmerking gemaakt, maar dat kwam misschien omdat hij gebiologeerd naar een foto zat te staren.
'Een knappe heks?' vroeg hij plagend.
Zonder zijn ogen van de foto af te halen, reageerde Charlie: 'Tovenaar.'
'Huh?'
'Geen heks, maar een knappe tovenaar.' De voormalige drakentemmer keek eindelijk op en bewoog suggestief zijn wenkbrauwen op en neer. Harry keek hem verward aan. 'Uh een tovenaar? Maar … ik dacht … vorige week … ik wist niet …'
Charlie zei nonchalant: ‘Je bedoelt dat ik vorige week een afspraak met een knappe heks had? Dat wil toch niet zeggen dat ik tovenaars niet aantrekkelijk kan vinden.’
Harry opende zijn mond om hem na een paar tellen weer dicht te klappen, niet wetend wat hij moest zeggen. Charlie viel op tovenaars? En op heksen?
'Sorry,' mompelde hij tenslotte.
‘Geen probleem, Harry. Ik weet niet hoe er bij je oom en tante tegenaan gekeken werd, maar in de toverwereld wordt er vaker naar magische compatibiliteit gekeken dan naar geslacht. De reden dat je je daar misschien niet zo van bewust bent, is vermoedelijk juist omdat het geen issue is. Ik zou je de namen van tientallen heksen en tovenaars kunnen geven die aangetrokken worden door beide geslachten, inclusief dus die van mezelf.’
Harry keek Charlie aan alsof hij hem verteld had dat in de magische wereld de Paashaas wel bestond. ‘Maar je flirt altijd met heksen. En Ron heeft nooit iets gezegd, en –’
Charlie grinnikte. Dat bedoel ik, waarom zou Ron daar iets over moeten zeggen zolang ik niet met een tovenaar thuis kom. De kans is ook niet enorm groot, want over het algemeen val ik inderdaad vaker op vrouwen dan mannen.’
Blijkbaar vond hij het onderwerp daarmee wel afgedaan, want hij stond op, ruimde de glazen op en vroeg: ‘Zullen we nog even verder gaan? Ik ga na de lunch weer naar Zweinstein.’
Harry volgde hem met het idee dat hij, zoals die bekende Alice, in een konijnenhol was gevallen waardoor zijn wereld was gaan rondwentelen.


o~0~O~0~o


Ik bezoek honderd keer liever met Juvie een porseleinwinkel, dacht hij toen hij vanuit de vlammen in een eenvoudige huiskamer stapte. De kamer was verlaten en hij keek onwennig om zich heen, zich er niet van bewust dat zijn moeder een aantal dagen eerder precies op dezelfde manier had rondgekeken.
‘Hallo, Draco,’ klonk een warme vrouwenstem. Abrupt draaide hij zich om en staarde naar de vrouw in de deuropening. Een angstaanjagend moment dacht hij dat tante Bella uit de doden was herrezen, maar zodra de vrouw een stap naar voren deed, werd het verschil duidelijk.
‘Hallo –’ begon Draco, onzeker hoe hij haar aan moest spreken. Het was niet alsof hij was opgegroeid met verhalen over zijn tante Andromeda. Ze glimlachte alsof ze zijn dilemma begreep en zei: ‘Je kunt me tante noemen als je dat wilt, maar Andromeda is ook goed. Ik begrijp dat het een beetje vreemd moet zijn.’
Ze bewoog haar arm en hij realiseerde zich op dat moment pas dat ze een baby vasthield. Teddy.
‘Ik ben blij dat je gekomen bent om kennis te maken met Teddy,’ zei zijn tante, terwijl ze op hem afliep.
Alsof ik keus heb gehad, dacht hij, maar hij hield zijn mond. Ongemakkelijk ontdekte hij dat ze hem wilde omhelzen. Doodstil stond hij, bang dat hij die baby tussen hen in zou pletten als hij zich bewoog terwijl zij haar vrije arm om hem heen sloeg. Enkel een omhelzing van de Heer van het Duister zelf zou nog ongemakkelijker hebben gevoeld.
Hij was opgelucht dat hij plaats kon nemen op de bank, terwijl zijn tante voor thee zorgde, informeerde hoe het met hem ging en tussendoor onzin brabbelde tegen haar kleinkind.
‘Ik was opgelucht toen ik het vonnis van de Wikenweegschaar zag,’ zei ze ernstig toen ze zelf ook was gaan zitten. ‘Je was nog veel te jong om betrokken te raken bij zulke zaken.’
Draco keek verrast op van het kopje waarin hij zat te roeren. ‘U was ook bij de Hoorzitting?’ Niemand had hem dat verteld.
Ze knikte. ‘Ondanks alles voelde ik me betrokken genoeg om aanwezig te zijn bij het proces van je moeder, en ik ben gebleven om ook dat van jou bij te wonen.’
Een gevoel van vernedering kwam opnieuw boven. ‘Ik denk er liever niet meer aan,’ zei hij toonloos.
Ze keek hem even aan met diezelfde doordringende blik die hem aan zijn moeder deed denken. ‘Je kunt sommige dingen pas vergeten als je ze niet meer probeert weg te stoppen,’ zei ze cryptisch. ‘Bovendien is het goed om op de momenten dat de hele wereld tegen je lijkt te zijn, je te herinneren dat er mensen voor je waren en dat er mensen waren die voor je opkwamen.’
Draco vroeg zich af of ze nu op Potter doelde, maar hij vroeg het niet. Ondertussen had zijn tante een flesje met melk gesommeerd en was nu bezig zijn achterneefje te voeden. Draco had weinig ervaring met baby’s en hij merkte dat zijn blik ondanks alles toch steeds naar Teddy getrokken werd. Gulzig lag de baby te drinken terwijl zijn handjes doelloos rondzwaaiden alsof ze iets wilden beetpakken.
Zijn tante ving zijn blik en glimlachte fijntjes. Zonder overgang begon ze jeugdherinneringen op te halen aan zijn moeder. Ze vertelde anekdotes over de drie zusjes Zwarts, over zijn oma Zwarts, die hij nooit gekend had, en over opa Zwarts die overleed toen hij in zijn tweede jaar op Zweinstein zat. Ook schertste ze een heel ander beeld over haar neven Sirius en Regulus en hun ouders dan dat wat hij altijd had meegekregen van zijn ouders. Over onenigheid binnen de familie, de puurbloedideologie en het feit dat ze verstoten was uit de familie zweeg ze. Draco wist niet of dat was omdat het een te moeilijk onderwerp was of omdat ze de sfeer luchtig wilde houden, maar hij vermoedde dat het een combinatie was.
Teddy was klaar met drinken en hij keek bevreemd hoe zijn tante de baby op zijn ruggetje begon te kloppen.
Toen ze opkeek en hem zag kijken, lachte ze. ‘Baby’s krijgen vaak lucht binnen bij het drinken en door het zachtjes kloppen, kunnen ze dat soms wegboeren.’
Het klonk nog steeds een beetje barbaars, maar ze zou wel weten wat ze deed. Sceptisch hoorde hij even later hoe het geklop het verwachte resultaat opleverde. Ze nam de baby over op haar andere arm en stond op.
‘Wil je hem even vasthouden?’
Draco, die verondersteld had dat ze het kind weer in bed ging liggen, voelde zich voor het blok gezet en keek haar paniekerig aan. Voordat hij echter beleefd had kunnen weigeren - die stomme etiquette ook altijd - stak ze haar armen al naar hem uit. Automatisch hief hij de zijne, en keek vol afschuw hoe ze het boerende wezentje erin legde.
‘Je hoeft alleen maar op te letten dat zijn hoofdje ondersteund wordt,’ zei zijn tante nonchalant. ‘Verder kan er weinig mis gaan.’
Weinig? Betekent dat dat er wel ‘iets’ kan misgaan? Hij voelde het zweet uitbreken en probeerde iets weg te slikken in zijn keel dat zelfs met hard kloppen waarschijnlijk niet zou verdwijnen.
De baby - Teddy - lag gelukkig niet te spartelen, maar leek best tevreden in die vreemde armen. Blauwe oogjes keken hem wat ongefocust aan, alsof hij wilde weten wat voor vlees hij in de kuip had. Om de paar tellen knipperde hij alsof zijn oogleden te zwaar werden. Draco keek op om te ontdekken dat zijn tante verdwenen was. Heel even voelde hij angst, maar toen hij weer naar dat kleine wezentje keek, verdween dat vanzelf. Met een vinger streek hij voorzichtig over de minuscule vingertjes die af en toe onwillekeurige bewegingen leken te maken. Verrast voelde hij hoe die vingertjes zijn vinger vast grepen, met meer kracht dan hij voor mogelijk had gehouden. Hij glimlachte en zei zacht: ‘Goed zo, Teddy! Over een jaar of twaalf moet je zo de Snaai vangen.’
Snel keek hij of zijn tante nog niet terug was. Het zou gênant zijn als ze hem hoorde. Plotseling dacht hij weer aan de opmerking van de Heer van het Duister over het babysitten. Wolvengebroed. Draco had geen goede ervaringen met weerwolven, maar kijkend op het weerloze baby'tje in zijn armen, kon hij zich onmogelijk voorstellen dat het ooit bij volle maan in een monster zou veranderen.



IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2878
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 06 maart 2016 om 11:00



Hoofdstuk 43 Gekonkel in de Verdonkeremaansteeg



Rustig bewoog ze zich door de gangen van het kasteel. Wanneer ze zich zeker wist van een gebrek aan toeschouwers, bleef Minerva staan om, leunend op haar wandelstok, even uit te rusten. Er waren vandaag geen hoorzittingen, en hoewel ze nog onvoorstelbaar veel werk te doen had, voelde het bijna als een vrije dag. Vanmorgen had ze met de professoren vergaderd om een goed beeld te krijgen van de stand van zaken. Nu maakte ze op haar gemakje een rondje door het kasteel om met eigen ogen de vorderingen te zien. Ze had van Filius al gehoord dat de organisatie van de vrijwilligers goed verliep. Die indruk werd bevestigd toen ze voorbij de ruimte liep waar een coördinerend tovenaar vrijwilligers vroeg naar hun sterke en zwakkere kanten en ze daarna per tweetal aan het werk zette. De tovenaars en heksen die ze in de gangen tegenkwam, leken ook erg doelgericht van de ene naar de andere ruimte te lopen, alsof ze precies wisten waar ze wat moesten doen.
Ze zou morgen overleggen met die coördinator over het beste plan van actie voor degenen die veroordeeld waren tot een taakstraf op Zweinstein. Waar ze het beste aan het werk konden, en met wie ze aan de slag zouden kunnen.
Op een paar slaapzalen na was Huffelpuf klaar, zodat ze bijna konden beginnen met de ruimten in Zwadderich. Sommige portretten die in de gehavende gangen hingen klaagden dat niemand naar hen omkeek, maar hoewel het haar speet, hadden de afdelingen en de klaslokalen nu prioriteit.
Het deed haar goed om verschillende bekende gezichten te zien. Ze kwam leerlingen tegen die hoopten in september terug te keren, maar ook degenen die hun opleiding al hadden afgerond. Het was niet verbazend dat ze vrijwel geen Zwadderaars tegenkwam. Nog afgezien van het feit dat van die afdeling naar verhouding de meeste leerlingen waren gesneuveld, gevangen zaten of door hun ouders waren meegenomen naar het buitenland, zouden degenen die overgebleven waren zich waarschijnlijk niet welkom voelen. Opnieuw voelde ze de plicht om te zorgen dat er in de toekomst weer vier afdelingen zouden zijn die weliswaar onderling zouden rivaliseren, maar elk een onderdeel van het grote geheel zouden vormen.
Terwijl ze langzaam door gangen en via trappen steeds een lagere verdieping bereikte, groette ze af en toe iemand of maakte een praatje.
In de hal twijfelde ze even of het verstandig zou zijn om nog even naar buiten te gaan, maar de blauwe lucht lokte en ze besloot later wel extra uit te rusten. Toen ze naar buiten stapte, werd ze echter begroet door het geluid van gelach en gepraat van diverse vrijwilligers die aan de tafels in het zonnetje een pauze hielden en genoten van een glas koud Pompoensap. Ze besloot dat ze zelf ook wel een pauze kon gebruiken, haalde een glas sap en zocht een plaatsje uit. De drie tovenaars aan de tafel leken diep in gesprek. Prima, vond ze. Ze had er geen enkel probleem mee om even in alle rust van de koude drank te genieten, in het zonnetje en zonder een gesprek te hoeven voeren.
De tovenaars vertrokken na een korte groet. Hun plaats werd niet ingenomen door andere vrijwilligers en ook de andere tafels werden leger. Minerva vertelde zichzelf dat ze ook eens verder moest gaan, maar de rust om haar heen in combinatie met de geluiden van hardwerkende mensen op de achtergrond, en de warmte, maakte dat ze zich wat doezelig voelde.
Ze keek om zich heen en vergeleek het beeld dat ze zag met dat van een paar weken geleden, en verheugde zich over alle vooruitgang die al geboekt was. Vanaf de poort kwam een eenzame gestalte aanlopen. Hoewel het tempo niet hoog lag, zat er iets gehaast in de manier van lopen. Verrast herkende Minerva een paar tellen later Ellen Sneep. Toen ze op wilde staan, gebaarde de ander haar om te blijven zitten. Nieuwsgierig wachtte ze af. Ellen naderde met een opgeluchte uitdrukking op haar gezicht, maar haar lichaam straalde spanning uit en ze ging moeizaam zitten alsof ze te snel had gelopen.
‘Ik haal nog even wat Pompoensap,’ zei Minerva tegen haar. ‘Wil je ook een glas?’ Ellen leek even te willen protesteren, maar knikte toen.
‘Wat een onverwachts genoegen.’ Ze overhandigde Ellen een glas sap. ‘We hadden toch niet afgesproken?’
Ellen leek in verlegenheid gebracht en Minerva haastte zich om eraan toe te voegen: ‘Niet dat je niet altijd welkom bent op Zweinstein, hoor.’
Ellen glimlachte. ‘Ik had even behoefte aan iemand met een rationele geest, maar inmiddels denk ik dat ik me onnodig druk maakte. Het is echter fijn om even hier te komen en te zien hoe hard er al gewerkt is.’
Minerva beaamde dat, maar liet zich niet afleiden van wat Ellen als eerste gezegd had. ‘Je maakt je zorgen? Aangezien je me te nuchter lijkt om voor een wissewasje naar Schotland te Verschijnselen, is het waarschijnlijk niet over niets.’
Ellen zweeg een moment. Ze staarde in haar glas alsof daar de antwoorden lagen. Of misschien zag ze juist de vragen.
‘Het is waarschijnlijk enkel een paranoïde gedachte van me, maar de laatste dagen krijg ik regelmatig het gevoel alsof ik bespied word. Als ik in de tuin ben, dan draai ik me soms om omdat ik zeker denk te weten dat er iemand achter me staat, en ‘s avonds doe ik steeds vroeger de gordijnen dicht, ook al is het nog licht, omdat er iemand naar me lijkt te kijken.’
Ze keek gegeneerd. ‘Waarschijnlijk komt het door Severus’ dood,’ zei ze verontschuldigend. ‘Vroeger maakte ik me altijd zorgen om hem, en nu dat niet meer nodig is, begin ik overal gevaar voor mezelf te verbeelden.’
Minerva mompelde instemmend, maar ondertussen dacht ze er het hare van. Ze had Ellen nooit iemand gevonden met een overdaad aan verbeeldingskracht, integendeel zelfs. Als zij dacht bespied te worden, was ze óf ernstig aan het doordraaien, óf haar gevoel klopte.
‘Het is nooit dom om naar je gevoel te luisteren,’ zei ze enkel.
‘Dat hield ik Severus ook altijd voor,’ glimlachte Ellen weemoedig. Toen Minerva begrijpend keek, vertelde ze verhalen van haar zoon uit de tijd dat hij nog op school zat, en kort daarna.


o~0~O~0~o


De klap werd gevolgd door voetstappen op de trap die zich naar boven haastten. De deur van zijn kamer werd opengetrokken en zijn moeder wierp een snelle bezorgde blik door de kamer, voordat haar ogen bleven hangen op de schildersezel die zojuist tegen de kast was gevallen.
Ze ontspande zichtbaar en wierp Daan een vragende blik toe.
‘Sorry, ma, hij glipte uit mijn handen,’ verontschuldigde hij zich voor de herrie, en ook voor het feit dat hij haar bloeddruk zojuist een eind omhoog had gejaagd.
Ze reageerde niet, maar vroeg in plaats daarvan: ‘Wat was je aan het doen?’
Daan slikte de lichte ergernis die de kop opstak weg voor hij antwoord gaf. Het was niet alsof hij zijn frustraties nooit eerder op zijn spullen had uitgeleefd, ook al was dat nu niet het geval.
‘Ik wil wat schilderijen uitzoeken voor de veiling. Maar het ging niet helemaal zoals ik wilde,’ zei hij wat sarcastisch.
Ze keek blij verrast en negeerde zijn toon. ‘Kan ik misschien wat voor je doen?’ vroeg ze wat aarzelend. ‘En ook een bijdrage leveren?’
‘Dat is goed,’ reageerde Daan, vastbesloten om zijn eigen gekwetste gevoelens niet te laten winnen van zijn wens iets voor Zweinstein te doen.
‘Oké,’ zei ze en ze stapte de kamer verder in. ‘Zeg maar wat ik kan doen.’
Daan wees naar een stapel schilderijen die met hun goede kant tegen de muur aanstonden. ‘Ik wil die stukken eerst bekijken om te zien welke er geschikt zijn en welke niet. Misschien kun je ze op de ezel zetten? De grotere kunnen ook enkel omgedraaid worden.’
Een voor een keurden ze de schilderijen die hij ooit gemaakt had in een tijd dat hij nog grote dromen had. Ze begonnen met de kleinere, die over het algemeen portretten waren. Terwijl zijn moeder een werk op de ezel zette, vroeg ze naar de geportretteerde en diens achtergrond. Hoewel Daan met zijn kritische blik lang niet elk werk even geschikt vond, was het leuk om met zijn moeder te praten over zijn leven op Zweinstein. De bewegende portretten gaven haar vaak een beter beeld van zijn klasgenoten en de professoren dan duizend woorden zouden kunnen doen. Veel Griffoendors passeerden de revue. Die had hij vaak in de leerlingenkamer zitten schetsen. Ook de Strijders van Perkamentus, een paar meisjes van Beauxbatons en tovenaars van Klammfels had hij destijds getekend. Zwerkbalspelers in actie, inclusief sommige Zwadderaars als Malfidus, Hork, Korzel en Kwast. Er zaten verschillende pogingen tussen om de geesten vast te leggen. Ze kwamen niet in aanmerking voor de veiling, maar Daan realiseerde zich dat zijn verzameling een even goed beeld van zijn jeugd gaf als de serie klassenfoto’s van zijn broer of het vriendenboekje van zijn zusje.
Een aantal portretten liet hij zijn moeder apart zetten. Die waren van degenen die de oorlog niet overleefd hadden, zoals Kasper en Fred en Amanda Brokkeling uit Ravenklauw. Hij zou ze te zijner tijd aan hun familie geven, besloot hij. Zijn moeder keek goedkeurend toen ze het hoorde.
Voordat ze aan de grotere schilderijen begonnen, stopte zijn moeder eerst een was in de machine en schonk twee glazen frisdrank in.
‘Hoe gaat het met je therapie?’ vroeg ze tijdens het drinken.
Daan schokschouderde. Wat moest hij daarop zeggen?
‘Is er nog geen verschil merkbaar?’
‘Een klein beetje, maar zo weinig dat wel duidelijk is dat er geen wonderen zullen gebeuren.’ Hij slaagde er niet helemaal in zijn stem vlak te houden, maar zijn moeder stelde enkel een volgende vraag.
‘Dus als je niet meer kunt schilderen met je rechterhand, welke alternatieven zijn er dan?’
Daan klemde zijn tanden op elkaar om er niet iets lomps uit te gooien. Hij moest dankbaar zijn dat zijn moeder hem enkel met vragen overlaadde en niet met medelijden.
‘Misschien zou je eens kunnen kijken welke alternatieven er normaal gesproken zijn voor mensen met een beperking, en nagaan of die toepasbaar zijn in jouw wereld,’ stelde ze voor, waarna ze haar glas leeg dronk en het voorste schilderij dat nog tegen de muur stond, omdraaide.
‘Deze is prachtig, Daan!’ zei ze bewonderend. Ze deed een paar passen naar achteren om beter te kunnen kijken.
Daan vond het ook een van zijn betere. Net als de meeste grote werken was het een landschap. Hij herinnerde zich de morgen dat hij om het meer was gelopen om het kasteel te schetsen. Het was klam geweest en de nevel die boven het meer had gezweefd, gaf het schilderij een waas van mysterie. Op de achtergrond was aan de linkerkant een deel van het Verboden Bos te zien dat er al even mystiek uit zag. Zeker voor zijn moeder die nog altijd moest wennen aan bewegende schilderijen, zag het eruit als iets uit een Disneyfilm. De kabbelende golven, de licht heen en weer bewegende takken, de nevel die voorbij leek te drijven en een eenzame vogel die steeds opnieuw dezelfde route aflegde.
‘Voor de veiling?’ vroeg ze bijna overbodig.
Hij knikte. Het was het eerste schilderij waar hij niet minutenlang over zat te wikken en te wegen en te argumenteren met zijn moeder.
Een uur later waren al zijn werken verdeeld in een paar stapels: een grote met schilderijen die hij niet goed genoeg vond, het stapeltje vanwaar Freds guitige gezicht hem toelachte en tenslotte een derde met de schilderijen die hij geschikt vond voor de veiling. Daan wist niet hoeveel men er zou willen veilen, maar hij had er in ieder geval een stuk of tien om aan te bieden. Na het middageten zou hij een uil naar professor Anderling sturen.


o~0~O~0~o


Charlie had de morgen doorgebracht op de Wegisweg. Angelique en Leo waren al samen met George en Nicole in de Topfopshop aan het werk, dus na elkaar even gesproken te hebben, was Charlie gaan kijken waar hij een handje kon helpen. Eerst had hij een paar uurtjes meegewerkt bij Klieder en Vlek, en daarna nog een poosje aan de overkant in de ijssalon. Florian Fanielje was nog altijd vermist, maar zijn zoon, Fons, was terug naar Londen verhuisd om de ijssalon over te nemen.
Hij stapte De Schelp binnen om snel te douchen en wat te eten voor hij naar Zweinstein zou gaan, en botste bijna tegen zijn broer op.
‘Oh, sorry,’ zei Bill, ‘ik moet even naar de moestuin.’ Hij was al om de hoek van het huis verdwenen voor Charlie kon reageren.
Tegen de tijd dat hij weer beneden kwam, zat Bill aan tafel de krant te lezen.
‘Is het weer veilig?’ vroeg Charlie plagend, omdat hij de laatste dagen al gewend was om zijn broer opeens van hot naar haar te zien vliegen als Fleur ergens trek in kreeg.
Bill trok een gezicht. ‘Wacht maar,’ zei hij. ‘Als je zelf in mijn schoenen komt te staan, doe je precies hetzelfde.’
‘Nah,’ zei Charlie. ‘Jij bent gewoon bang om nee te zeggen nu Fleurs Glamorganatrekjes extra opspelen. Dat gaat mij niet gebeuren.’
Bill schudde geamuseerd zijn hoofd bij die opmerking, maar ontkende het niet.
‘Over trekjes gesproken,’ ging Charlie nu serieus verder, ‘ik raakte eergisteren aan de praat met Marcel Lubbermans en die vertelde mij over een klasgenoot van hem en Ron, Belinda Broom.’
Zijn oudste broer luisterde aandachtig toen Charlie vertelde wat hij van Marcel gehoord had. ‘Ik heb niets beloofd, maar ik dacht dat jij misschien een keer met haar zou kunnen praten als dat lukt.’
Zoals hij verwacht had, stond Bill daar wel voor open.
‘Heb je een adres?’ vroeg hij Charlie.
‘Nee, maar dat kan ik straks wel even aan Marcel vragen als ik op Zweinstein ben.’
Bill keek hem schattend aan. ‘Je bent overal maar druk in de weer. Bang dat je je stoere imago kwijt raakt als je spierballen zouden verdwijnen?’
‘Mijn imago moet het tenminste niet hebben van lange, wapperende haren,’ plaagde hij.
Op dat moment stapte zijn schoonzus binnen. Ze keek hem licht verwijtend aan. ‘Mijn Bill ies altijd stoer, ij eeft keen spieren of lange haren nodig daarvoor.’ Haar blik gleed naar haar echtgenote en verzachtte.
Charlie, die de laatste tijd meer dan hem lief was getuige moest zijn van het getortel van het aanstaande ouderpaar, stond haastig op en verdween na een korte groet. Hij besloot wel een broodje op Zweinstein te eten.


o~0~O~0~o


Hij arriveerde precies op tijd in de Verdonkeremaansteeg. De man met wie hij had afgesproken, stond drie huizen verderop en keek nerveus om zich heen. Als je degene met de bovenhand wilde zijn, dan moest je altijd zorgen dat de ander op jou wachtte en niet andersom. Hij vreesde de man niet, maar naderde hem met de behoedzaamheid van iemand die geleerd heeft altijd op zijn hoede te zijn.
‘Schorel,’ groette hij kort. ‘Ben je gevolgd?’
De oudere tovenaar ontkende met een schorre stem. Hij klonk niet alleen alsof hij te lang van verboden middelen had gebruikt, maar zag er ook zo uit. Zijn magere, ingevallen gezicht werd omlijst door wat lange, dofgrijze plukken haar die onder de kap van zijn mantel uitstaken. De onverzorgde snor met de lange punten slaagde er gedeeltelijk in om het ontbreken van een voortand in zijn bovengebit te verbergen, waardoor je als vanzelf bleef kijken of je het nu goed zag.
Hij stak een magere, dooraderde hand uit en vroeg gretig: ‘De beloning?’
‘Rustig aan, Schorel,’ zei hij met een lichte dreiging in zijn stem. ‘Vertel me eerst maar eens wat je ontdekt hebt, en of niemand je in de smiezen heeft gekregen.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten, stak hij zijn toverstok uit en hield hem op Schorels ingevallen borstkas gericht.
Geschrokken hief de oudere man beide handen in de lucht in een gebaar van overgave. ‘Hee, relax, man. Ik ben echt niet van plan je te vernaggele, hoor.’
Nijdig porde hij met zijn toverstok en herhaalde tussen opeengeklemde kaken: ‘Heeft - iemand - je - in - de - smiezen - gekregen, Schorel? Of moet ik je geheugen soms opfrissen met de Martelvloek?’
‘Nee, wacht!’ De stem van de magere man klonk nu zo schor dat hij bijna kraakte. ‘Niemand heeft me gezien, zij ook niet.’
‘Dat weet je zeker?’
De ander aarzelde een tel.
‘Cru-’
‘Nee! Ik weet het zeker! Eerst dacht ik dat ze me gezien had, omdat ze opeens de gordijnen dicht ging doen en zo, maar ze kan me niet gezien hebben onder die Kameoflagespreuk. Ze is vast zo’n heks met een zesde zintuig die mijn aanwezigheid kon voelen.’ Schorel keek hem angstig aan, terwijl hij precies vertelde wat madame Sneep de laatste dagen allemaal had gedaan. De oude man wist niet dat hij al precies gehoord had wat hij wilde horen; ze had gevoeld dat ze was gadegeslagen. Stap één in het kat-en-muisspel dat hij eerst met haar wilde spelen.
Hij had geen zin gehad om zelf dagenlang bij het huisje van die oude heks te posten dus had hij die taak uitbesteed aan deze arme sloeber die alles zou doen voor een paar contanten.
Toen de ander niet reageerde, herpakte Schorel zich en vroeg voorzichtig: ‘Dit was de afspraak, nietwaar? In ruil voor -’
‘Ja, ja,’ zei hij ongeduldig. ‘Je krijg je geld van me.’ Hij stak zijn hand in de binnenzak van zijn mantel en zag hij dat de ogen van Schorel begerig begonnen te glanzen. ‘Als je het je tenminste nog kunt herinneren.’
Voor de haveloze tovenaar de Knoet kon horen vallen, kreeg hij al een toverstok tegen zijn slaap gedrukt. Het laatste dat hij hoorde, maar zich niet zou herinneren, waren de woorden ‘Amnesia Completa.’








‘Jij kunt een dame al neerslachtig maken als je naar haar glimlacht en doorloopt, Charlie Wemel. Je bent een charmeur van de eerste orde.’
WW ho 46
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2878
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 26 juli 2016 om 10:44



Hoofdstuk 44 Klei, een Kus en een Contract 


‘De citruspers?’ vroeg Hermelien aan haar moeder.
‘Die moet mee,’ klonk het beslist vanuit de woonkamer waar haar moeder bezig was de laden van het dressoir leeg te maken. ‘Je vader haat versgeperst sap dus de onze zal wel mysterieus verdwenen zijn.’
Het klonk niet bitter of verwijtend, maar toch voelde Hermelien voor de zoveelste keer die ochtend een pijnlijke steek in haar borst. Haar moeder had nu bijna een week haar geheugen terug - haar vader twee weken - en het waren geen makkelijke dagen geweest. Haar vader was nog het meest ontspannen in de omgang; zijn credo was vergeven en vergeten. Een ongelukkige uitdrukking in deze situatie, had Ron haar toegefluisterd.
Haar vader wist dat Hermelien had niet anders gekund, en dat zijn vrouw niet zichzelf was geweest. Hij had haar dus haar gedrag niet aangerekend, hoe pijnlijk het ook was geweest.
Het was logisch dat Ron zich te midden van al die gecompliceerde gevoelens erg ongemakkelijk voelde en zoveel mogelijk naar haar vader trok. Het was fijn om te zien hoe goed die twee het met elkaar konden vinden, ondanks de omstandigheden.
Zij en haar moeder, dat was een totaal ander plaatje. Vanwege haar schuldgevoel kon ze haar moeder amper in de ogen kijken. De harde woorden die een week geleden waren geuit, kon ze echter moeilijk vergeten.
Haar moeder had de huur per direct opgezegd en zou vandaag terugkeren naar de gezamenlijke woning. Maar niet voor lang; zodra ze gehoord had hoe de vork in de steel zat, had ze besloten dat ze terug naar Engeland wilde. Met of zonder haar man. De onuitgesproken boodschap was duidelijk geweest. Hermeliens vader had er vertrouwen in dat hun relatie zich weer zou herstellen en was begonnen om de overname van zijn praktijk te regelen.
Voor ze over een paar weken zouden terugkeren naar Engeland moest er nog een heleboel papierwerk geregeld worden, zoals het bestellen van vliegtickets en aanvragen van visa.
Terwijl haar vader met Ron de meubels verhuisde, was Hermelien met haar moeder bezig de laden en kastjes leeg te halen. Dat eerste klonk zwaarder dan het was, aangezien Ron af en toe een spreuk had gebruikt om het gewicht te verminderen.
Met een zucht pakte ze de laatste glazen uit het bovenste keukenkastje en zette ze in een halfvolle doos. Voor de zekerheid bukte ze zich om een laatste keer de onderste kastjes te controleren. Achterin bleek nog iets te staan. Op de tast pakte ze het voorwerp en kwam weer overeind. Toen ze er een blik op wierp, bleef ze geschokt staan. Op haar hand lag een tweede hand. De afdruk van een hand, gedrukt in een brok grijze klei, met randjes die omhoog waren geduwd, om het als asbak te gebruiken. Haar ouders, geen van beide rokers, hadden de creatieve uitspatting van hun zesjarige dochter enkel bewaard om sentimentele redenen. Verbijsterd vroeg Hermelien zich daarom af wat het in Australië, en in haar moeders appartement deed.
De verf was inmiddels vervaagd en hier en daar onderbroken door kleine barstjes in de twaalf jaar oude klei. Haar vingers sloten zich voorzichtig om haar kleinere handafdruk alsof het een glazen Profetie was. Het verschil was dat dit voorwerp niet haar toekomst voorspelde, maar haar een terugblik gaf op een tijd waarin ze nog een kind was. Zonder kennis van de toverwereld, zonder idee van de morele keuzes die ze zou moeten gaan maken. Ze had een week haar gevoelens opgekropt, maar nu kwamen de tranen. Langzaam, maar zeker gleden ze over haar wangen en spatten ironisch genoeg op de gebarsten verf uit elkaar. Ze vroeg zich af of ze genoeg tranen had om dat stomme ding te vullen.
‘Hermelien?’
Het gezicht van haar moeder leek Hermeliens emoties te weerspiegelen; de pijn, de wanhoop, en vooral het verdriet. Ze wist niet wie er als eerst bewogen had, maar het volgende ogenblik omhelsden ze elkaar. Het leek een eeuwigheid - of toch minstens een leven - geleden dat haar moeder haar vastgehouden had en haar getroost had. Er werd niets gezegd, geen sussende geluidjes geuit, er was alleen die o zo gewenste omhelzing.


o~0~O~0~o


Ze was de laatste persoon die hij verwachtte hier tegen het lijf te lopen, ook al was ze zelden een dag uit zijn gedachten.
‘Hallo, Marcel,’ zei ze. Het was geen ‘hallo-en-ik-loop-gelijk-verder-groet’, merkte hij verrast toen ze bleef staan en hem vrolijk aankeek.
‘Hoi, Abby,’ kreeg hij nog net over zijn lippen. In gedachten voerde hij vaak hele gesprekken met haar, maar nu ontbrak het hem zoals gewoonlijk aan de nodige sociale vaardigheden. Of aan zelfvertrouwen. Het plan om haar te ontwijken was Verdwijnseld op het moment dat hij in haar ogen had gekeken.
‘Hoe gaat het met je?' vroeg ze. 'Het is al weer even geleden dat ik je op Charles l’Atan zag.’
‘Ik ben de laatste tijd wat minder vaak geweest,’ antwoordde hij. ‘Ik help momenteel op Zweinstein.’
Er verscheen een blik van herkenning op haar gezicht. ‘Ah, vanwege die oproep voor vrijwilligers?’
Hij schuifelde een beetje verlegen met zijn voeten heen en weer. ‘Eigenlijk omdat ik zag hoe erg de kassen er aan toe waren toen ik er vorige week maandag even moest zijn.’
Ze lachte een kuiltje in haar wang. ‘Ik denk dat ze blij zijn met alle hulp, ook al werk je aan iets waar je hart ligt. Of juist dan.’ Ze leek even te aarzelen voor ze vroeg: ‘Was je op weg naar het kasteel?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik ben al klaar voor vandaag.’ Hij gebaarde even achter zich en voegde daaraan toe: ‘Mijn grootmoeder had gevraagd of ik nogabrokken mee wilde nemen bij Zacharinus’. Moest jij ook een boodschap doen?’
De laatste vraag kwam er wat gehaast uit, maar ze leek het niet vreemd te vinden en antwoordde: ‘Ik heb even een bezoekje aan de verenwinkel gebracht. Sophie Pluimplukker zat in mijn jaar op Zweinstein en ik had haar nog niet gesproken sinds ze de winkel van haar vader heeft overgenomen. Ik heb gelijk even wat rondgekeken bij de andere winkels hier, en wat geld gehaald bij Goudgrijp Bank Automatische Geldteller.’ Ze wees opzij naar de geldautomaat die naast Het Postkantoor bevestigd was. ‘Hoewel de sfeer nog een beetje ingetogen is, is het leuk om hier weer eens rond te lopen. Het is een poos geleden dat ik hier geweest ben.’
‘Was je al klaar met winkelen? Ik wilde net naar De Drie Bezemstelen toe gaan. Ik bedoel, uh, heb je misschien zin om ook even een kijkje te nemen? De sfeer daar is niet zo ingetogen meer.
Het tasje met noga gleed bijna uit zijn zweterige handen en zijn hart klopte zo hard dat hij bang was dat ze het zou horen.
De sfeer is er niet zo ingetogen? Hoe stompzinnig kun je iemand uitnodigen? Vergeet het maar, Lubbermans!
‘Gezellig,’ zei ze, ‘daar ben ik al in geen tijden geweest.’
Geen tijd, natuurlijk zegt ze dat.
‘Ja, dat snap ik hoor, geen probleem.’
Bevreemd keek ze hem aan voor ze kordaat zei: ‘Mooi, dan kun jij me introduceren.’
Tot zijn grote schrik haakte ze haar arm door de zijne en begon in de richting van het tovenaarscafé te lopen. Het gaf hem geen andere keus dan haar halfstruikelend te volgen. Hij vreesde dat niet alleen zijn handen nu aan het zweten waren.
Toen ze de openstaande deur van De Drie Bezemstelen naderden, had Marcel zijn hartslag weer bijna onder controle. Hij vreesde echter voor de reacties van collega-vrijwilligers als hij gearmd met een onbekende heks naar binnen kwam. Dus gebaarde hij haar om als eerste naar binnen te gaan.
Het was beduidend drukker dan het op maandag was geweest.
‘Hier, Marcel! We hebben een stoel voor je vrijgehouden,’ riep Michel Kriek, zodra hij binnenstapte.
‘Was Zacharinus’ uitverkocht, man? Het duurde een eeuwigheid,’ riep een ander.
Marcel aarzelde; met Abby ergens alleen gaan zitten, of samen aanschuiven bij zijn vrienden? Hij vervloekte zichzelf dat hij haar zo impulsief uitgenodigd had, maar besloot zich er doorheen te slaan. ‘Waar wil je zitten?’
Ze glimlachte begrijpend. ‘We kunnen bij je vrienden gaan zitten, hoor.’
Opgelucht riep hij naar Michael: ‘Heb je nog een stoel?’
Natuurlijk waren daar de verwachte plagerijtjes en het geroep, maar het duurde maar even en was niet zo erg als het had kunnen zijn.
Ze namen plaats aan dezelfde ronde tafel die Marcel al een beetje als zijn vaste stekje begon te beschouwen. Hij stelde de anderen aan Abby voor. Hendrik, Severijn en Terry waren er ook weer, en Loena en Parvati, die met Michael zaten te praten.
Terry vroeg Abby wat ze deed en van daar was het een kleine stap voor de andere tovenaars en heksen om zich in het gesprek te mengen; iedereen kende wel iemand die in de afgelopen weken en maanden in het hospitaal had gelegen.
Madame Rosmerta kwam langs en Marcel bestelde voor hen beide een flesje Boterbier. Een beetje beduusd merkte hij hoe Abby zonder problemen werd geaccepteerd in het kringetje vaste gasten.
Hoe zou het geweest zijn als ze aan een tafeltje voor twee waren gaan zitten? Waarschijnlijk was hij dan helemaal dichtgeklapt en had zijn drankje weer omgestoten, dacht hij met zelfspot.
Toen ze een uur later aankondigde dat het haar tijd was, stond hij ook op en liep mee naar buiten. Zwijgend wandelden ze een stukje door de dorpsstraat, maar het was geen onaangename stilte.
‘Vanaf hier kan ik wel Verdwijnselen,’ zei Abby, terwijl ze stil bleef staan. Marcel stopte ook en draaide zich naar haar toe. ‘Bedankt voor de leuke middag, Marcel. Het was erg gezellig!’
Hij knikte. ‘Als je nog eens in Zweinsveld bent, moet je zeker langskomen.’
Ze knipoogde. ‘Dat zal ik zeker doen.’ Toen gaf ze hem zomaar een kus op zijn wang en Verdwijnselde. Gewoon, poef, weg, zodat hij geen kans had om te reageren, en geen tijd om te bepalen of zij er net zo zorgeloos uitzag als ze klonk. Is haar hart ook plotseling drie keer zo snel gaan kloppen? Of kust ze elke tovenaar met wie ze iets gaat drinken?
Marcel stond nog zeker drie minuten als versteend voor hij zich genoeg kon concentreren op die drie B’s waar Draaisma altijd zo op gehamerd had.


o~0~O~0~o


Zijn moeder was net naar haar zus vertrokken, toen de haard weer begon te sputteren. Draco keek op in de verwachting Blaise te zien en was verbaasd toen ook Daphne, Theodoor en Margriet de kamer in stapten. Ze grijnsden bij het zien van zijn uitdrukking.
‘Waag het niet om iets dreuzeligs als ‘Verrassing!’ te roepen,’ waarschuwde hij dreigend voordat hij zijn klasgenoten begroette. Ze waren nooit dik bevriend geweest, maar nu hij door het huisarrest amper een levende ziel zag, was hij blij met bekende gezichten.
Hij condoleerde Theodoor wiens vader gesneuveld was en nam het viertal mee naar zijn kamer. Voor hij om Juvie riep, adviseerde hij hen om geen thee te nemen. Bevreemd keken ze hem aan, maar vroegen allemaal om Pompoensap of Boterbier. De meisjes gingen op een paar kussens op de grond zitten, Theodoor nam het stoeltje van zijn bureau en Blaise ging naast hem op het bed zitten.
Dat ze daar beter even mee hadden kunnen wachten, had Draco natuurlijk kunnen voorzien. Dus uitte hij een flinke krachtterm toen met veel gerinkel van glazen en flesjes, Juvie op zijn hoofdkussen belandde.
‘Zalazars slang!’ riep Blaise, terwijl hij van het bed sprong. De meisjes keken met grote ogen naar de in vitrage gehulde huis-elf en Theodoor zat stompzinnig te grinniken.
Wat een afgang.
‘Juvie,’ siste hij door opeengeklemde tanden.
De huis-elf trachtte zich in paniek van de gordijnstof te bevrijden en rolde daarbij pardoes van het bed af, bovenop de tenen van Blaise. Theodoor hing inmiddels dubbelgevouwen over de leuning van de stoel en Margriets bulderende lach klonk bijna boven het gepiep van Juvie uit. Bijna, helaas.
‘Oh, meneer Mysticus, Juvie is zo spijtig.’
‘Oh, Merlijn,’ gierde nu ook Daphne, ‘Mysticus? Echt?’
Draco wierp een nijdige blik in haar richting, maar dat had weinig effect. Blaise trok met een vies gezicht zijn schoen vanonder de vitrage vandaan wat opnieuw voor een lachsalvo zorgde.
‘Juvie!’ zei Draco nadrukkelijk. ‘Geen woord meer. Verdwijn en haal nieuwe flesjes Boterbier en zet die voor de gesloten deur van mijn kamer. Begrepen?’ Hij zou haar met haar eigen gordijn wurgen als hij haar vandaag nog eenmaal zijn naam hoorde verbasteren.
Zodra ze verdwenen was, liet hij zich op de rand van het bed zakken en begroef zijn gezicht in zijn handen. Ongelooflijk, die elf.
‘Uhm, meneer Mysticus,’ spotte Blaise. ‘Kun je misschien nog een stoel regelen, want ik ga echt niet meer op dat bed zitten.’
‘Dan ga je maar op de grond zitten, aansteller!’ zei hij van tussen zijn handen.
‘Niet dat hij niet past, Draco, maar hoe komt die huis-elf aan die fraaie bijnaam?’ vroeg Theodoor belangstellend. Daphne en Margriet keken hem ook nieuwsgierig aan.
Draco sneerde. ‘Het is geen bijnaam, sufferd. Die verdraaide elf kan blijkbaar met geen mogelijkheid onze familienaam onthouden. Hij komt elke dag met een andere variant.'
'Oh, vertel,' giechelde Daphne.
'Vergeet het maar,' gromde Draco.
'Niet zo dreigend, meneer Fysicus,' zei Theodoor vermanend.
Draco greep een van zijn hoofdkussens en gooide die naar Theodoors hoofd. 'Ik haat jullie!'
Voor iemand kon reageren, klonk op de gang het gerinkel van tegen elkaar stotende flesjes.
Een moment was iedereen stil en Draco hield zijn adem in.
‘Uw drinken is hier, meneer Valiezus!’ klonk het toen op trotse toon.
Draco kreunde toen de anderen weer in lachen uitbarstten. Margriet had medelijden met hem – of dorst – en hees zich uit de kussens omhoog. ‘Ik haal het wel even.'
Eindelijk hadden ze te drinken en was het tijd om bij te praten over mede-klasgenoten en Zwadderaars.
Karel Kwast was de enige schoolgenoot die in Azkaban terecht was gekomen. Theodoor had net als Draco een restrictie op toverstokgebruik, maar geen huisarrest. Ook had hij een - weliswaar kortere - taakstraf opgelegd gekregen.
‘Misschien laten ze jullie ergens samen werken’, zei Daphne hoopvol.
'Daar zou ik maar niet op rekenen,' zei Blaise. Draco dacht hetzelfde en ook Theodoor leek die mening toegedaan.
‘Ik hoorde dat de vrijwilligers in het kasteel meestal per tweetallen ingepland worden,’ bracht Margriet in.
‘Dan zal ik wel met een Griffoendor worden opgescheept,' zei Draco somber.
‘Misschien wel een van het Gouden Trio,' spotte Blaise, maar Draco vond dat alles behalve grappig.
‘Het zou erger kunnen,’ zei Margriet op effen toon.
‘Erger? Wat zou er erger kunnen zijn?’ vroeg Theodoor ongelovig. Draco kon ook niet echt iemand bedenken. Niet iemand die nog leefde, in ieder geval.
‘Misschien mag je met Hagrid en die monsterlijke hond in Het Verboden Bos aan de slag.’ Margriet beet op haar lip om niet te lachen.
Draco voelde zich verbleken; dat zou inderdaad misschien nog erger zijn. Hoewel het idee om uren met Wemel door te brengen al even afschuwelijk was.
'Zou het kasteel op tijd klaar zijn?' vroeg Margriet peinzend.
'Wil jij terug dan?' vroeg Theodoor.
Ze knikte langzaam. ‘Ik sta niet echt te trappelen, maar mijn ouders willen graag dat ik mijn opleiding afmaak.'
Draco grimaste. ‘Dan hebben ze vast met de mijne gepraat, want mijn moeder zegt precies hetzelfde.’
Blaise schonk hem een sympathieke blik voor hij reageerde. ‘Ik weet het nog niet. Ik kan ook zonder PUISTen bij mijn oom aan de slag, maar als ik pas over een jaar in dienst wil komen, vindt hij dat ook prima. Hangt een beetje af van wat jullie doen, en hoe slecht de sfeer ten opzichte van Zwadderaars nu is. Als jullie op Zweinstein aan de slag gaan, horen we dat wel.’
Theodoor wisselde een bedenkelijke blik uit met Draco; ze hadden er geen van beide veel vertrouwen in.
Draco keek naar Daphne. ‘En jij? vroeg hij.
Daphne knikte. ‘Ik ga nog een jaar met Margriet mee. Het is beter dan het alternatief.’
Ze was niet de enige die grimaste. Het alternatief was het huwelijkscontract dat haar vader voor haar had geregeld met een bevriende Spaanse volbloedtovenaar. Diens zoon, Julio, was een fatterig, zeurderig moederskindje, die bovendien niet eens qua uiterlijk aan het beeld van de knappe Spanjaard voldeed.
‘Zelfs een taakstraf met Hagrid is beter dan dat alternatief,’ vond Draco.
De anderen grinnikten en zelfs Daphne kon een glimlach niet onderdrukken.
‘Ja, die taakstraf is maar een paar honderd uur en een huwelijk kan wel honderd jaar duren,’ beaamde Theodoor cynisch.
Daar moet ik me maar vasthouden als ik volgende week op Zweinstein ben, dacht Draco vol galgenhumor.




‘Jij kunt een dame al neerslachtig maken als je naar haar glimlacht en doorloopt, Charlie Wemel. Je bent een charmeur van de eerste orde.’
WW ho 46
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2878
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 27 juli 2019 om 12:42
Oh my Rowling, ik had niet door dat het al zó lang geleden was. Ik ben er de afgelopen best mee bezig geweest, maar meer met editten, herstarten nadat ik bijna alle research kwijt was door een kapotte harde schijf en meer van die ongein :') Er is echter nooit sprake geweest van het verhaal opgeven, integendeel; er liggen 15 'ruwe' hoofdstukken klaar, en royaal uitgeschreven plotlijnen waarmee ik tijdens de volgende nano aan de slag hoop te gaan.
Ik hoop dan ook dat er nog belangstelling voor deze Wentelende Wereld is, vooral gezien het feit dat de mysteries en bedreigingen vanaf de komende hoofdstukken gaan toenemen :')




Hoofdstuk 45 Eens een Zwadderaar ...



Buiten adem van het rennen, lieten ze zich lachend op het beschaduwde gras onder ‘Harry’s boom’ vallen.
‘Wat bezielt je, Harry Potter?’ vroeg Ginny terwijl ze hem hoofdschuddend aankeek. Haar ogen schitterden echter van plezier.
Hij gaf haar een scheve grijns. ‘Geen idee. Ik besloot dat het een veel te mooie dag was om binnen te zitten in dat sombere huis, en ik wilde jou zien, maar nog even niet je moeder en de rest.’
Toen hij Ginny alleen in de keuken had aangetroffen, had hij in een impuls haar hand gegrepen en haar naar de boomgaard ontvoerd.
Hij schoof wat naar achteren en leunde tegen de stam van de appelboom terwijl Ginny tegenover hem zat in kleermakerszit. Met haar hoofd een beetje schuin en haar ogen half samengeknepen bestudeerde ze hem.
‘Je ziet er meer ontspannen uit,’ constateerde ze. ‘Klopt dat?’
Harry dacht even na. ‘Ik denk het,’ zei hij. ‘Er zijn momenteel geen processen waarbij ik moet getuigen, en dus zwijgen de kranten voor de verandering ook eens even. Het is lekker om bezig te zijn met opknappen en herbouwen. Het voelt positief en het leidt af. De nachtmerries zijn er nog wel,’ bekende hij wat terughoudend, ‘maar door het werk val ik makkelijker in slaap.’
Ginny knikte. Hij vermoedde dat zij iets soortgelijks zou ervaren. Ze praatten even over de verschillende werkzaamheden die ze gedaan hadden op Zweinstein. Terwijl Harry voornamelijk met Loena had samengewerkt, was Ginny behalve met Parvati ook nog met twee andere vrijwilligers aan het werk gezet.
‘Ik hoop dat ik niet meer samen met Erik Marter hoef te werken,’ zei ze hartgrondig. ‘Hij laat mij telkens overal voor opdraaien, maar weet het zo te draaien dat het lijkt alsof hij het meeste of moeilijkste werk heeft gedaan. En dan op een manier dat hij ook nog heel bescheiden overkomt, zodat ik een jaloers kreng zou lijken als ik er wat van zou zeggen. Echt, ik zou nog liever met een Zwadderaar werken dan opnieuw met die man!’
Harry grinnikte bij de gedachte aan Ginny en bijvoorbeeld Patty Park, of Margriet Bullemans die samen met hun toverstok moesten werken in eenzelfde ruimte.
‘Ja, lach maar,’ zei ze pruilend. ‘Jij boft met Loena.’
Aangezien dat waar was, besloot hij van onderwerp te veranderen en hij vertelde over de vorderingen op nummer 12.
‘Je moet morgen echt even kijken naar de vitrinekasten in de woonkamer,’ zei hij enthousiast. Toen ze naar hem staarde, vroeg hij: ‘Jullie komen toch wel morgenavond?’
Ze knikte. ‘Ja, hoor, wij zijn er weer. Hopelijk duurt het niet lang meer, voor Hermelien en Ron er ook bij kunnen zijn. Waag het niet tegen hem te zeggen, maar ik mis zelfs die broer van me.’
Harry glimlachte. Hij miste zijn vrienden ook.
‘Het is grappig om te zien hoe enthousiast je bent. Het begint echt je thuis te worden, hé?’
Hij keek haar wat verontschuldigend aan, maar ze wuifde het weg. ‘Het geeft niet, Harry, ik begrijp het wel. Het kan af en toe wat benauwend zijn in het Nest, zeker als je er niet aan gewend bent. Als enig meisje is het nog erger. Je zou denken dat in ieder geval mijn broers die beschermende houding zo ondertussen zouden laten varen.’ Met een mengeling van humor en verontwaardiging vertelde ze hem hoe ze omvergeworpen was door Leo en hoe haar broer gereageerd had toen ze zalf op haar gekneusde ribben had gesmeerd.
Harry keek haar bezorgd aan. ‘Heb je nog pijn?’ vroeg hij.
Ongeduldig wuifde ze de vraag weg. ‘Welnee, die zalf werkt als de Zweinsteinexpres. Maar daar ging het niet om. George reageerde alsof ik wilde poseren voor de Playwizard toen hij hoorde dat ik me aan het verkleden was.’
Plagend vroeg Harry: ‘Hoezo, ben je dat van plan?’ Hij bewoog veelbetekenend zijn wenkbrauwen. ‘Kun je dan extra afdrukken voor me vragen?’
Ze ontvouwde haar benen en schopte hem tegen zijn bovenbeen. ‘Vergeet het maar,’ zei ze quasi verontwaardigd. ‘Heb jij ooit afdrukken gevraagd aan een van de vele roddelbladen waarin jouw foto’s staan?’
Met de snelheid van een Zoeker greep hij haar enkel vast voordat ze haar been terug kon trekken, en trok haar naar zich toe.
‘Ik heb nooit geposeerd,’ zei hij naar waarheid. ‘En mijn foto’s zijn niet sexy genoeg om bij te bestellen.’
‘Hm, daar zit wat in,’ zei ze serieus. Hij boog zich voorover, liet haar enkel los en pakte haar in plaats daarvan bij haar middel beet.
‘Nee, Harry,’ riep ze gelijk. ‘Je weet dat ik daar niet tegen kan.’
Dat wist hij en daarom kietelde hij haar zodat ze begon te lachen en te protesteren en heen en weer bewoog om zijn handen te ontwijken. Langer dan een minuut hield ze het niet uit, toen riep ze om genade.
‘Hm,’ zei Harry peinzend, terwijl hij haar zodanig vast hield dat ze geen kant op kon. ‘Wat levert die genade mij op? Een afdruk?’
Hij keek op haar neer, terwijl ze ademloos van het lachen wachtte wat hij ging doen. Haar rode haren lagen uitgewaaierd om haar hoofd op het groene gras en haar ogen glansden van plezier. Haar adem ontsnapte in kleine pufjes aan haar halfgeopende mond en zijn blik bleef hangen bij haar rozerode lippen.
‘Harry?’ fluisterde ze. ‘Een kus voor genade?’
Zonder antwoord te geven, boog hij zich verder voorover terwijl hij haar tegelijkertijd dichter naar zich toe trok. De kus kon zeker wedijveren met een afdruk, ging er op de achtergrond van zijn gedachten door hem heen. Het was geen hevige, gepassioneerde zoen, maar een fijne kus van een lieve heks. Ginny’s hand gleed naar zijn nek en speelde met zijn iets te lange haar. Harry kuste haar mond opnieuw, toen haar kaaklijn en haar hals, waar hij zijn gezicht in haar warme, zachte haren begroef, en een tevreden zucht slaakte.


o~0~O~0~o



Narcissa en Andromeda genoten ook van het mooie weer. Ze zaten buiten op het kleine terras onder een grote parasol. Narcissa had haar zus gevraagd waarom ze niet gewoon een zonwerende spreuk gebruikte, maar Andromeda had uitgelegd dat de buren en voorbijgangers het vreemd zouden vinden als ze met een baby in de volle zon zou zitten.
Narcissa kon zich niet voorstellen dat iemand op die manier wilde wonen en leven, altijd rekening houdend met Dreuzels.
Teddy bewoog onrustig in haar armen. Andromeda had gevraagd of ze haar achterneefje de fles wilde geven en aarzelend had ze toegegeven. Buren of geen buren, als hij haar nieuwe mantelpakje onder spuugde, zou ze in een tel binnen zijn om de vlek eruit te toveren.
‘Draco keek dinsdag al net zo argwanend naar Teddy,’ zei Andromeda geamuseerd. ‘Harry trouwens ook.’ De naam werd nonchalant tussen neus en lippen door gezegd zodat het even duurde voor de Sikkel viel.
‘Harry Potter is hier op visite geweest?’ vroeg ze toen verbaasd.
Andromeda schudde haar hoofd. ‘Ik ben naar het Grimboudplein geweest met Teddy,’ vertelde ze. ‘Hij zou al naar Zweinstein gaan voor Harry genoeg moed verzameld zou hebben om langs te komen.’
Narcissa verwerkte die informatie. Dat Harry Potter het huis van hun oom en tante had geërfd, was geen geheim, maar klaarblijkelijk woonde hij daar nu?
Andromeda gaf ongevraagd antwoord. ‘Blijkbaar vindt hij het wel prettig om daar enkel met Knijster te wonen. Het is natuurlijk ook een stuk rustiger dan in het Nest.’
Narcissa moest zich inhouden om niet haar neus op te trekken, en verborg haar gezicht door naar Teddy te kijken, wiens ogen langzaamaan dichtvielen.
Knijster en Potter samen. Het klonk absurd. Knijster had een hekel aan Potter, die de peetzoon was van de tovenaar die hij verraden had. Het leek ook oneerlijk; de halfbloed die opgegroeid was bij Dreuzels kon blijkbaar rekenen op een goedgetrainde huis-elf als Knijster, terwijl zij zat opgescheept met Juvie.
Ondertussen vertelde Andromeda over het portret van hun tante, maar Narcissa was in gedachten nog bij het huis-elf-dilemma.
‘Wat ben je aan het bekokstoven, Cissy?’ vroeg Andromeda opeens.
Narcissa keek op en ontmoette de opmerkzame blik van haar zus.
‘Wat kan ik nu aan het bekokstoven zijn, Dromeda? Ik dacht na over tante Walburga,’ antwoordde Narcissa op onschuldige toon.
‘Je vergeet niet alleen dat ik die toon van jou ook na al die jaren nog wel herinner, maar dat ik bovendien ook in Zwadderich heb gezeten en het smeden van plannetjes op een afstand van meters kan ruiken,’ zei Andromeda pinnig.
Narcissa werd herinnerd aan vroegere, betere, tijden en moest ondanks zichzelf even glimlachen.
‘Ik ben ook niet vergeten dat jij altijd de neiging had om je als de oudste te gedragen en Bella en mij op de kop te zitten,’ reageerde ze een beetje weemoedig.
Andromeda doorzag haar echter gelijk. ‘Ja ja, probeer me maar niet af te leiden met sentimentele praatjes. Kom, biecht op!’
Die laatste drie woorden had ze in het verleden zo vaak geuit tegen haar jongste en oudste zus dat Narcissa bijna automatisch reageerde.
‘Ik dacht aan Knijster,’ bekende ze. Andromeda fronste haar wenkbrauwen en haar ogen werden op slag een paar tinten donkerder. ‘Nee,’ haastte Narcissa zich uit te leggen, ‘ik bedoel niet dat ik plannetjes voor Knijster heb!’ Ze vertelde haar zus over de problemen die ze de laatste maanden met huis-elfen hadden gehad. Eerst de massamoord en toen de frustraties over de ongetrainde Juvie.
Aangezien situaties achteraf vaak grappiger waren dan op het moment zelf, duurde het niet lang voor ze samen zaten te grinniken. Andromeda schaterde het hardst toen ze Lucius’ reacties hoorde.
‘Knijster zou een goede leermeester zijn,’ zei Andromeda, nadat ze Teddy naar bed had gebracht.
Narcissa keek verbijsterd op. ‘Voor Juvie?’ vroeg ze ongelovig. ‘Waarom zou Potter daar in Zalazars naam mee instemmen?’
Andromeda ging op haar gemakje zitten en schonk nog wat in voor ze antwoord gaf. ‘Knijster zou het geweldig vinden om iets voor jou te doen, dat weet je.’
Narcissa wist dat inderdaad, maar juist de herinnering aan de vorige keer dat de huis-elf iets voor een van de zusjes Zwarts had gedaan, maakte het idee zo bizar.
Andromeda lachte fijntjes en legde uit: ‘Knijster is nog steeds verknocht aan het nobele geslacht Zwarts,’ haar mond vertrok even, ‘– maar hij is ook loyaal aan Harry en het huis aan het Grimboudplein.’
Narcissa kon haar nog steeds niet helemaal volgen.
‘Als Harry hem zou vragen jou te helpen, zou Knijster dat dus doen. Plus dat die knorrige elf het geweldig zou vinden om zo’n onervaren wezen als Juvie de les te lezen.’ Andromeda's ogen glinsterden alsof ze het al voor zich zag. Narcissa kon zich wel vinden in die redenering, maar –
‘Waarom zou Harry Potter in Merlijns naam akkoord gaan? Voor mij? Na – na Sirius?’ Ze keek haar zus ongelovig aan, maar Andromeda liet zich daar niet door uit het veld slaan.
‘Had jij Harry's leven niet gered in Het Verboden Bos?’
‘Ja, maar wat – oh!’ Ze begreep opeens waar Andromeda heen wilde; de Levensbond! Potter stond bij haar in het krijt door de magische band die ontstond als een tovenaar of heks een ander het leven redde.
Ze schudde haar hoofd. Potter zou waarschijnlijk allang blij zijn dat ze niet iets ingrijpenders van hem verlangde dan een training voor Juvie. Daarvoor doe je echter geen beroep op zo'n magische band. Belachelijk!
‘Denk erover, Cissy,’ onderbrak Andromeda haar gedachten. . ‘Je kunt geen beroep op Harry doen voor Lucius of Draco, maar met een goed getrainde huis-elf doe je jullie alle drie levenslang een plezier.’
Ze klonk alsof ze haar zus wilde overhalen en Narcissa keek haar scherp aan. Had Andromeda een verborgen agenda? Ze keek onschuldig genoeg, maar haar ogen glinsterden. Het had weinig zin om ernaar te vragen, wist ze, dus ze knikte enkel.


o~0~O~0~o



‘Hebben jullie het al gehoord van het gemaskerd bal?’ was het eerste dat Parvati zei toen ze de kamer binnenstapte. Simon, Daan en Harry maakten gelijk kreunende geluiden.
‘Waarom een bal?’ vroeg Simon klagelijk. Daan en Harry stemden hartgrondig met hem in. Ginny bekeek het geamuseerd. Het bal was die ochtend officieel aangekondigd in de Ochtendprofeet. Hoewel het pas half juli zou plaatsvinden, moest men natuurlijk gelegenheid krijgen om een kostuum te kopen of te maken en de winkels waar men kleding of stoffen en accessoires kon kopen, waren ook nog niet allemaal terug in bedrijf. De kaartverkoop, waarvoor de opbrengst naar Zweinstein zou gaan, zou over een week starten.
‘Ga je ook naar het bal, Marcel?’ vroeg ze vrolijk toen de laatste van hun groepje binnenkwam.
Marcel knikte en ze herinnerde zich weer dat hij een van de weinige jongens was geweest die geen hekel aan dansen had gehad tijdens het Kerstbal drie jaar geleden. Hij kon ook vrij goed dansen, wist ze nog.
‘En, koop je een of twee kaartjes, Marcel?’ vroeg Daan met een wetende blik. Hoewel iedereen zelf een kaartje kon bestellen was het ook mogelijk om er twee te bestellen zodat je die anoniem kon versturen om iemand uit te nodigen. Die kaartjes kregen dan een overeenkomstig getal.
Marcel kleurde toen iedereen hem geïnteresseerd aankeek.
‘Ik dacht dat je haar uit je hoofd wilde zetten,’ zei Harry nieuwsgierig.
‘Uh, ja, dat wilde ik ook,’ mompelde Marcel. ‘Maar toen kwam ik haar tegen in Zweinsveld enne … toen hebben we wat in de Drie Bezemstelen gedronken.’
Hij kleurde nog dieper toen de jongens begonnen te joelen en Parvati hem bestookte met vragen. Ginny grinnikte enkel.
‘Gelukkig hoef je op dit bal niet uit te kijken voor Nurgels,’ klonk Loena’s dromerige stem naast haar.
‘En je kunt hem altijd voor twaalf uur smeren, als ze tegenvalt,’ riep Simon over het gelach dat Loena’s opmerking bracht. Het was de bedoeling dat iedereen op het bal zijn of haar masker zou ophouden tot twaalf uur, waarna je de keus had je identiteit te onthullen. Voor zover je danspartner die nog niet geraden had natuurlijk.
Ginny maakte, net als Parvati, een afkeurende geluid bij het horen van Simons voorstel.
Knijster bracht een nieuwe lading hapjes en drankjes en Ginny vond dat het juiste moment om haar nieuws te delen.
‘Er kwam vlak voor ik wegging een bericht uit Australië,’ deelde ze mee toen er even een stilte viel. ‘Hermelien en Ron verwachten binnen twee weken terug te komen.’
Ze keek naar Harry omdat ze wist dat hij hen erg miste en zag zijn gezicht opklaren. ‘Geweldig,’ zei hij. ‘En haar ouders?’
‘Die komen ook mee,’ vertelde Ginny en knikte even bevestigend naar hem om te laten weten dat alles goed gegaan leek te zijn met het geheugen van Hermeliens ouders.
Ook de anderen waren blij dat hun vrienden weer terug zouden komen. Er werden grapjes gemaakt over Ron en Hermelien zo samen op reis, maar allemaal vriendelijk bedoeld.
Ginny ving Harry’s glimlach en haar gedachten dwaalden even af naar de vorige dag, naar hun plagerijtjes en gezoen in de boomgaard. Het was geen hevige, gepassioneerde zoen geweest, waardoor Ginny zich onwillekeurig had afgevraagd of Harry haar minder aantrekkelijk vond.
Daan had nog een flesje Boterbier gehaald en stak dat nu in de lucht. ‘Ik heb ook nieuws,’ zei hij, maar hij keek erbij alsof hij niet goed wist of hij het goed nieuws moest noemen. Ze keken hem vol verwachting aan.
‘Ik heb besloten om toch een aantal oudere schilderijen te doneren voor de veiling.’
‘Goed van je, man,’ zei Marcel met een goedkeurende blik. De anderen vielen hem bij.
‘Waarom?’ klonk het naast haar. De onverwachte vraag van haar vriendin zorgde ervoor dat iedereen van Loena naar Daan keek. Daan zelf nam even de tijd om daarover na te denken en vertelde toen over een meisje dat hij ontmoet had op de afdeling Magische Revalidatie. Dat ze heel graag in september naar Zweinstein wilde, maar dat haar ouders betwijfelden of er voor die tijd genoeg geld voor de wederopbouw zou zijn.
‘Ik kan geen vrijwilligerswerk doen, maar op deze manier kan ik ook een steentje bijdragen,’ zei hij simpel.
De rest knikte, maar ze wisten allemaal dat die beslissing een stuk moeilijker was geweest dan het nu klonk. Omdat niemand wist hoe hij of zij moest reageren, bracht Daan in de stilte die viel het gesprek op een ander onderwerp door te vragen hoe het nu met Belinda ging. Marcel haakte er op in en zei dat hij Charlie gesproken had. Ginny keek verbaasd, maar was niet verrast toen ze hoorde dat Charlie met Bill wilde praten. Ze vond het een beetje stom dat ze daar zelf niet aan gedacht had. Hopelijk kon Bill advies geven.



‘Jij kunt een dame al neerslachtig maken als je naar haar glimlacht en doorloopt, Charlie Wemel. Je bent een charmeur van de eerste orde.’
WW ho 46
IP IP gelogd
Terug naar boven
Avana
Zwadderich
Zwadderich
Avatar
Yes, I am a H/D-shipping fairy.

Lid geworden: 30 december 2006
Online status: Offline
Berichten: 2878
Quote Avana Beantwoordbullet Geplaatst op: 27 augustus 2019 om 13:06

Hoofdstuk 46 Slangen, Schelpen en Slechte Nachten



De beker glipte van tussen haar vingers en viel op de grond uit elkaar. Hete melk spatte tegen haar onderbenen en de druppels gleden in haar pantoffels, maar Ellen kon alleen vol afschuw naar haar bed staren waar een opgerolde slang op haar kussen lag. Zonder haar ogen af te wenden, tastte ze vanuit de deuropening naar haar toverstok op de toilettafel. Het dier had zich ondanks de commotie nog niet verroerd en voorzichtig schuifelde ze nu iets dichterbij, haar arm gestrekt.
Toen gilde ze. Vanaf deze hoek zag ze wat ze eerder gemist had; het beest was onthoofd. De kop lag met een halve centimeter tussenruimte naast het lichaam en het was duidelijk dat het geen kwestie was van een verdwaalde slang. Haar vingers verkrampten om het plataanhout bij de gedachte aan een indringer in haar huis. Dit waren geen paranoïde gedachten van een oververmoeid brein.

Een uur later werd ze ondervraagd door twee Scherpspreukers die wat ongemakkelijk op haar bank zaten.
'Had u verder iets ongewoons opgemerkt voor u de trap opliep?' vroeg de oudste Scherpspreuker, die zich had voorgesteld als Arnout Vredeman. Vanonder borstelige wenkbrauwen keken doordringende blauwgrijze ogen haar afwachtend aan.
Naast hem zat zijn collega klaar om haar verklaring vast te leggen. Ze staarde naar de schrijfveer die boven het perkament zweefde.
'De tulpen,' antwoordde ze afwezig, 'ze waren verplaatst.'
De veer bewoog abrupt omhoog.
'Tulpen?' klonk het sceptisch.
'Uh, ik bedoel de kussentjes.'
Ze zag hoe hij met opgetrokken wenkbrauwen naar Scherpspreuker Vredeman keek, alsof hij wilde zeggen dat ze waarschijnlijk Waarzeggerssalie had gerookt.
Diep ademhalend begon ze opnieuw, dit keer bij het begin. Ze vertelde over het gevoel gade te worden geslagen, de verplaatste kussens, de gesloten achterdeur en tenslotte hoe ze de slang vond. Ze beantwoordde allerlei vragen tot ze het gevoel had in herhaling te vallen.
In de tussentijd werd haar hele huis door een specialistisch team onderzocht op sporen. De Scherpspreukers hadden kort overleg met de teamleider in de keuken, waarna Vredeman zich weer bij haar voegde.
Ze was niet verbaasd om te horen dat het team niet had gevonden. Vermoeid knikte ze. Het was inmiddels diep in de nacht, maar slaap zou ze vermoedelijk niet meer kunnen vatten.
De Scherpspreuker streek met een afwezig gebaar over zijn voorhoofd, tot aan de haargrens die zich al zover had teruggetrokken dat Arresto Momentum amper effect zou hebben.
'Kunt u ergens terecht? Moeten we iemand waarschuwen?'
Ze schudde haar hoofd omdat ze simpelweg niet van plan was zich uit haar huisje te laten verjagen.
Hij waarschuwde haar om op te passen en gaf haar een Noodviavia, die haar direct in veiligheid zou brengen als er plotseling gevaar dreigde.
‘Heeft u nog vragen?’ vroeg hij tenslotte.
Ze schudde haar hoofd. ‘Enkel een verzoek.'
Hij keek haar vragend aan.
‘Ik zou het op prijs stellen als u kunt voorkomen dat de Ochtendprofeet hiervan op de hoogte wordt gebracht.’
Ze zat beslist niet te wachten op het zoveelste stukje sensatiejournalistiek waarin haar zoon ongetwijfeld een hoofdrol toebedeeld zou krijgen.
Vredeman beloofde: ‘Ik zal mijn best doen, mevrouw Sneep.’ Hij verzamelde het team en vertrok na een laatste waarschuwing om de deur gelijk achter hem af te sluiten.


o~0~O~0~o



Op zaterdagavond was de sfeer in De Drie Bezemstelen heel anders dan de overige dagen van de week. De jongeren zochten hippere gelegenheden op of werden dichter bij huis verwacht.
Het waren dus voornamelijk heksen en tovenaars van boven de twintig die in de loop van de avond binnendruppelden. Inwoners van Zweinsveld, vrijwilligers zoals Charlie, en af en toe wat professoren van Zweinstein.
Aan een tafeltje tegen de muur zag Charlie een man zitten die met kaarten en touwen in de weer was; Dreuzelgoochelarij uit de winkel van zijn broer. In een afgelegen hoek, waar tijdens het schooljaar vaak verliefde stelletje wegkropen, klonk het knallen van Fluimstenen.
Hij schoof bij aan de grote ronde tafel in het midden van het café. In het gemengde gezelschap bevonden zich onder andere Ewout Doedijns, Filius Banning, Aurora Sinistra en Hendrik Vendelier. Het geplaag van collega's, het geflirt met Delicia Rosmerta, de debatten over de meest uiteenlopende onderwerpen; het herinnerde hem aan de avonden met zijn collega's in het Roemeense reservaat.
De Oude Klare smaakte ook prima. Hij stak zijn hand op en gebaarde naar de barvrouw om iedereen nog eens bij te schenken.
Met zoveel leraren en vrijwilligers onder de vaste klanten was het te verwachten dat Zweinstein een van de onderwerpen was die regelmatig de ronde passeerde. Er werd gepraat over het werk zelf, geroddeld over andere vrijwilligers en deze zaterdag kwamen ook de verschillende activiteiten ter sprake die geld op moesten leveren voor de wederopbouw.
‘Het is erg slim bedacht,’ vond Hendrik. ‘Veel tovenaars zullen toch een tweede kaartje kopen in de hoop iemand te vinden die met hen mee wil naar dat bal, terwijl de dame in kwestie misschien helemaal geen zin heeft, of zelfs al een of meerdere andere uitnodigingen heeft gehad.’
‘Je zou een ongebruikt kaartje moeten kunnen inwisselen,’ was Aurora van mening, maar Hendrik schudde zijn hoofd.
‘Dat kun je wel doen bij een klein feestje of een schoolbal, maar het gaat hier om het goede doel,’ wierp hij er tegen in. ‘Als je voor dat goede doel wilt geven, zou je zelfs tien kaartjes kopen en niet eens naar het bal gaan. Je kent het risico als je een kaartje koopt.’
De tovenaar praatte met meer nadruk dan aan het begin van de avond en gebaarde af en toe zo uitbundig met zijn armen dat de oudere heks die stilletjes naast hem van een Violierwater zat te nippen, dan snel opzij moest bewegen.
‘Voor hoeveel dames ga jij een kaartje kopen, knapperd?’ vroeg Delicia, terwijl ze langs hem heen boog om de gasten van drankjes te voorzien en hem een uitgebreide blik op haar boezem bood. ‘Dan weet ik hoeveel ik in moet slaan als ze hier hun verdriet komen weg drinken.’ Ze knipoogde en zette als laatste een kersensiroop met soda, ijs en een blauw parasolletje voor Filius neer.
‘Maar, Delicia,’ zei Charlie, terwijl hij theatraal zijn hand op zijn hart legde, ‘je kwetst me diep. Zou ik ooit moedwillig een dame verdriet doen?’
Lachend liep ze rond de tafel. ‘Jij kunt een dame al neerslachtig maken als je naar haar glimlacht en daarna doorloopt, Charlie Wemel. Je bent een charmeur van de eerste orde.’
‘Betekent dat dat ik geen kaartje voor jou hoef te bestellen, schone bardame,’ riep hij haar na.
‘Enkel in je dromen, schat!’ antwoordde ze adrem en liep heupwiegend naar twee klanten die aan een tafeltje zaten en afwachtend naar een pak Zelfschuddende Kaarten keken.
Charlie schaterde en nam daarna nog een slok van zijn Jonge Borrel.
Aan een tafeltje alleen zat Hagrid. Naar mate de avond vorderde zag Charlie dat Filius en Aurora elkaar af en toe bezorgde blikken toewerpen. De goedaardige halfreus leek met de week neerslachtiger te worden. Hij wilde niet bij hen komen zitten, maar dronk de ene na de andere Jonge Klare in een zijn afgelegen hoekje. Delicia Rosmerta lengde inmiddels zijn borrels aan met water omdat ook zij zich zorgen maakte.
Hagrid was niet de enige die af en toe zijn verdriet of zorgen in alcohol probeerde te verdrinken. Delicia had van de nood een deugd gemaakt en verkocht Brandstof waarmee elke heks of tovenaar die te aangeschoten was om veilig te Verdwijnselen, tegen een klein bedrag gebruik van haar haardvuur kon maken.
Ondertussen waren Ewout en Filius aan het discussiëren over de zin en onzin van de taakstraffen op Zweinstein. Ewout was duidelijk niet onder de indruk van het idee en vroeg zichzelf af wat Minerva Anderling bezield had om met zo’n voorstel te komen. Filius wierp daarop vurig tegen dat het precies het idee was dat Albus zou hebben geopperd, maar dat werd door Ewout niet als een pluspunt gezien.
Charlie snapte Ewouts zorgen wel; waarom zouden de veroordeelden gemotiveerd zijn om Zweinstein te helpen opbouwen? De meesten hadden er juist aan bijgedragen dat het in verval was geraakt. Hij had weinig zin om deel te nemen aan het verhitte gesprek, want hij voelde zich heerlijk ontspannen.
‘Charlie, wat vind jij daar nou van?’ vroeg Ewout dringend en prikte daarmee Charlie's roze wolk door.
‘Minerva weet wel wasse doet,’ probeerde hij zijn gedachten onder woorden te brengen. Ewout keek hem fronsend aan dus nam Charlie nog een slok om duidelijker te kunnen praten en zei: ‘Minerva weet wel -’
Zijn poging om duidelijk te articuleren strandde en hij schudde met zijn hoofd om zijn gedachten helder te krijgen. Toen dat niet hielp, haalde hij zijn schouders op en grinnikte naar Aurora die hem hoofdschuddend aankeek. Het was weekend tenslotte.
Delicia liep langs de ronde tafel. Charlie stak zijn arm uit om haar tegen te houden en probeerde haar bij haar middel te pakken. ‘D’lissia, doe nog maar een rondje.’
De barvrouw ontweek hem behendig. Ze keek de tafel rond, maar de anderen hadden nog of hoefden niet meer. Filius en Aurora stonden op om terug naar het kasteel te gaan.
‘Volgens mij heb je wel genoeg op, schat,’ zei Delicia hoofdschuddend tegen hem. ‘Dat wordt sowieso niet Verdwijnselen voor jou.’
‘‘k Wil ook niet Verdwijnselen,’ mompelde hij en dronk de rest van zijn Jonge Borrel op. Toen hij uiteindelijk opkeek, zag hij verbaasd dat hij alleen aan de ronde tafel zat. Hij knipperde even met zijn ogen, maar de tafel bleef leeg.
Nou ja zeg, zijn ze zomaar weggegaan, dacht hij teleurgesteld. Hij stond op en ontdekte dat de bar begon rond te draaien.
‘Merlijns baard,’ riep hij. ‘Waarom doe je dat?’
Hij voelde hoe een slanke arm rond zijn middel gleed.
‘D’lissia!’ riep hij gelukzalig.
‘Kom op, ik loop even mee naar de haard,’ zei de barvrouw kordaat. ‘Weet je waar je heen moet?’
Charlie dacht na. Hij moest naar Bill, en Bill woonde -
‘Bij het strand,’ herinnerde hij zich. ‘In uh, de Zeester. Oh nee, de Golf. Of de Oester?’ Weifelend keek hij haar aan. Ze zuchtte even berustend en leidde hem toen een gang in die hij niet herkende.
‘Ga je naar ‘t strand mee?’ vroeg hij en mopperde toen omdat de woorden niet in de juiste volgorde zijn mond uitkwamen.
‘Nee, ik ga niet met je naar het strand, Casanova,’ zei ze geamuseerd. Ze stopte voor een houten deur en opende die. ‘Maar jij mag hier je roes uitslapen.’
Voor hij wist wat er gebeurde, zat hij op de rand van een eenpersoonsbed en trok ze zijn schoenen uit. Verrast stak hij zijn handen naar haar uit, maar die ontweek ze. Ze tilde zijn benen op het bed, zodat hij omviel en liep tot zijn verontwaardiging gewoon weg.
Toen hij de deur in het slot hoorde vallen, herinnerde hij zich opeens iets.
‘t Was De Schelp,’ mompelde hij voordat hij als een blok in slaap viel.


o~0~O~0~o



Toen Draco midden in de nacht de badkamer uitstapte, lagen er al andere lakens op zijn bed. Juvie leek er iets beter in te worden, maar dat was ook geen wonder nu ze zo vaak kon oefenen, dacht hij cynisch.
Vermoeid ging hij op de rand van zijn bed zitten en staarde voor zich uit. Had hij maar een toverdrank voor een droomloze slaap. Zonder oom Sev om hun voorraad aan te vullen, waren ze snel door hun toverdranken heen geweest en nieuwe kopen was geen optie. Bovendien was zijn moeder toch geen voorstander van overmatig gebruik van die drank; ze was bang dat je er steeds meer van nodig had om effect te hebben. Het zou Draco niet weerhouden hebben om een dosis te nemen als het voorradig was geweest.
Zijn nachtmerries kwamen niet minder frequent voor, en helaas werden ze ook niet echt duidelijker qua betekenis.
Altijd was daar het vuur dat hem achtervolgde door de brandende villa, waaruit hij nooit een uitweg kon vinden. Soms werden herinneringen aan de nachtmerrie toegevoegd en probeerde hij zijn vader uit het vuur te redden, of Korzel. Andere keren waren het de gezichten van Loena, Olivander of Perkamentus die door de vlammen verteerd werden. Het was niet moeilijk om te bedenken dat zijn schuldgevoel aan die dromen ten grondslag lag. Schuldgevoel ten opzichte van mensen die hij niet had kunnen helpen of had verraden. Het vuur uit zijn dromen was ongetwijfeld een weerspiegeling van het Duivelsvuur dat Vincent had opgeroepen, met niet alleen de monsters uit de Kamer van Hoge Nood, maar ook de monsters die enkel uit het vuur van zijn dromen ontstonden, zoals de roedel weerwolven die met rode, gloeiende ogen door het vuur op hem af vlogen.
Draco schoof onrustig heen en weer waardoor de dekens alsnog voor een deel op de grond belandden.
Wist hij maar hoe hij aan die dromen, en aan het vuur moest ontsnappen, welke weg hij moest kiezen om uit het doolhof te geraken. Hij stond op, liep naar de badkamer, dronk wat water en ging weer zitten.
Zoals altijd als hij piekerde over een weg uit het vuur, leek er iets te knagen aan zijn bewustzijn. Het was alsof hij het antwoord wel wist, maar het niet kon vinden, net zoals hij de uitgang zelf niet kon vinden.
Opnieuw stond hij op, rusteloos liep hij door zijn kamer. Als hij niet snel kon slapen, zou hij er morgen als een Inferius uitzien. Maar denken aan de volgende dag zorgde er zeker voor dat hij geen oog meer dicht zou doen, dus probeerde hij elke gedachte aan Zweinstein en Anderling, vrijwilligers en teams naar het uiterste hoekje van zijn gedachten te verbannen. Het bleek een onmogelijke opdracht. Tenslotte gaf hij het op.
‘Juvie.’
Met een redelijk beschaafd geluid verscheen Juvie of een meter afstand.
‘Meneer Markiezus?’ vroeg ze, terwijl ze hem met haar grote ogen aankeek.
‘Ik wil graag een beker warme melk. Doe er maar een flinke scheut rum in,’ voegde hij er op het laatste moment aan toe.
Ze keek hem een beetje droevig aan, maar zei voor de verandering niets en verdween. Binnen een ogenblik was ze weer terug met de hete drank, die meer uit rum dan melk bestond. Precies zoals hij wilde.
Maar ook daar had de huis-elf inmiddels genoeg ervaring mee.



‘Jij kunt een dame al neerslachtig maken als je naar haar glimlacht en doorloopt, Charlie Wemel. Je bent een charmeur van de eerste orde.’
WW ho 46
IP IP gelogd
Terug naar boven
<< Vorige Pagina  van 5
Beantwoord bericht Plaats een nieuw onderwerp
Printbare versie Printbare versie

Spring naar forum
je kan niet nieuwe onderwerpen plaatsen in dit forum
je kan niet antwoorden plaatsen in dit forum
je kan niet berichten verwijderen in dit forum
je kan niet berichten bewerken in dit forum
je kan niet enquêtes creëren in dit forum
je kan niet stemmen in enquêtes in dit forum